Hindoegeschriften

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Hindoegeschriften zijn de teksten uit de literaire traditie van het hindoeïsme. Aan de basis hiervan staan de Veda's die behoren tot de shruti, wat wordt gehoord. Deze zijn direct door het goddelijke aan zieners ("rishi's") geopenbaard. Daar tegenover staan de smriti's, zich herinneren, die door mensen zijn gecomponeerd. Dit is uiteenlopende literatuur, van commentaren en interpretaties op de Veda's tot de epische werken. De oude werken zijn geschreven in het Prakrit en later vooral het Sanskriet.

Datering en overlevering[bewerken]

Datering van van vroege teksten is moeizaam, ook omdat er in India lange tijd een orale traditie bestond, zelfs nadat het schrift al lange tijd geïntroduceerd was. Veel oude teksten zijn gevormd gedurende eeuwen met vele onbekende auteurs die regelmatig conflicterende inzichten toevoegden.

De orale traditie werd in stand gehouden omdat de Veda's alleen voor tweemaal-geborenen (dvija) toegankelijk waren en daarom pas na lange tijd op schrift werden gesteld. Die traditie had tot gevolg dat bij vedische scholen (charana's) die hun aanhang verloren ook hun recensies (shakha's) verloren ging. Dit gold ook toen teksten op schrift werden gesteld, aangezien nog lang gebruik werd gemaakt van palmbladmanuscripten die vergankelijk van aard waren en afhankelijk waren van kopiisten.

Smriti Dharmasoetra Purana Ramayana Mahabharata Vedanga Veda's

Veda's[bewerken]

De Veda is een complex en zeer uitgebreid werk dat is samengesteld gedurende eeuwen en lange tijd alleen mondeling werd doorgegeven, ook nadat het schrift was ingevoerd. Deze teksten gelden als de absolute en eeuwige waarheid, aangezien zij op openbaring berustten en alleen tweemaal-geborenen mochten deze aanhoren.

De vroegste Veda is de Rig, waarbij het vroegste deel de Rigveda-Samhita is. De Samaveda is grotendeels gebaseerd op de Rigveda, maar hier is de tekst op muziek gezet. De Yajoerveda bevat de formules die worden voorgedragen tijdens een offer (yajna), terwijl de Atharvaveda rituelen uit de tradities van genezing en magie bevat.

De vroegste delen uit de Veda's, de samhita's, werden archaïsch voor het publiek dat vele eeuwen na het ontstaan hiervan leefde en daartoe werden de brahmana's toegevoegd waarin uitleg wordt gegeven bij de samhita's en de offerrituelen uiteen worden gezet. De verschuiving van de focus naar de brahmana's en de rituelen ging ten koste van de deva's, de goden uit de Rigveda-Samhita. Dit ging gepaard met de opkomst van de brahmanen, de priesters die met hun rituelen de goden moesten bedwingen. Het derde deel van de Veda's zijn de aranyaka's of woudgeschriften die duiding geven bij de offers en al een meer filosofische inslag hebben. Het zijn de voorlopers van de upanishads die een belangrijke revolutie in religieus denken betekenden. Deze ontstonden ten tijde van een urbanisatie en individualisering van de samenleving, waarbij het lijden een belangrijke plaats kreeg, terwijl het polytheïsme in belang afnam. Er is niet altijd een scherpe overgang en zo zijn upanishads soms onderdeel van samhita's of brahmana's.

In de upanishads heeft het begrip Brahman zich ontwikkeld tot het onpersoonlijke Absolute waaruit alles ontstaat, niet gebonden aan tijd (kala), ruimte (desa) en causaliteit (nimitta), dit in tegenstelling tot de goden. Atman had zich ondertussen ontwikkeld tot de diepste zelf en de upanishads stelden dat beide een waren.

Daarnaast vormde zich hier een nieuw idee van wat er na de dood gebeurt. Vanaf deze tijd werden samsara, karma en moksa centrale begrippen in de Indische filosofie en religie. De eeuwigdurende cyclus van dood en wedergeboorte van samsara is daarbij afhankelijk van karma – hoe men zich gedragen heeft in het eerdere leven. Hoewel goed gedrag daarmee een verbetering op kan leveren, blijft het lijden altijd een gegeven en daarom is het streven van verlossing of moksa het belangrijkste doel van de purusartha.

Gedurende het ontstaan van de Veda's breidde het gebied van de Indo-Ariërs zich uit van het vijfstromengebied Punjab rond de Indus naar het oosten tot de Ganges. De Veda's werden samengesteld door families van brahmana's die zich specialiseerden in specifieke rituelen. Hieruit vormden zich verschillende vedische scholen (charana's) met elk een eigen recensie (shakha), waarbij de Yajoerveda veruit de meeste shakha's kende, al zijn de meeste daarvan niet overgeleverd. Daarmee is voor veel shakha's een regio aan te wijzen waarin deze domineerde.

Vedanga[bewerken]

Ter ondersteuning van de studie van de Veda's en de uitvoering van de rituelen vormde de Vedanga zich, de 'ledematen van een Veda'. Deze hulpwetenschap bestaat uit zes disciplines:

Epische literatuur[bewerken]

De Mahabharata en de Ramayana zijn de twee grote epische werken in het Sanskriet. De smriti-werken worden samen wel Itihasa genoemd, terwijl de Ramayana ook wel wordt aangeduid als kavya of poëzie. Vooral de Mahabharata heeft een opvoedende functie met een centrale rol voor dharma. Beide werken werden gevormd in een eeuwen durend proces en noemen elkaar dan ook in latere delen.

De belangrijkste recensies van de Mahabharata zijn de noordelijke en de zuidelijke. Centraal staat de Kurukshetra-oorlog die wordt uitgevochten tussen twee takken van een familie, de Kaurava's en de Pandava's. Het is toegeschreven aan Vyasa, maar het werk is duidelijk niet van een enkele auteur.

Ook de Ramayana kent als de twee belangrijkste recensies een noordelijke en zuidelijke variant, waarbij binnen de noordelijke versie weer onderscheid te maken is tussen een noordoostelijke, noordwestelijke en westelijke. Hierin staat Rama centraal. Deze prins van Kosala wordt met zijn broer Lakshmana en zijn vrouw Sita verbannen door toedoen van zijn stiefmoeder Kaikeyi. Nadat Sita wordt ontvoerd door Ravana, de koning van Lanka, trekt hij ten strijde. Hij weet haar te redden en keert daarna terug naar Ayodhya om daar koning te worden. Het werk wordt traditioneel toegeschreven aan Valmiki, maar kent vele varianten, ook buiten India.

Purana's[bewerken]

Vyasa zou ook de Purana's (Sanskriet voor oud of antiek) geschreven hebben, maar ook dit zijn werken van meerdere auteurs uit verschillende tijden. De achttien belangrijkste zijn de Mahapurana's met daarnaast nog achttien secundaire, de Upapurana's, en nog vele andere. Elke Purana zou vijf onderwerpen moeten behandelen, de pancha-lakshana's:

  • sarga, de schepping van de aarde
  • pratisarga, de herschepping van de aarde
  • manvantara, de cycli van de verschillende Manu's
  • vamsha, genealogie van de goden en rishi's
  • vamshanucharitam, beschrijving van de dynastieën

Niet alle Purana's houden zich hier echter strikt aan en beperken zich ook niet tot deze onderwerpen. Aanvullende onderwerpen omvatten gewoonten, ceremonies, offers, festivals, taken van elke kaste, schenkingen, de bouw van tempels en bedevaartsoorden, waarmee het een encyclopedisch karakter verkreeg. Dit bracht met zich mee dat de inhoud regelmatig bijgewerkt moest worden, volgens een proces van Upabrimhana. Het was daarmee een belangrijk medium om brahmaanse gewoontes door te geven, maar tegelijkertijd werden andere invloeden hiermee geabsorbeerd, daarmee bijdragend aan de vorming van het hindoeïsme. De Puruna's zijn allemaal zeer sektarisch en gewijd aan onder meer Shiva en Vishnoe. De populairste Purana is de Bhagavata Purana. Daarbij spreken de Purana's elkaar nogal eens tegen, zodat vele verschillende opvattingen verdedigd kunnen worden vanuit een bepaalde Purana.

Dharmashastra[bewerken]

Het begrip dharma komt al voor in de Rigveda en in minder mate in de latere Veda's, maar was daar nog geen centraal begrip. Het vormde zich hier wel van fundatie van het heelal tot de heersende macht en uiteindelijk tot een begrip tussen normen en de wet in. Binnen de nieuwe religies van het jaïnisme en het boeddhisme kreeg het een centrale plaats, vooral onder Asoka. Het brahmanisme bleef daarbij niet achter en vormde de Dharmashastra, de dharma-literatuur of -wetenschap.

Er wordt daarbij wel onderscheid gemaakt tussen drie fases, waarbij de laatste twee elkaar deels overlappen. Wanneer de eerste fase begon, is niet meer na te gaan, aangezien deze werken verloren zijn gegaan. Kane schatte dat er zo'n honderd vroege werken zijn geweest. Daarvan zijn er tien overgeleverd, waarvan de eerste vier de Dharmasoetra's zijn van Apastamba, Gautama, Baudhayana en Vasishtha. De andere werken worden meestal aangeduid als dharmashustra of zelfs kortweg smriti en zijn van Manu, Yajnavalkya, Narada, Vishnoe, Parashara en Vaikhanasa. Dit zijn niet de werkelijke auteurs, maar rishi, wijzen of zelfs goden. Het was gebruikelijk dat werken werden toegeschreven aan belangrijke personen uit het mythische verleden en verleende de teksten een bepaald gezag (pramana). Deze fase liep tot halverwege de tweede helft van het eerste millennium.

De tweede fase begon rond deze tijd en bestond uit commentaren (bhashya's) op de vroege werken. Zo zijn onder meer commentaren op de Manusmriti overgeleverd van Bharuci en Medhatithi, op de Yajnavalkyasmriti van Visvarupa en op de Naradasmriti van Asahaya. Dit zette zich door tot ver in de koloniale periode.

De derde fase begon rond de twaalfe eeuw met de nibandha's. Dit zijn encyclopedische werken over alle aspecten van dharma, waaronder Krtyakalpataru van Lakshmidhara en Smriticandrika van Devanna Bhatta.

Literatuur[bewerken]

  • Singh, U. (2008): A History of Ancient and Early Medieval India. From the Stone Age to the 12th Century, Pearson Education India