Avatar (hindoeïsme)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Vishnoe en zijn tien avatars

Het woord avatar komt uit het Sanskriet: अवतार (avatāra), letterlijk de neerdalende, en betekent: incarnatie.

In het hindoeïsme kan een avatara bijvoorbeeld de incarnatie van god of Saguna Brahma (meestal Vishnoe) in een menselijk of dierlijk lichaam zijn. Vooral vaishnavieten geloven in avatara's, veel andere hindoes geloven niet dat god in zijn geheel als avatara kan incarneren.

Avatara's zijn de sterkste wezens in het heelal. Ze hebben de verantwoordelijkheid voor het zorgen voor de rust en balans in het universum. Ze komen misschien als incarnatie van een god, maar hebben daarbij nog steeds dezelfde krachten. Ook hun onsterfelijkheid houden ze, wetend dat, als het erop aankomt, ze die altijd ten goede moeten gebruiken.

Er is één avatara die uit zichzelf is geïncarneerd, niet ontstaan uit een god maar uit zichzelf doordat alle krachten van alle zonnen en alle sterren uit het heelal zich hebben gebundeld. Daarna heeft hij zelf ook weer het heelal gecreëerd. Deze avatara, niet genoemd bij naam, is de machtigste onder de avatara's, bedoeld om zijn mede-avatara's te beschermen tegen het kwaad.

De avatara's krijgen hulp van engelen uit de hemel. Zij vechten mee voor de balans in het universum. Ook de engelen worden verdeeld naar rang. Zo is de aartsengel de belangrijkste engel en deze staat boven de gewone engelen. De aartsengelen hebben de verantwoordelijkheid over engelen onder zich.

In het epos Mahabharata komen Krishna en Rama voor, twee van de tien avatara's van Vishnoe.

Hoewel de benaming niet gebruikelijk is, kan Jezus van Nazareth de avatara van JHWH worden genoemd, wat wordt uitgedrukt in het evangelie volgens Johannes: het Woord is vlees geworden.