Presocratische filosofie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Fairytale bookmark.png Dit artikel is voorgedragen als etalageartikel. Aangemelde gebruikers kunnen gedurende één maand hun stem uitbrengen.
Filosofie
Banner-philosophy.png
Geschiedenis van de filosofie
Westerse filosofie Presocratische filosofie
Antieke filosofie
Middeleeuwse filosofie
Renaissancefilosofie
Moderne filosofie
Hedendaagse filosofie
Oosterse filosofie Arabische filosofie
Chinese filosofie

Indische filosofie

Japanse filosofie
Zoroastrisme

Religieuze filosofie Christelijke filosofie
Joodse filosofie
Islamitische filosofie
Categorie filosofie Boeken
Filosofen
Stromingen
Portaal  Portaalicoon  Filosofie

De presocratische filosofie vormt de beginfase van de westerse filosofie in de periode 600–400 v.Chr., toen Socrates en zijn volgelingen de filosofie nog niet beïnvloedden. Presocratische denkers waren afkomstig uit de Griekse kolonies, vooral in Ionië en Magna Graecia. Ze waren voornamelijk natuurfilosofen die schreven over kosmogonie, kosmologie en de werking van de natuur. In hun poging om het natuurgebeuren te verklaren, namen zij afstand van traditionele, religieuze denkbeelden, maar speculeerden ze over grondsubstanties waaruit alles in de kosmos voortkomt en over principes die dat proces aansturen. In mindere mate richtten zij zich ook op de wiskunde, astronomie, epistemologie, logica en ethiek.

De presocraten kenden het aristotelische onderscheid tussen mythologische dichters en filosofische prozaschrijvers niet. Ze drukten zich nog mythisch uit en schreven soms in verzen. Wat hen echter onderscheidt van voorgangers is dat ze streefden naar discussie en theoretische verklaringen die reductionistisch, coherent en systematisch waren. Daarvoor ontwikkelden ze nieuwe, abstracte begrippen. Zodoende gelden ze als protowetenschappers.

Veel schreven de presocraten niet, en in de verbreiding van hun ideeën waren ze naast het maken van afschriften aangewezen op reizen en voordrachten op straat. Niet één werk is intact overgeleverd. Er bestaan alleen fragmenten en testimonia (getuigenissen) in het werk van latere schrijvers. Sinds de 19e eeuw onderzoeken historici, filosofen en filologen wat de presocratische denkbeelden inhielden en wat hun betekenis was in de klassieke oudheid.

Definitie[bewerken]

De Duitse onderzoeker Hermann Diels. Hij publiceerde enkele werken met studies van overgeleverde tekstfragmenten uit de klassieke oudheid, en die van belang waren voor verder onderzoek. Door zijn Die Fragmente der Vorsokratiker werd het begrip 'presocraat' gangbaar.

De begrippen presocraat (presocratici) en presocratische filosofie kwamen in de oudheid niet voor maar zijn gangbaar geworden dankzij Hermann Diels, die de fragmenten en testimonia van alle presocraten editeerde en uitgaf als Die Fragmente der Vorsokratiker in 1903. De term verwees bij Diels naar de Griekse filosofen die niet door Socrates waren beïnvloed.

In Engelstalige vakliteratuur spreekt men veeleer van 'early Greek philosophers' ('vroege Griekse filosofen'), omdat presocraat misleidend is.[1] Ten eerste leefden sommige presocraten, zoals Democritus, niet vóór maar tegelijk met Socrates.[1] Ten tweede vormden ze geen uniforme groep van professionele filosofen. Ze waren onafhankelijke denkers die soms wel en soms geen gebruik maakten van rationele argumentatie, analogieën, observatie en experiment. Ten derde zijn de verschillen in opvattingen tussen presocraten enerzijds en Socrates met zijn volgelingen anderzijds niet altijd even groot.[2] Plato bouwde bijvoorbeeld voort op het werk van presocraten in met name zijn latere dialogen.[2]

Wat hen onderscheidde van hun voorgangers zoals theologen is niet zozeer het soort vragen dat zij stelden (zoals etiologische), maar vooral de antwoorden die zij bedachten. Daarin deden ze namelijk geen beroep op traditionele, mythische opvattingen. Ze zochten naar een rationele ordening en verklaring van de natuur, die vanuit de natuur zelf begrepen moest worden, dus zonder goden als veroorzakers van het natuurgebeuren. De presocraten vormden hypothesen waarover ze discussieerden, en deden een beroep op het logisch overdenken en coherent maken van theorieën. Hun benaderingswijze was dus niet dogmatisch maar kritisch.[3]

Latere klassieke auteurs maakten een globaal onderscheid tussen presocratische en postsocratische filosofie.[4] De eerste die dat deed, was Aristoteles (4e eeuw v.Chr.), die stelde dat Socrates zich had afgewend van de natuur om zich te richten op de ethiek.[p 1] Soortgelijk is de stelling van Cicero, dat 'Socrates de wijsbegeerte van de hemel naar de aarde heeft gehaald'.[p 2][1] Die categorisering van en perceptie op de Griekse intellectuele geschiedenis werkt door in de moderne behandeling daarvan.

Presocratische filosofen[bewerken]

Forsokrat 2.JPG

Hieronder volgt een korte, chronologische beschrijving van presocratische filosofen.[5] Sommigen daarvan hadden volgelingen, waarvan vaak weinig bekend is. Zie hiervoor de artikelen over de afzonderlijke filosofen.

Thales werd rond 624 v.Chr. geboren in Milete, Ionië, en overleed rond 546 v.Chr. In de oudheid gold hij als de eerste filosoof, een van de Zeven Wijzen en als modelfilosoof op het gebied van onder andere ingenieurswezen, geometrie, politiek en natuurfilosofie. Tevens zou hij astronomisch onderzoek hebben gedaan en een zonsverduistering hebben voorspeld in 585 v.Chr. Hij stelde dat water de archè (oersubstantie waaruit alles voortkwam) is van het heelal. Vermoedelijk stelde hij niets op schrift. Naar Thales en zijn stadsgenoten Anaximander en Anaximenes wordt verwezen als de Milesische school.

Anaximander werd geboren rond 610 v.Chr. in Milete. Voor zover bekend, schreef hij als eerste een kosmologisch werk met speculaties over het ontstaan van de kosmos en de mens, dat een van de eerste prozawerken was. De uitvinding van de gnomon, het maken van de eerste wereldkaart en van een model van de sterrenhemel werden aan hem toegeschreven. Hij stierf rond 546 v.Chr. De archè was volgens hem het Oneindige (apeiron), een onbepaalde substantie waar de elementen aarde-water-vuur-lucht uit voortkwamen onder invloed van de principes warm en koud. De aarde rustte volgens hem nergens op, zoals een zee, maar hing in de lucht.

Anaximenes, actief rond de periode 546-526 v.Chr., was een jongere tijdgenoot van Anaximander. Hij schreef in eenvoudig proza, waarin hij voortbouwde op de ideeën van Anaximander. Zijn archè was eveneens het Oneindige, maar dan in de vorm van het element lucht. Door de principes verdunning en verdichting zou alles daaruit worden gevormd.

De tetractys was een heilig diagram van de pythagoreeërs. Van boven naar beneden: 1 + 2 + 3 + 4 punten = 10, het veronderstelde perfecte getal. De getallenleer wordt hier gecombineerd met geometrie. Met die combinatie speculeerden zij over de wording van de kosmos: 1 is een punt, 2 een lijn, 3 het kleinst mogelijke vlak, 4 het kleinst mogelijke lichaam.

Pythagoras werd circa 570 v.Chr. geboren op Samos en stierf circa 490 v.Chr. Rond 530 migreerde hij naar Croton. Daar vormde hij een religieus-filosofischse sekte van pythagoreeërs en hield hij zich actief bezig met politiek. Hij stond bekend als een veelweter, schreef allerlei regels voor lichamelijke en geestelijke reinheid voor, en geloofde in reïncarnatie (metempsychosis). Er deden wonderbaarlijke verhalen over hem de ronde, en hij zou veel hebben gereisd naar onder andere Egypte en Mesopotamië. Zijn filosofie draaide rondom het leiden van een zuiver leven, getallen(symboliek), muziekleer en geometrie. Daarvan stelde hij niets op schrift. Familieleden en generaties van volgelingen binnen en buiten de sekte lieten soms wel geschriften na, zoals Petron van Himera, Ion van Chios en Philolaus.

Alcmaeon, halverwege de 5e eeuw v.Chr. actief, was beïnvloed door de pythagoreeërs en geloofde eveneens in reïncarnatie. Hij was arts en speculeerde over de werking van de zintuigen. Het was zijn overtuiging dat alles in tegenstellingen kon worden opgedeeld, zoals warm-koud, licht-donker, droog-nat.

Xenophanes werd in Colophon, Ionië, geboren rond 570 v.Chr. Vanaf de Perzische invasie in 545 v.Chr. reisde hij rond, onder andere naar Zuid-Italiaanse steden. Zo leerde hij de pythagoreeërs kennen. Hij schreef dichtwerken over kosmologie, theologie en epistemologie. Hij verwierp het traditionele godsbeeld en pleitte voor cultureel relativisme en scepticisme. Hij ging uit van één abstracte god, die goed, almachtig en alwetend was. Mogelijk beschouwde hij het element aarde als de archè. Hij was van invloed op de ontwikkeling van Parmenides' denken.

Heraclitus was een aristocraat die leefde van 540 tot ongeveer 480/470 v.Chr. in Efeze, Ionië. Vermoedelijk was hij een oudere tijdgenoot van Parmenides, die op zijn filosofie reageerde. Hij schreef één werk in spreukachtige stijl, dat hij in de tempel van Artemis in bewaring gaf. Daarin verwierp hij het traditionele godsbeeld, de geldende normen en andere filosofieën. Hij beschouwde de wereld als eeuwig en ongeschapen, stelde dat alle tegengestelden zoals dag en nacht uiteindelijk één onlosmakelijk geheel waren en dat alles wat bestaat continu verandert. Die verandering ontstaat door inwerking van het element vuur volgens een natuurwet, logos. Cratylus was een volgeling van Heraclitus.

Parmenides was een edelman in het Zuid-Italiaanse Elea die werd geboren rond 515 v.Chr. en stierf rond 449/440 v.Chr. Hij werkte als wetgever voor de stad en was de grondlegger van de Eleatische filosofie, die hij vervatte in het dichtwerk Over de natuur. Daarin schreef hij over allerlei onderwerpen, zoals biologie en astronomie, en beweerde hij als eerste dat de aarde een bol was. Zijn opvatting was dat de werkelijkheid één, onveranderlijk geheel is van het bestaande, zonder wording en leegte (het niet-bestaande), want alleen als iets onveranderlijk was en altijd bestond, kon het onderzocht en gekend worden. Met zijn ideeën over kenbaarheid vormde Parmenides veroorzaakte hij een kentering in de filosofie.

Zeno werd rond 490 v.Chr. geboren in Elea, waar hij in de leer ging bij Parmenides. Volgens Plato reisde hij samen met zijn leermeester naar Athene. Zijn filosofie was bekend bij Democritus en Anaxagoras, maar vormde geen systeem. Vermoedelijk schreef hij maar één werk, waarin hij Parmenides' leer verdedigde met Zeno's paradoxen, die moesten bewijzen dat bijvoorbeeld beweging onmogelijk is.

Melissus werd geboren op Samos in de 5e eeuw v.Chr. Hij was een politicus en admiraal. Hij hing de Eleatische filosofie aan en schreef Over de natuur of over dat wat is. Daarin stelde hij dat de kosmos niet eindig, maar oneindig moest zijn. Tevens ging hij ervan uit dat de werkelijkheid niet was wat ze leek, omdat zintuiglijke indrukken bedrog waren.

Empedocles ontwikkelde de elementenleer met de vier elementen vuur, aarde, water en lucht. Daaruit zou de kosmos zijn opgebouwd; geboorte en dood bestaan in zoverre, dat combinaties van elementen ontstaan en weer oplossen. Empedocles baseerde zich op elementaire transformatie en de inwerking op materie door principes als verdichting en verdunning zoals beschreven door zijn voorgangers. De elementenleer zou tot in de vroegmoderne tijd van invloed zijn in de geneeskunde en alchemie.

Empedocles leefde van circa 492 tot 432 v.Chr. Hij werd geboren in Acragas op Sicilië en behoorde tot de bovenlaag van de bevolking. Hij bemoeide zich met de politiek en werd een prominent figuur aan wie men wonderwerken toeschreef. Over zijn dood bestaan diverse anekdotes. Vermoedelijk was hij een redenaar, geneesheer, en leermeester van Gorgias van Leontini. Naast literatuur schreef hij een filosofische geschrift, Zuiveringen of Over de natuur, in verzen. In zijn denken werd hij beïnvloed door zowel de Eleaten als de pythagoreeërs. Zo geloofde hij in reïncarnatie, maar meende hij dat de zintuigen wel de bron van juiste kennis vormden. Hij ontwikkelde de theorie van de vier elementen (aarde-water-vuur-lucht) die de kosmos vorm gaven onder invloed van de principes haat (scheiding, splitsing) en liefde (aantrekking, fusie).

Philolaus werd geboren in het Zuid-Italiaanse Croton of Tarentum rond 470 v.Chr. Het oudste overgeleverde pythagoreïsche tekstmateriaal is van hem. Volgens Plato zou hij onder andere hebben lesgegeven in Thebe, en Archytas was zijn leerling. De natuur zou zijn opgebouwd uit het Beperkte (massa's) en Onbeperkte (vormen). Hij beweerde onder andere dat de zon en de planeten draaiden rondom een centrale haard en dat er een tegenaarde (antichthon) bestond. Van veel overgeleverde fragmenten is onduidelijk of ze authentiek zijn.

Anaxagoras werd rond 500 v.Chr. geboren in Clazomenae, Ionië, en stierf in 428 v.Chr. Hij was de eerste filosoof die verhuisde naar Athene. Daar woonde hij twintig jaar, tot zijn vervolging voor goddeloosheid, waarna hij naar Lampsacus trok. Hij schreef de Fysica, een eclectisch, kosmologisch werk waarin hij alle eerdere archès verwierp, omdat hij net als de Eleaten aannam dat niets kon ontstaan en vergaan. Beweging was echter wel mogelijk, en de zintuigen waren de bron van alle kennis. Volgens hem was de Nous ('geest') het bezielende en ordenende principe in de kosmos.

Archelaüs leefde in de 5e eeuw v.Chr. en stond bekend als de eerste filosoof die ethiek uitvoerig behandelde. Hij ging ervan uit dat morele kwaliteiten niet natuurlijk maar conventioneel waren.

Leucippus werd in de 5e eeuw v.Chr. geboren in Milete of Abdera, en was de eerste die beweerde dat alles bestond uit atomen. Over hem is niets met zekerheid bekend. Hij zou de leerling van Zeno zijn geweest. Twee werken werden aan hem toegeschreven, Het grote wereldsysteem en Over de geest.

Democritus werd in het Thracische Abdera geboren rond 460 v.Chr. Zijn sterfdatum is onbekend. Hij reisde veel, was een leerling van Leucippus, en kende mogelijk Anaxagoras' filosofie. Samen met Leucippus was hij de grondlegger van het atomisme, waarmee ze reageerden op de Eleaten. De kosmos bestond uit leegte (het niet-bestaande) en lichamen (atomen, het bestaande) in een oneindige ruimte. Die lichamen zijn eeuwig en kunnen bewegen. Democritus schreef minstens zestig werken, die gingen over ethiek, natuurfilosofie, wiskunde, muziek, poëzie en technische thema's.

Diogenes werd rond 460 v.Chr. geboren in Apollonia aan de Zwarte Zee. Wanneer hij overleed is onbekend. Hij verbleef enige tijd in Athene en schreef één werk, dat eclectisch was. Hij schreef over de menselijke fysiologie en cognitie, maar ook over een kosmologie waarin hij de Milesische notie van een archè combineerde met de Nous van Anaxagoras. Die Nous structureerde het heelal. Volgens Diogenes was lucht de grondsubstantie van de kosmos, waaruit alles werd gevormd door de principes van verdunning en verdichting.

Indeling[bewerken]

Grafische, chronologische weergave van presocraten en hun beïnvloeding. Rode pijlen geven tegenstellingen aan.

Grieken hadden de neiging om ideeën en zaken toe te schrijven aan een bepaalde uitvinder, en om te spreken van chronologisch opeenvolgende scholen. In werkelijkheid werden concepten stapsgewijs ontwikkeld, waren scholen niet welomschreven, betekent beïnvloeding geen langdurige leerling-meesterrelatie binnen een school, en namen filosofen soms wel en soms niet ideeën van voorgangers over. Een indeling in scholen verduistert die nuances.

Toch bestaan in de vakliteratuur verschillende indelingen voor presocraten. Een eenvoudige is: Ionische filosofen, pythagoreeërs, Eleaten, atomisten.[6] Een andere is Ionisch, Italiaans en post-parmenidisch.[7] Een derde is meer chronologisch, met een eerste fase waarin wordt gespeculeerd over kosmologie en de archè, een tweede fase waarin Parmenides de filosofie een metafysische wending geeft en kritisch is over de mogelijkheid om zekere kennis van de wereld te krijgen, en tot slot een derde fase, waarin filosofen reageren op Parmenides' kritiek en eclectische filosofieën ontstaan.[8]

Daarnaast kende men in de klassieke oudheid de Zeven Wijzen, die bekend waren door hun praktische inzichten: Solon (ca. 594 v.Chr.), Chilon van Sparta (ca. 560 v.Chr.), Thales, Bias van Priene (ca. 570 v.Chr.), Cleobulus van Rhodos (ca. 600 v.Chr.), Pittacus van Mitylene (ca. 600 v.Chr.), Periander (625 - 585 v.Chr.), Aristeas van Proconessus (7e eeuw v.Chr.). Tot slot zijn er andere personen die als wijzen doorgingen en als voorlopers van de presocraten kunnen worden gezien: Pherecydes van Syros (ca. 540 v.Chr.), Anacharsis (ca. 590 v.Chr.), Theano (5e eeuw v.Chr.), Theagenes van Rhegium, Acusilaus, Cleostratus van Tenedos en Epimenides. Van veel anderen is weinig meer bekend dan alleen de naam.

Ontstaan en verbreiding[bewerken]

Ionië, een regio in westelijk Anatolië dat gekoloniseerd was door Grieken. Hier ontstond de vroegste filosofie.
Kaart van de Griekse wereld met de plaatsen waar presocraten actief waren in rood.

De presocraten kwamen niet uit Griekenland, maar uit de kolonies, met name de steden in Ionië (West-Turkije) en Magna Graecia (Zuid-Italië). Milete was een welvarende handelsstad waar men een goede levensstandaard kende dankzij menselijk vernuft en handelen, wat suggereerde dat men niet hoefde te vrezen voor de grillen van goden in een chaotische wereld, zodat een grotere waardering ontstond voor de rol van de mens in de wereld. Deze seculiere houding werd de grondslag voor filosofisch denken. Bovendien kenden de Griekse stadstaten geen theocratie maar een hoge mate van vrijheid van denken. Bovendien bracht de welvaart met zich mee dat diverse mensen niet hoefden te werken en dus gelegenheid hadden voor contemplatie zonder praktisch doel.[9] Aristoteles schreef bijvoorbeeld:

'Het was door het voorzien in de hoofdbenodigdheden van niet alleen het leven maar ook een goed leven, dat de zoektocht naar deze intellectuele voldoening begon.'[p 3]

Milete en andere Ionische steden stonden in betrekkelijk nauw contact met niet-Griekse culturen zoals Lydië, Perzië, Egypte en Fenicië. Naast import van goederen bestond ook import van ideeën. Zo was de Babylonische astronomie bekend in de kustgebieden van Anatolië en heeft die de Grieken tot onderzoek aangezet. Zo zou Thales een zonsverduistering van 585 v.Chr. hebben voorspeld.[10] Het is tevens mogelijk dat zijn theorie dat alles ontstond in en rustte op (oer)water terugging op oosterse tradities.[11] Zowel hij als andere presocraten zijn vermoedelijk beïnvloed door Midden-Oosterse kosmogonieën.[12]

Dat in de 5e eeuw v.Chr. Athene en Magna Graecia belangrijker werden voor de ontwikkeling van de filosofie, kan worden verklaard door de verovering van Ionië door de Perzen en de mislukte opstand van onder andere Milete in 499 v.Chr., en door de groeiende dominantie van de stadstaat Athene. Van Xenophanes werd bijvoorbeeld beweerd dat hij Colophon verruilde voor Sicilië en Italië, waar hij mogelijk Parmenides beïnvloedde.[13]

Presocraten waren van elkaars activiteiten op de hoogte, omdat tussen de kolonies bestond veel contact, zodat ideeën zich konden verbreiden, en omdat sommigen reisden. Xenophanes en Empedocles vermeldden dat zelf, Parmenides, Zeno en Anaxagoras bezochten Athene volgens Plato, en Pythagoras migreerde volgens de overlevering van Samos naar Croton. In de bronnen is echter weinig bewijs voor daadwerkelijke ontmoetingen. Toch zijn die soms aannemelijk, bijvoorbeeld om te verklaren waarom Melissus van Samos erg goed op de hoogte was van Parmenides' filosofie.[14]

De verbreiding van denkbeelden gebeurde schriftelijk en mondeling door reiscontacten en voordrachten. In Plato's Phaedo[p 4] staat dat Socrates op straat iemand hoorde voorlezen uit 'een boek' (enkelvoud, ek bibliou) van Anaxagoras. Hij raakte geïnteresseerd en schafte 'de boeken' (meervoud, biblious) aan. Op dat moment was Anaxagoras na een langdurig verblijf niet meer in Athene. Kennelijk had hij daar een volgeling die kopieën van zijn boekrollen verkocht door een samenvatting voor te lezen als reclame. In de Apologie[p 5] merkt Socrates aan het eind van zijn leven op dat op de markt nog steeds boekrollen van Anaxagoras te koop zijn voor een drachme (destijds het dagloon van een ambachtsman). In de Parmenides[p 6] staat tot slot beschreven hoe Parmenides en zijn leerling Zeno in Athene aankomen tijdens de Panathenaeën, een festival met onder meer diverse competities en literaire voordrachten. Zeno draagt er zijn boek voor, waarna een discussie met Socrates volgt. Voordrachten vonden meer plaats, zoals door Xenophanes.[p 7] Het doel daarvan was om de reputatie van een auteur te vergroten en om geld te verdienen door klanten te lokken voor bijvoorbeeld onderwijs, privévoordrachten en het vervaardigen van teksten.[15]

Protowetenschappers[bewerken]

Presocraten onderscheidden zich onder andere door afstand te doen van traditionele verklaringen voor de wereld, maar religieuze en mythologische opvattingen werkten door in hun ideeën. Enkelen stonden ook bekend als magiërs, zoals Empedocles, die zich tevens mythologisch uitdrukte.

Presocraten noemden zichzelf geen filosofen, en in hun tijd werd ook geen goed onderscheid gemaakt tussen religie, filosofie en wetenschap. Hun attitude en benaderingswijze maakten van de presocraten geen wetenschappers in moderne zin, want ze verkozen niet-verifieerbare en speculatieve theorie boven observatie en experiment, maar ze gelden wel als protowetenschappers.

Religie[bewerken]

Een criterium om de presocraten als de eerste filosofen te beschouwen, is omdat zij afstand namen van religie, mythische voorstellingen en goden als verklaringen voor natuurverschijnselen. Wijzen zoals Hesiodus en Pherecydes van Syros zijn voorgangers van de filosofen. Afgezien van de atomisten waren veel presocraten theïstisch. Parmenides en Empedocles (maar ook Plato nog) wezen mythologie niet af, en theologie maakte deel uit van het denken van Xenophanes en Heraclitus. Onder meer Empedocles en Pythagoras hadden een hang naar mystiek,[16] en hun denken vertoont beïnvloeding van het orfisme, een mysteriecultus.

Religie stond niet los van wetenschap, want presocraten beschouwden natuurkrachten en -elementen nog als goddelijk. Dat had niettemin als doel de natuurlijke orde te verklaren als harmonisch geheel, terwijl de traditionele goden juist verstoringen daarvan verklaarden.[17] Een algemeen principe dat de natuur moest verklaren gold als ultieme verklaring en moest goddelijk zijn omdat het zelf geen oorzaak kende. Anaximander noemde zijn Oneindige bijvoorbeeld niet het eerste principe van de kosmos omdat het goddelijk zou zijn, maar noemde het Oneindige goddelijk omdat het het eerste principe is.[p 8] Presocraten filosofeerden dus over de goden, het goddelijke en de natuur vanuit theïstisch perspectief. Die houding tegenover natuur en goden verklaart zowel vroom taalgebruik bij presocraten als hun kritiek op traditionele opvattingen over de goden, zoals Xenophanes' standpunt dat de mythisch godsvoorstellingen onvoldoende passend waren voor het goddelijke.[18]

Categorisering[bewerken]

Het onderscheid tussen filosofie en wetenschap bestond in de 6e en 5e eeuw v.Chr. nog niet.[19] Presocraten noemden zichzelf geen filosofen of wetenschappers[20] en onderscheidden zichzelf vermoedelijk niet duidelijk van hun voorgangers.[21] De begrippen filosofie (filosofia) en filosoof (filosofos) waren nog in ontwikkeling. Sofia had in Thales' tijd praktische connotaties: 'slimheid' en 'vakkundigheid'. Vanaf het eind van de 5e eeuw v.Chr. werd het woord de aanduiding voor expertise in vroegwetenschappelijke kennis over hoe de wereld en de mens werkten.[22] De presocraten werden later door bijvoorbeeld Aristoteles beschouwd als fysici (fysikoi). Fysica was de studie van de natuurlijke dingen, en omdat daar bij de presocraten de focus op lag, noemde Aristoteles hun werk fysiologia.[23]

Vernieuwing[bewerken]

Presocratische filosofie was niet uniform. De verbindende factor was de behoefte om alles te verklaren en te systematiseren. Hesiodus had dit gedaan in mythische en genealogische termen, maar wat presocraten (en sofisten) van hem onderscheidde was dat ze een theorie over alles wilden maken die verklarend, systematisch, coherent, beargumenteerd, educatief, kritisch, onconventioneel en daarmee vernieuwend was en aanleiding gaf tot discussie.[24] Een voorbeeld van een presocratische redenering is onderstaand fragment van Melissus:

'Als het is, dan moet het een zijn; en als het een is, kan het geen lichaam hebben. Als het massa zou hebben, dan zou het delen hebben en niet langer een zijn.'[p 9]

Ze namen aan dat de wereld te begrijpen valt met het verstand, en daarom analyseerden ze problemen. Ze stelden bijvoorbeeld de vraag waarom vuur het huis verwarmde, zand in glas deed veranderen, ijzer deed smelten maar baksteen juist hard maakte. Hun benadering was reductionistisch, generaliserend en holistisch, omdat ze zo veel mogelijk met zo min mogelijk wilden verklaren. Daarvoor definieerden ze bijvoorbeeld een oersubstantie (de archè) als basis voor de kosmos en zijn werking.[25]

Voor hun overdenkingen ontwikkelden ze nieuwe, abstracte concepten. Een eerste voorbeeld is archè, 'begin/oorsprong'. Dit betekende vervolgens 'beginsel', en kon gebruikt worden om er 'principes' in de natuur mee aan te duiden, 'heersende beginselen'. Een tweede voorbeeld is kosmos. Dit betekende oorspronkelijk 'orde' en 'sieraad', van het werkwoord voor 'ordenen/regelen/indelen/gereedmaken'. Kosmos was vooral mooie en goede ordening. In dagelijks taalgebruik was het niet nodig om naar het geheel der dingen te verwijzen, maar presocraten gingen dat wel doen. Kosmos kreeg daarom de betekenis van 'mooi en geordend geheel/universum'. Een derde voorbeeld is fysis. Aanvankelijk betekende dit 'natuurlijke groei', 'het verwekte', 'natuurlijke ontwikkeling'. Vandaar kreeg het de betekenis 'aard/aanleg/natuur' en vandaar 'begrip/betekenis', maar ook 'het geheel van de natuurlijke dingen', tegenover de door mensen gemaakte dingen. Presocraten onderzochten de natuur en de aard van de dingen.[26]

Werken[bewerken]

Pythagoras schrijvend in een boek. In werkelijkheid liet hij waarschijnlijk geen geschriften na, wat ook geldt voor andere filosofen uit de oudheid. Detail uit De school van Athene door Raphaël, Vaticaan, 1509.
Dichters zoals Homerus genoten veel aanzien en beïnvloedden (onrechtstreeks) de schrijfstijl van een aantal presocraten.

Pythagoras en Thales lieten waarschijnlijk geen geschriften na, maar anderen wel in geringe mate. Alleen Democritus was een veelschrijver. Door hun natuurfilosofische insteek kregen die geschriften vaak de titel Over de natuur (Peri fyseōs). Niet één geschrift is echter intact overgeleverd. Van sommige auteurs is niets bewaard gebleven, en van Anaximander slechts één citaat. Daardoor bestaat discussie over de mate waarop men het denken van presocraten kan reconstrueren. De overgeleverde fragmenten zijn verhoudingsgewijs meer, als men aanneemt dat de geschriften oorspronkelijk bondig waren, wat de samenvattende en leerstellige indruk verklaart van veel fragmenten. Beknoptheid van de teksten is aannemelijk, omdat ze bedoeld waren om voor te lezen. Ter plaatse konden leerstellingen dan verder besproken worden.[27]

Het prozawerk zou zijn uitgevonden door Anaximander of Pherecydes van Syros. Het kwam in de 6e eeuw v.Chr. op in Ionië en werd gebruikt voor praktische verhandelingen en onderzoeksverslagen. Veel presocraten schreven in proza, maar toch hanteerde Heraclitus een spreukachtige, dichterlijke prozastijl, terwijl Xenophon, Parmenides en Empedocles schreven in verzen, met name dactylische hexameters. Soms gebruikten ze homerische formules.[p 10] Anaximander en Anaximenes schreven wel in proza, maar gebruikten toch poëtische bewoordingen en beeldspraak. Het gebruik van zulke beelden is ontleend aan Homerus en maakte de tekst levendig en concreet.[28] Bijvoorbeeld:

'Hij [Anaximander] zegt dat [...] er een soort vuurbol uit werd gevormd rond de lucht die de aarde omringt, zoals schors rond een boom.'

Nog in Plato's tijd werd geen duidelijk onderscheid gemaakt tussen filosofen en dichters, die van oudsher golden als wijzen of leermeesters. De werken van barden als Hesiodus en Homerus (geschreven in dactylische hexameters) waren bijvoorbeeld een bron voor gedragsnormen, taalgebruik en praktische kennis. Presocraten verwierpen die traditie slechts ten dele. Van de oude dichtwerken verwierpen Xenophanes en Heraclitus wel de inhoud, maar niet de esthetische en retorische vorm. Door poëzie te gebruiken en zich daarover uit te spreken, konden de filosofen tegelijk de traditie handhaven en bekritiseren, terwijl ze qua vorm aansloten bij wat het publiek gewend was. Dat was een voordeel bij voordrachten. Bij barden veronderstelde men goddelijke inspiratie, en omdat zij schreven in verzen, konden filosofen eveneens een beroep doen op een waarheidsclaim door in verzen te schrijven. Die claim maakten Parmenides en Empedocles expliciet. Tot slot waren verzen makkelijker te onthouden en moeilijker aan te passen door derden. Pas vanaf Plato werden dichters, mythologie en theologie tegenover filosofen en proza geplaatst.

Overlevering[bewerken]

Soms is niet meer tekst van een auteur overgeleverd dan papyrussnippers. De afbeelding laat een stuk zien van de Dervenipapyrus met een fragment van Heraclitus (col. iv, 10-13).

De presocratische teksten zijn slechts bekend in de vorm van fragmenten en testimonia (getuigenissen) bij latere auteurs, die variëren van Plato in de 4e eeuw v.Chr. tot neoplatonisten zoals Simplicius in de 6e eeuw n.Chr., die voor veel fragmenten de enige bron is. Simplicius vermeldde dat in zijn tijd exemplaren van Parmenides' dichtwerk zeldzaam waren geworden.[p 11] Teksten van Melissus, Zeno, Anaxagoras en Diogenes van Apollonia waren nog wel beschikbaar, maar die van Anaximander, Heraclitus en de atomisten waren al verloren gegaan. Diverse latere auteurs werkten dan ook niet met de oorspronkelijke tekst, maar met bloemlezingen, samenvattingen en doxografieën.[29]

De eerste testimonia staan in het werk van Euripides en Aristophanes. De sofisten Hippias en Gorgias maakten een overzicht van presocratische opvattingen om die vervolgens te weerleggen, en vermoedelijk baseerden Plato en Aristoteles, belangrijke bronnen van testimonia, zich op dit werk voor hun informatie over presocratische filosofie.[30] Plato gaf vaak een eenzijdig of overdreven beeld van Parmenides, Cratylus, Hippias, Protagoras, Gorgias, Heraclitus, Zeno, Empedocles en Anaxagoras. Aristoteles behandelde de presocratische filosofie uitvoeriger en gedetailleerder. Hij gaf bijvoorbeeld een overzicht van opvattingen aan het begin van de Metafysica. Plato en Aristoteles waren selectief in hun behandeling van presocratische denkbeelden en oordeelden er doorgaans negatief over. Ze streefden geen objectiviteit na. Dat gold ook voor Aristoteles' leerling Theophrastus,[31] die als eerste een geschiedenis van de filosofie schreef in de vorm van een doxografie (overzicht van opvattingen), waarvan fragmenten zijn overgeleverd.[32]

Theophrastus' verloren gegane overzichtswerk vormde de basis voor latere boeken waarin meningen (doxai of placita) werden samengevat. Het diende als voorbeeld voor het werk van Diogenes Laërtius, de bron voor veel fragmenten, testimonia en biografische anekdoten. Doxografieën geven door selectiviteit en herinterpretaties echter een gekleurd beeld[33] en bevatten doorgaans alleen de stellingen van filosofen, niet de achterliggende argumentatie.[34] Ze werden niet alleen geschreven voor filosofen, maar ook voor geïnteresseerde leken.[35] De selecties en interpretaties van oude doctrines werden bovendien mettertijd aangepast naargelang de belangstellingen en voorkeuren in een bepaalde periode.[36]

Incidenteel zijn er (Byzantijnse) middeleeuwse bronnen, zoals Johannes Tzetzes en de Suda, en van Empedocles' Zuiveringen bestonden in de 12e eeuw nog kopieën in Constantinopel.[37] In het middeleeuwse West-Europa waren veel Griekse teksten uit de oudheid echter geheel onbeschikbaar. Pas in de vroegmoderne tijd werden veel teksten herontdekt, zorgvuldig uitgegeven en bestudeerd. Edities verschenen van Aristoteles' oeuvre (1495-1498), Plato's oeuvre (1513) en het boek van Diogenes Laërtius (1533). De presocraten bleven echter onderbelicht door de grote autoriteit die Plato en Aristoteles genoten.[38]

Invloed[bewerken]

De presocratische filosofen legden de basis voor de verdere ontwikkeling van de westerse filosofie. Ze introduceerden onderwerpen en begrippen zoals zijn en worden, sensibel en intelligibel, analytisch en synthetisch, tijd en eeuwigheid, materialisme en idealisme, mechanisme en teleologie. Die onderwerpen werden door latere filosofen uitgewerkt.[39]

Enkele visies van de presocraten werden gangbaar binnen de antieke filosofie. Ten eerste de opvatting dat de wereld een logisch geheel is dat onderzocht en begrepen kon worden met het verstand. Ten tweede de parmenidische aanname dat de werkelijkheid niet zomaar kan worden gereduceerd tot wat men dagelijks ervaart en waarneemt. Ten derde Empedocles' theorie van de vier elementen als bouwstenen voor de natuur. Die theorie werd belangrijk binnen de geneeskunde en alchemie tot in de vroegmoderne tijd. De presocratische vraag of de natuur werd aangestuurd door geest en rede of slechts door mechanische processen plaatste later de platonisten, peripatetici en stoïcijnen tegenover de epicureeërs. Verdere discussies over de opbouw van de ziel en zintuiglijke waarneming werden ook door de presocraten beïnvloed.[40]

In de klassieke periode (ca. 500 - 300 v.Chr.) waren toneelschrijvers als Euripides en Arstophanes en geschiedschrijvers als Herodotus en Thucydides bekend met presocratische noties. Inhoudelijk en stilistisch vertonen de hippocratische geschriften invloeden van onder meer Heraclitus en Empedocles. Vooral Plato reageerde expliciet op zijn voorgangers door veel denkbeelden te verwerpen maar sommige over te nemen van Parmenides, Heraclitus, Empedocles en het pythagorisme (bijvoorbeeld in de Philebus, Phaedo en Timaeus). De presocratische natuurfilosofie werd tevens gebruikt voor exegetische doeleinden in de Dervenipapyrus, een orfische tekst.

In de hellenistische tijd (300 - 30 v.Chr.) baseerden de vroege stoïcijnen Zeno van Citium en Cleanthes zich op Heraclitus voor hun fysica en theologie, en baseerden de epicureeërs zich op het atomisme. Binnen het pyrrhonische scepticisme werden Xenophanes, Protagoras en Democritus als voorgangers gezien. Het pythagorisme zag een wederopleving (neopythagorisme), dat het middenplatonisme, neoplatonisme en de westerse esoterie beïnvloedde. Presocratische geschriften werden gelezen tot in de Romeinse keizertijd, maar werden schaars in de late oudheid. In de middeleeuwen was er weinig belangstelling voor.

Ook in de vroegmoderne tijd bleef hun invloed klein. Pas vanaf de 18e eeuw worden presocratische denkbeelden actief bestudeerd en gebruikt door filosofen zoals G.W.F. Hegel, F. Nietzsche, K. Popper en M. Heidegger, maar ook door schrijvers zoals J.W. von Goethe en H. Mulisch.

Ontwikkeling van het onderzoek[bewerken]

Titelblad van een exemplaar van Diogenes Laërtius' Leven en leer van beroemde filosofen uit 1594. Dankzij dit werk is betrekkelijk veel informatie van en over Griekse filosofen bewaard gebleven.

Modern onderzoek naar de presocraten en hun filosofie heeft twee doelstellingen: 1) het reconstrueren van de historische, sociale, taalkundige en intellectuele context in het werk van de filosofen, en 2) het reconstrueren van hun theorieën uit de diverse fragmenten en testimonia zodat ze filosofisch steekhoudend zijn. Eerstgenoemde is van oudsher het domein van de classicus, laatstgenoemde dat van de filosoof. Tegenwoordig zijn specialisten vaak in beide disciplines thuis.[41]

19e eeuw[bewerken]

Kritische filosofiegeschiedenissen verschenen in de 18e eeuw, maar pas in de 19e eeuw nam de aandacht voor nauwkeurige studie van de filosofiegeschiedenis toe. In Duitsland besteedde Hegel er aandacht aan voor zijn eigen filosofie, en kwam de oudheidkunde als wetenschap op met als doel een beter begrip te krijgen van de klassieke oudheid. Nieuwe en verrijkte edities verschenen voor Aristoteles en Plato, en dientengevolge ook van presocraten. In Die Philosophie der Griechen (1844-1852) beschreef Eduard Zeller nauwkeurig de filosofiegeschiedenis met de opdeling van presocratisch, klassiek en hellenistisch die nog steeds gangbaar is, en onderscheidde hij de Ionische school, pythagoreïsche school, Eleatische school en een restcategorie.[42]

Belangrijk voor het onderzoek was de publicatie van Doxographi Graeci in 1879 door Hermann Diels, omdat de doxografie nu als waardevolle informatiebron werd gezien. De eerste volledige editie van de presocratische fragmenten (zonder testimonia) volgde in 1883 onder redactie van F.W.H. Mullach, Fragmenta philosophorum Graecorum. Als reactie op de filosofie van Hegel en zijn navolgers verscheen in 1887 de Pour l'Histoire de la Science Hellène van P. Tannery met fragmenten en testimonia van de presocraten. Tannery verschoof de focus naar de wetenschapshistorische aspecten, maar verkondigde controversiële interpretaties en theorieën. In 1892 publiceerde John Burnet Early Greek Philosophy, een van de vroegste werken waarin de fragmenten waren vertaald in de volkstaal (hier het Engels), met begeleidend commentaar op de presocratische theorieën. Het handboek werd een standaardwerk tot halverwege de twintigste eeuw.[43]

20e eeuw[bewerken]

In de 20e eeuw werden onderzoekers het erover eens dat Parmenides een breekpunt in de presocratische filosofie vormde, met kritieken waar latere filosofen rekening mee hielden.
Straatsburger papyrus met fragmenten van Empedocles' werk ( I 262–300). De identificatie ervan gebeurde pas in de jaren negentig. P. Strasb. gr. Inv. 1665−1666.

In de 20e eeuw ontstaan nieuwe benaderingswijzen, zowel geschiedkundig als filosofisch, en wordt het tekstmateriaal meer kritisch geanalyseerd.

Hermann Diels zorgde voor een tweede stap voorwaarts door in 1903 de driedelige Die Fragmente der Vorsokratiker uit te geven. Daarin verzamelde hij alle bekende testimonia (A-teksten) en fragmenten (B-teksten) van elke presocraat afzonderlijk met vertalingen in het Duits. Het materiaal was per filosoof geordend volgens biografie, geschrift en filosofie. Die Fragmente der Vorsokratiker was de eerste uitgave waarin al het presocratische materiaal was verzameld, en werd het standaardwerk binnen het onderzoek.

De receptie van presocratische filosofie is beïnvloed door Aristoteles en zijn volgelingen, maar tot het begin van de 20e eeuw hield men daar weinig rekening mee door oudere interpretaties over te nemen. Dat veranderde dankzij W.A. Heidels Qualitative Change in Presocratic Philosophy in 1903, en H. Cherniss' boek Aristotle's Criticism of Presocratic Philosophy in 1935. Volgens Aristoteles waren de filosofen van de Milesische school bijvoorbeeld monisten: ze kenden één grondsubstantie voor de wereld, zoals aarde of water. Die stof kon volgens hen wel veranderen in een andere, zoals vuur of lucht, maar dit was geen wezenlijke transformatie. Alleen eigenschappen veranderden. Dat was volgens Heidel anachronistisch, want de presocraten kenden niet het onderscheid tussen substantie en eigenschappen daarvan ('kwaliteiten' in Aristoteles' terminologie). Voortvloeiend uit deze kritische houding kwam in 1960 C.H. Kahns nieuwe reconstructie van Anaximanders filosofie in Anaximander and the Origins of Greek Cosmology.[44] Hellenistische bronnen behandelen Griekse filosofie vooral in termen van opeenvolging en scholen, waarvan de algemeen gangbare visies worden medegedeeld. Als gevolg hiervan beschouwden onderzoekers Parmenides niet als zelfstandig denker en breekpunt in de traditie. Dat veranderde in de 20e eeuw. In de jaren dertig bleek dat Parmenides' kritiek op voorgaande kosmologieën de verdere presocratische discussies beïnvloedde.[45]

In de eerste helft van de 20e eeuw werd gediscussieerd over de mate waarin presocraten wetenschappelijk dan wel religieus waren in hun denken. Er ontstond ook meer aandacht voor de pythagoreïsche school. Walter Burkert toonde in Lore and Science in Ancient Pythagoreanism uit 1972 aan dat er wellicht nooit een concrete school met een filosofisch programma heeft bestaan tussen 600 en 400 v.Chr., en dat Pythagoras meer een religieus leider dan een filosoof was. Daarnaast beschouwde hij Philolaus wel als historisch persoon die een pythagoreïsche bron vormde voor Plato en Aristoteles, wat daarvoor omstreden was.[46]

Er kwamen nieuwe filosofische benaderingswijzen. Het hegeliaanse idealisme werd in het Verenigd Koninkrijk verdrongen door de analytische filosofie, met weinig aandacht voor historische context, en op het continent door de fenomenologie. De fenomenoloog M. Heidegger vond dat de presocraten aan dezelfde metafysische problemen werkten als de moderne filosofie, en besteedde een reeks lezingen aan hen. Daarmee vergrootte hij de aandacht voor het onderzoek naar presocratisch denken. Gregory Vlastos werd beïnvloed door de analytische filosofie en paste deze methode toe op het onderzoek naar presocratische filosofie. Daarvoor richtte hij een studieprogramma op voor klassieke studies dat in de VS navolging vond. De analytische methode was tevens geaccepteerd in het Engelse Cambridge, dat een centrum vormde voor presocratische studies. Van daaruit publiceerden onderzoekers G.S. Kirk en J.E. Raven in 1957 The Presocratic Philosophers, en W.K.C. Guthrie de zesdelige History of Greek Philosophy vanaf 1962, werken die anno 2017 nog steeds worden gebruikt. Sindsdien is de presocratische filosofie een gangbaar onderdeel geworden van de filosofie als vakgebied. Jonathan Barnes' The Presocratic Philosophers vormde in 1979 een soort benchmark.[47]

Er worden nog steeds nieuwe teksten ontdekt, zoals de Straatsburger papyrus met nieuwe fragmenten van Empedocles en de orfische Dervenipapyrus met presocratisch commentaar. Naast artikelen bestaan boeken over afzonderlijke presocraten, scholen en thema's zoals kosmologie. Sommige edities bevatten vooral fragmenten zonder veel commentaar, andere geven de fragmenten in de context waarin ze zijn overgeleverd, andere bevatten veel testimonia en filologisch commentaar. In het Nederlands zijn anno 2017 vertalingen beschikbaar van Democritus, Heraclitus, Parmenides, Zeno, Xenophanes en Empedocles, soms in meerdere edities.