Presocratische filosofie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Filosofie
Banner-philosophy.png
Geschiedenis van de filosofie
Westerse filosofie Presocratische filosofie
Antieke filosofie
Middeleeuwse filosofie
Renaissancefilosofie
Moderne filosofie
Hedendaagse filosofie
Oosterse filosofie Arabische filosofie
Boeddhisme
Chinese filosofie
Confucianisme
Hindoeïsme
Indische filosofie
Japanse filosofie
Taoïsme
Zoroastrisme
Religieuze filosofie Christelijke filosofie
Joodse filosofie
Islamitische filosofie
Categorie filosofie Boeken
Filosofen
Stromingen
Portaal  Portaalicoon  Filosofie

Presocratische filosofie is de algemene benaming voor de oud-Griekse wijsbegeerte in de periode van circa 600 tot 400 v.Chr., de tijd van de filosoof Socrates (469 - 399 v.Chr.). Presocratici dachten na over mathematica, kosmologie, kosmogonie en ethiek. Ze waren vooral natuurfilosofen en postuleerden bijvoorbeeld een hypothetische oermaterie waaruit de wereld zou zijn ontstaan, zoals water of vuur. Ze namen afstand van de traditionele mythologie en probeerden de natuur op een rationele en consequente manier te verklaren. De benaming duidt niet op één filosofische school, maar op het denken van verschillende scholen en onafhankelijke individuen.

Definitie[bewerken]

De begrippen presocratici/presocraten en presocratische filosofie kwamen in de oudheid niet voor maar zijn modern. Deze aanduidingen zijn gangbaar geworden dankzij Hermann Diels, die fragmenten en testimonia van alle presocraten editeerde en uitgaf als Die Fragmente der Vorsokratiker in 1903. De term verwees naar de Griekse filosofen die niet waren beïnvloed door Socrates. Er is echter een tendens in Engelstalige vakliteratuur om van 'early Greek philosophers' ('vroege Griekse filosofen') te spreken, omdat presocraat misleidend is:[1]

  1. Pre-socraat suggereert dat het om personen gaat die voor Socrates leefden. Dat was niet altijd het geval. Sommige presocraten overleefden Socrates zelfs, zoals Democritus.[2]
  2. Het begrip is te eng. De categorisering van (presocratische) filosofen is voor discussie vatbaar. Criteria voor de categorie van presocratische filosofie zijn het gebruiken van rationele argumentatie, analogieën, vergelijkingen, observatie en experiment. Enerzijds maakten niet alle presocratische filosofen er gebruik van, zeker niet vóór Parmenides. Anderzijds maakten anderen er juist wel gebruik van. Een volledig beeld van het vroege Griekse wijsgerige denken zou naast de gangbare presocraten ook kosmologen, onderwijzers in de retorica, theologen en dichters zoals Hesiodus, politici zoals Solon en in mindere mate geografen en artsen bevatten.
  3. Het begrip suggereert dat het om een duidelijk omschreven, uniforme groep gaat. Dat is niet het geval. Er waren onafhankelijke denkers en er bestonden scholen. Daarbij zijn de verschillen in opvattingen tussen presocraten en Socrates niet altijd even groot. Democritus' morele psychologie lijkt bijvoorbeeld op die van hem.[3]
  4. Het begrip als categorieaanduiding wekt de schijn dat Plato, de leerling van Socrates, niet reageerde en voort bouwde op het werk van presocraten. Dat is wel het geval, met name in zijn latere dialogen.[4]
  5. Filosofie houdt ook ethiek, logica en epistemologie in, maar bij de presocraten komen die takken weinig aan bod.

Latere klassieke auteurs hanteerden zelf categorieën zoals filosoof, historicus, politicus en arts. Ook maakten ze een globaal onderscheid tussen presocratische en postsocratische filosofie.[5] De eerste was Aristoteles (vierde eeuw v.Chr.), die stelde dat Socrates zich had afgewend van de natuur om zich te richten op de ethiek.[p 1] Soortgelijk is de stelling van Cicero, dat 'Socrates de wijsbegeerte van de hemel naar de aarde heeft gehaald'.[p 2][6] Die selectiviteit en perceptie op de Griekse intellectuele geschiedenis werkt door in de moderne behandeling daarvan.

Wat presocraten onderscheidde van hun voorgangers zoals theologen is niet zozeer het soort vragen dat zij stelden (zoals etiologische), maar vooral de antwoorden die zij bedachten. Daarbij verwezen ze namelijk niet naar traditionele, mythische opvattingen en werden de goden niet langer beschouwd als de veroorzakers van het natuurgebeuren. Ze zochten daarin naar een rationele, kenbare orde die vanuit de natuur zelf begrepen kon worden. Het menselijke intellect was de sleutel daartoe. De presocraten vormden hypothesen waarover ze discussieerden, en deden een beroep op het logisch overdenken en coherent maken van theorieën.[7] Hun benaderingswijze was dus kritisch en niet dogmatisch. Daarbij ontwikkelden ze kwalitatieve methoden en concepten om de fysieke wereld te bestuderen en te begrijpen, zoals analogie, balans en kosmos.

Bronnen[bewerken]

Een paar presocraten stelden niets op schrift, zoals Pythagoras. Wat andere presocraten publiceerden, was kort van lengte en weinig in aantal. Alleen Democritus was een veelschrijver. De teksten waren in verzen of proza. Niet één werk is echter compleet overgeleverd. De filosofie van presocraten is slechts bekend dankzij latere auteurs, die variëren van Plato in de vierde eeuw v.Chr. tot Simplicius in de zesde eeuw n.Chr. Incidenteel gaat het ook om middeleeuwse auteurs en bronnen, zoals Johannes Tzetzes en de Suda. In de bronnen zijn fragmenten en testimonia overgeleverd. Simplicius vermeldt dat exemplaren van Parmenides' dichtwerk zeldzaam waren geworden in zijn tijd.[p 3] Teksten van Melissus, Zeno, Anaxagoras en Diogenes van Apollonia waren nog wel beschikbaar, maar de werken van Anaximander, Heraclitus en de atomisten waren al verloren gegaan. Van Empedocles' Purificaties is bekend dat in de twaalfde eeuw nog kopieën bestonden in Constantinopel.[8]

Fragmenten[bewerken]

Soms is niet meer tekst van een auteur overgeleverd dan papyrussnippers. De afbeelding laat een stuk zien van de Dervenipapyrus met een fragment van Heraclitus (col. iv, 10-13).

Fragmenten (citaten) zijn soms enkele woorden, soms ook paragrafen. Betrekkelijk veel zijn gegeven door Plutarchus (Essays, tweede eeuw), Sextus Empiricus (tweede eeuw), Clemens van Alexandrië (Protrepticus en Mengelwerk, tweede eeuw), Hippolytus (Weerlegging van alle ketterijen, derde eeuw), Diogenes Laërtius (Leven en leer van beroemde filosofen, derde eeuw) en Johannes Stobaeus (Anthologie, vijfde eeuw). Daarnaast staan enkele citaten in het werk van de epicurist Philodemus, de stoïcijn Marcus Aurelius, Maximus van Tyrus, christelijke schrijvers als Origenes, Aëtius, Galenus de arts, Strabo de geograaf, Athenaeus, en neoplatonisten als Numenius, Plotinus, Porphyrius, Jamblichus, Proclus en met name Simplicius. Voor veel fragmenten is Simplicius de enige bron. Genoemde auteurs gebruikten niet altijd de oorspronkelijke tekst, maar bijvoorbeeld bloemlezingen, samenvattingen en doxografieën.[9]

Testimonia[bewerken]

Testimonia verschijnen eerst summier in het werk van Euripides en Aristophanes, maar vooral bij Plato, die vaak een eenzijdig of overdreven beeld schetste van presocratische denkbeelden. Hij vermeldt Parmenides, Cratylus, Hippias, Protagoras, Gorgias, Heraclitus, Zeno, Empedocles en Anaxagoras. Vooral belangrijk is Plato's leerling Aristoteles. Die behandelde de denkbeelden uitgebreider en gedetailleerder in al zijn grotere werken. Hij gaf bijvoorbeeld een overzicht van opvattingen aan het begin van de Metafysica. Zijn leerling Theophrastus was de eerste die een overzicht van opvattingen (doxografie) schreef als geschiedenis van de filosofie, waarvan fragmenten zijn overgeleverd. Testimonia worden ook door voornoemde auteurs gegeven.[10]

Doxografische traditie[bewerken]

Theophrastus, leerling van Aristoteles, stond aan de basis van de latere doxografische traditie.

Theophrastus' verloren gegane overzichtswerk vormde de basis voor latere boeken waarin meningen (doxai of placita) werden samengevat. Hij wordt geciteerd door Simplicius en diende als voorbeeld voor het werk van Diogenes Laërtius, die naast citaten ook veel testimonia vermeldt en biografische informatie verschaft. Een ander voorbeeld is Aëtius met zijn Placita, waar fragmenten van bewaard zijn gebleven. Dit deels gereconstrueerde werk is de uitvoerigste maar niet altijd erg betrouwbare doxografische bron voor testimonia. Aëtius baseerde zich niet rechtstreeks op Theophrastus, maar op een tussenliggende bron, de stoïsche Vetusta placita. Die is gebruikt door Varro[p 4] en Cicero.[p 5] Tot slot zijn er doxografieën overgeleverd door kerkvaders en is er de pseudo-Plutarchische Stromateis, waarin details staan die elders niet voorkomen.[11] Doxografieën bevatten doorgaans echter alleen de stellingen van filosofen, en niet de achterliggende argumentatie.[12]

Plato en Aristoteles waren selectief in hun behandeling van presocratische denkbeelden en oordeelden er doorgaans negatief over. Ze streefden geen objectiviteit na. Dat gold ook voor Theophrastus, die zich in zijn opvattingen baseerde op zijn leermeester. Hij interpreteerde onderling verschillende benaderingswijzen van presocraten soms tevens op gelijke wijze.[13] Daarnaast is er soms sprake van stoïsche herinterpretatisch, bijvoorbeeld via de Vetusta placita.[14]

Ontwikkeling van het onderzoek[bewerken]

Modern onderzoek naar de presocraten en hun filosofie heeft twee doelstellingen: 1) het reconstrueren van de historische, sociale, taalkundige en intellectuele context in het werk van de filosofen, en 2) het reconstrueren van hun theorieën uit de diverse fragmenten en testimonia zodat ze filosofisch steekhoudend zijn. Eerstgenoemde is van oudsher het domein van de classicus, laatstgenoemde dat van de filosoof. Tegenwoordig zijn specialisten vaak in beide disciplines thuis.[15]

Premodern[bewerken]

Titelblad van een exemplaar van Diogenes Laërtius' Leven en leer van beroemde filosofen uit 1594. Dankzij dit werk is betrekkelijk veel informatie van en over Griekse filosofen bewaard gebleven.

De bestudering van het presocratische gedachtegoed begon in het klassieke Griekenland. De sofisten Hippias en Gorgias hebben een overzicht gemaakt van presocratische opvattingen om die vervolgens te weerleggen. Plato en Aristotelens lijken hun presocratische informatie onder andere van hen te hebben overgenomen.[16] De stoïcijnen baseerden zich op de filosofie van Heraclitus, en de epicuristen hingen het atomisme aan dat was ontwikkeld door Leucippus en Democritus. Xenophanes' ideeën werden overgenomen door enkele sceptici. Naast aanhangers waren ook andere filosofen en leken geïnteresseerd in de presocratische filosofie, waarvoor onder meer doxografieën en filosofische biografieën werden geschreven.[17] Die hadden niet als doel objectief en representatief te zijn. Enkele ideeën van presocraten werden uitgelicht, geherinterpreteerd en gebruikt voor andere ideeën. De selecties en interpretaties van oude doctrines werden bovendien mettertijd aangepast naargelang de belangstellingen en voorkeuren in een bepaalde periode.[18]

In het middeleeuwse West-Europa waren veel Griekse teksten uit de oudheid niet beschikbaar. Pas in de vroegmoderne tijd werden veel teksten herontdekt, zorgvuldig uitgegeven en bestudeerd. Edities verschenen van Aristoteles' oeuvre (1495-1498), Plato's oeuvre (1513) en het boek van Diogenes Laërtius (1533). De presocraten bleven echter onderbelicht door de grote autoriteit die Plato en Aristoteles genoten.[19]

Negentiende eeuw[bewerken]

Kritische filosofiegeschiedenissen verschenen in de achttiende eeuw, maar pas in de negentiende eeuw nam de aandacht voor nauwkeurige studie van de filosofiegeschiedenis toe. In Duitsland besteedde Hegel er aandacht aan voor zijn filosofie, en kwam de oudheidkunde als wetenschap op met als doel een beter begrip te krijgen van de klassieke oudheid. Nieuwe en verrijkte edities verschenen voor Aristoteles en Plato, en dientengevolge ook van presocraten. In Die Philosophie der Griechen (1844-1852) beschreef Eduard Zeller nauwkeurig de filosofiegeschiedenis met de opdeling van presocratisch, klassiek en hellenistisch die nog steeds gangbaar is, en onderscheidde hij de Ionische school, pythagoreïsche school, Eleatische school en een restcategorie.[20]

De Duitse onderzoeker Hermann Diels. Hij publiceerde enkele werken met studies van overgeleverde tekstfragmenten uit de klassieke oudheid, en die van belang waren voor verder onderzoek.

Belangrijk voor het onderzoek was de publicatie van Hermann Diels' Doxographi Graeci in 1879. Daarin werd de gehele doxografische traditie geanalyseerd, gevolgd door de identificatie van de Vetus placita en Theophrastus als bronnen en een reconstructie van Aëtius' Placita. Hij zag de doxografie als waardevolle informatiebron. De eerste volledige editie van de presocratische fragmenten volgde in 1883 onder redactie van F.W.H. Mullach, Fragmenta philosophorum Graecorum. Daarin werden ook fragmenten van postsocraten en pseudepigrafen opgenomen, maar geen testimonia. Als reactie op de filosofische studies van Hegel en zijn navolgers verscheen in 1887 de Pour l'Histoire de la Science Hellène van P. Tannery met fragmenten en testimonia van de presocraten. Tannery verschoof de focus naar de wetenschapshistorische aspecten, maar verkondigde controversiële interpretaties en theorieën. In 1892 publiceerde John Burnet Early Greek Philosophy, een van de vroegste werken waarin de fragmenten vertaald waren in de volkstaal (hier het Engels), met begeleidend commentaar op de presocratische theorieën. Het handboek werd een standaardwerk tot halverwege de twintigste eeuw.[21]

Twintigste eeuw[bewerken]

In de twintigste eeuw ontstaan nieuwe benaderingswijzen, zowel geschiedkundig als filosofisch, en wordt het tekstmateriaal meer kritisch geanalyseerd.

Hermann Diels zorgde voor een tweede stap voorwaarts door in 1903 de driedelige Die Fragmente der Vorsokratiker uit te geven. Daarin verzamelde hij alle bekende testimonia (A-teksten) en fragmenten (B-teksten) van elke presocraat afzonderlijk met vertalingen in het Duits. Het materiaal was per filosoof geordend volgens biografie, geschrift en filosofie. Tevens voegde hij materiaal toe dat werd toegeschreven aan personen of legendarische figuren die doorgaans niet als filosofen gezien worden. Die Fragmente der Vorsokratiker was de eerste uitgave waarin al het presocratische materiaal verzameld was, en werd het standaardwerk binnen het onderzoek. Vier drukken volgden tijdens Hermanns leven en twee postuum tot 1952 onder redactie van Walther Kranz, die aanpassingen deed. Moderne vakliteratuur verwijst naar die edities als Diels-Kranz (DK). De gangbare verwijzing naar de primaire tekst is: DK [hoofdstuknummer filosoof] [A/B] [tekstnummer].[22]

De receptie van presocratische filosofie werd beïnvloed door Aristoteles en zijn volgelingen. Tot het begin van de twintigste eeuw hield men daar weinig rekening mee en accepteerde men oudere interpretaties. Dat veranderde dankzij W.A. Heidels Qualitative Change in Presocratic Philosophy in 1903, en H. Cherniss' boek Aristotle's Criticism of Presocratic Philosophy in 1935. Volgens Aristoteles waren de filosofen van de Milesische school bijvoorbeeld monisten: ze kenden één grondsubstantie voor de wereld, zoals aarde of water. Die stof kon volgens hen wel veranderen in een andere, zoals vuur of lucht, maar dit was geen wezenlijke transformatie. Alleen eigenschappen veranderden. Dat was volgens Heidel anachronistisch. De presocraten kenden niet het onderscheid tussen substantie en eigenschappen daarvan ('kwaliteiten' in Aristoteles' terminologie). Voortvloeiend uit deze kritische houding kwam C.H. Kahn in 1960 tot een nieuwe reconstructie van Anaximanders filosofie in Anaximander and the Origins of Greek Cosmology.[23]

Hellenistische bronnen behandelen Griekse filosofie vooral in termen van opeenvolging en scholen, waarvan de algemeen gangbare visies worden medegedeeld. Als gevolg hiervan beschouwden onderzoekers Parmenides niet als zelfstandig denker en breekpunt in de traditie. Dat veranderde in de twintigste eeuw. Omdat 'zijn' vooraf moest gaan aan 'worden', nam Hegel voor zijn schets van de historische ontwikkeling aan dat Parmenides (alles is) voorafging aan Heraclitus (alles wordt). De tegenovergestelde visie won later terrein. In de jaren dertig bleek dat Parmenides' kritiek op voorgaande kosmologieën de verdere presocratische discussies beïnvloedde.[24]

In de eerste helft van de twintigste eeuw werd gediscussieerd over de mate waarin presocraten wetenschappelijk dan wel religieus waren in hun denken. Er ontstond ook meer aandacht voor de pythagoreïsche school. Soms kreeg die een centrale rol toegedicht, en soms veronderstelde men dat er nooit een concrete school met een filosofisch programma heeft bestaan tussen 600 en 400 v.Chr. Walter Burkert toonde in Lore and Science in Ancient Pythagoreanism uit 1972 aan dat dat laatste waarschijnlijk het geval was, en dat Pythagoras ook meer een religieus leider dan een filosoof was. Daarnaast beschouwde hij Philolaus wel als historisch persoon die een bron van pythagorisme vormde voor Plato en Aristoteles, wat daarvoor omstreden was.[25]

Er kwamen nieuwe filosofische benaderingswijzen. Het hegeliaanse idealisme werd in het Verenigd Koninkrijk verdrongen door de analytische filosofie, met weinig aandacht voor historische context, en op het continent door de fenomenologie. De fenomenoloog M. Heidegger vond dat de presocraten aan dezelfde metafysische problemen werkten als de moderne filosofie, en besteedde een reeks lezingen aan hen. Daarmee vergrootte hij de aandacht voor het onderzoek naar presocratisch denken. Tijdens de Tweede Wereldoorlog vluchtten enkele leden van de analytische Wiener Kreis naar de Verenigde Staten. Hun filosofische benadering vond daar vervolgens ingang dankzij filosofen als Gregory Vlastos. Deze paste de methode toe op het onderzoek naar presocratische filosofie, en richtte een studieprogramma voor klassieke studies op dat in de VS navolging vond. De analytische methode was tevens geaccepteerd in het Engelse Cambridge, dat een centrum vormde voor presocratische studies. Van daaruit publiceerden onderzoekers G.S. Kirk en J.E. Raven in 1957 The Presocratic Philosophers, en W.K.C. Guthrie de zesdelige History of Greek Philosophy vanaf 1962, werken die nog steeds worden gebruikt. Sindsdien is de presocratische filosofie een gangbaar onderdeel geworden van de filosofie als vakgebied. Jonathan Barnes' The Presocratic Philosophers vormde in 1979 een soort benchmark.[26]

Straatsburger papyrus met fragmenten van Empedocles' werk ( I 262–300). De identificatie ervan gebeurde pas in de jaren negentig. P. Strasb. gr. Inv. 1665−1666.

Er worden nog steeds nieuwe teksten ontdekt, zoals de Straatsburger papyrus met nieuwe fragmenten van Empedocles en de Dervenipapurys met orfisch materiaal. Naast artikelen zijn er thans boeken over afzonderlijke presocraten, scholen en thema's zoals kosmologie beschikbaar. Sommige edities bevatten vooral fragmenten zonder veel commentaar, andere geven de fragmenten in de context waarin ze zijn overgeleverd, andere bevatten veel testimonia en filologisch commentaar. In het Nederlands zijn anno 2017 vertalingen beschikbaar van Democritus, Heraclitus, Parmenides, Zeno, Xenophanes en Empedocles, soms in meerdere edities.

Ontstaan en verbreiding[bewerken]

Ionië, een regio in westelijk Anatolië dat gekoloniseerd was door Grieken. Hier ontstond de vroegste filosofie. De eerste presocraat, Thales, was actief in Milete (Miletos).
Kaart van de Griekse wereld met de plaatsen waar presocraten actief waren in rood.

De presocraten waren niet afkomstig uit Griekenland zelf, maar uit de kolonies, met name de steden in Ionië (Turkije) en Magna Graecia (Zuid-Italië). Aan het begin van de zesde eeuw v.Chr. waren Thales, Anaximander en Anaximenes de eerste presocraten, afkomstig uit het Ionische Milete. Latere presocraten komen uit omringende plaatsen: Heraclitus uit Efeze, Xenophanes uit Colophon, Pythagoras uit Samos, Anaxagoras uit Clazomenae, en Melissus uit Samos. Leucippus en Democritus kwamen uit het verder gelegen Abdera, en Diogenes uit Apollonia aan de kust van de Zwarte Zee. Tegen het eind van de zesde eeuw v.Chr. verschenen Empedocles uit Acragas, Permanides en Zeno uit Elea, en Alcmaeon uit Croton, steden in Magna Graecia.

Ze leefden niet in isolatie, maar waren van elkaar op de hoogte. Tussen de kolonies bestond veel contact, zodat ideeën zich konden verbreiden. Bovendien is van diverse presocraten bekend dat zij reisden. Xenophanes en Empedocles vermeldden dat zelf, Parmenides, Zeno en Anaxagoras bezochten Athene volgens Plato, en Pythagoras migreerde van Samos naar Croton. In de bronnen is echter weinig bewijs voor daadwerkelijke ontmoetingen. Toch zijn die soms aannemelijk. Melissus van Samos was bijvoorbeeld erg goed op de hoogte van de filosofie van Parmenides, die zijn school had in Elea, Italië.[27]

De verbreiding van denkbeelden gebeurde deels schriftelijk, en deels mondeling door reiscontacten en voordrachten. In de Phaedo[p 6] staat dat Socrates op straat iemand uit 'een boek' (enkelvoud, ek bibliou) van Anaxagoras hoorde voorlezen. Hij raakte geïnteresseerd en schafte 'de boeken' (meervoud, biblious) aan. Op dat moment was Anaxagoras na een langdurig verblijf niet meer in Athene. Kennelijk had hij daar (minstens) een volgeling die kopieën van zijn boekrollen verkocht door een samenvatting voor te lezen als reclame. In de Apologie[p 7] merkt Socrates aan het eind van zijn leven op dat op de markt nog steeds boekrollen van Anaxagoras te koop zijn voor een drachme (destijds het dagloon van een ambachtsman). In de Parmenides[p 8] staat tot slot beschreven hoe Parmenides en zijn leerling Zeno in Athene aankomen tijdens de Panathenaeën, een festival met onder meer diverse competities en literaire voordrachten. Zeno draagt er zijn boek voor, waarna een discussie met Socrates volgt. Voordrachten vonden meer plaats, zoals bij Xenophanes.[p 9] Het doel daarvan was om de reputatie van een auteur te vergroten en om geld te verdienen door klanten te lokken voor bijvoorbeeld onderwijs, privévoordrachten en het vervaardigen van teksten.[28]

Dat de filosofie ontstond in de kolonies kan worden verklaard. Milete was een welvarende handelsstad waar men een goede levensstandaard kende. Dat was het zichtbare resultaat van menselijk vernuft en handelen. Men hoefde kennelijk niet te vrezen voor de grillen van goden in een chaotische wereld. De dichter Mimnermus schreef dan ook: 'Van de goden kennen we geen goed of kwaad'. Er ontstond een grotere waardering voor de rol van de mens in de wereld. Deze meer seculiere houding werd de grondslag voor filosofisch denken. Dit werd gestimuleerd doordat de Griekse stadstaten een hoge mate van vrijheid van denken kenden, en geen theocratie zoals in het Midden-Oosten. Bovendien bracht de welvaart met zich mee dat niet iedereen hoefde te werken, en dat sommigen dus gelegenheid hadden voor contemplatie die geen praktisch doel vereiste.[29] Aristoteles schreef bijvoorbeeld:

'Het was door het voorzien in de hoofdbenodigdheden van niet alleen het leven maar ook een goed leven, dat de zoektocht naar deze intellectuele voldoening begon.'[p 10]

Milete en andere Ionische steden stonden in betrekkelijk nauw contact met niet-Griekse culturen zoals Lydië, Perzië, Egypte en Fenicië. Naast import van goederen bestond ook import van ideeën. Zo was de Babylonische astronomie bekend in de kustgebieden van Anatolië en heeft die de Grieken tot onderzoek aangezet. Zo zou Thales een zonsverduistering in 585 v.Chr. hebben voorspeld.[30] Het is tevens mogelijk dat zijn theorie dat alles ontstond in en rustte op (oer)water terugging op oosterse tradities.[31] Zowel hij als andere presocraten zijn vermoedelijk beïnvloed door Midden-Oosterse kosmogonieën.[32]

Dat in de vijfde eeuw v.Chr. Athene en Magna Graecia belangrijker worden voor de ontwikkeling van de filosofie, kan worden verklaard door de verovering van Ionië door de Perzen en de mislukte opstand van onder andere Milete in 499, en door de groeiende dominantie van de stadstaat Athene. Van Xenophanes werd bijvoorbeeld beweerd dat hij Colophon verruilde voor Sicilië en Italië, waar hij mogelijk Parmenides beïnvloedde.[33]

Religie, filosofie en proto-wetenschap[bewerken]

Presocraten onderscheidden zich onder andere door afstand te doen van traditionele verklaringen voor de wereld, maar religieuze en mythologische opvattingen werkten door in hun ideeën. Enkelen stonden ook bekend als magiërs, zoals Empedocles, die zich tevens mythologisch uitdrukte.

Hun attitude en benaderingswijze maakten van de presocraten geen wetenschappers, want ze verkozen niet-verifieerbare en speculatieve theorie boven observatie en experiment, maar ze gelden wel als proto-wetenschappers.

Een criterium om de presocraten als de eerste filosofen te beschouwen, is omdat zij afstand nemen van religie, mythische voorstellingen en goden als verklaringen voor natuurverschijnselen. Daarmee worden personen zoals Hesiodus en Pherecydes van Syrus dan wijze voorlopers van de filosofen. Desondanks wijzen Parmenides en Empedocles (maar ook Plato nog) mythologie niet af, maakte theologie deel uit van het denken van Xenophanes en Heraclitus, en onder meer Empedocles en Pythagoras hadden een hang naar mystiek.[34] Ook vergoddelijkten presocraten abstracte principes zoals haat en liefde, en natuurelementen zoals de lucht en de kosmos. Dat had niettemin als doel de natuurlijke orde te verklaren als harmonisch geheel, terwijl de traditionele goden juist verstoringen daarvan verklaarden.[35]

De belevingswereld van presocraten was niet hoofdzakelijk die van een filosoof of wetenschapper,[36] en het onderscheid tussen beide begrippen werd nog niet gemaakt.[37] Het is ook onduidelijk of ze onderscheid maakten tussen hun activiteiten en die van hun voorgangers.[38] De begrippen filosofie (filosofia) en filosoof (filosofos) zelf waren nog in ontwikkeling. Sofia had in Thales' tijd praktische connotaties: 'slimheid' en 'vakkundigheid'. Vanaf het eind van de vijfde eeuw v.Chr. werd het pas de aanduiding voor expertise in vroegwetenschappelijke kennis over hoe de wereld en de mens werkten.[39] De presocraten werden later door bijvoorbeeld Aristoteles als fysici (fysikoi) beschouwd. Fysica werd naast ethiek en logica een hoofdtak van filosofie en betrof de studie van de natuurlijke dingen. Omdat daar bij de presocraten de focus op lag, noemde Aristoteles hun werk fysiologia.[40] Het is ook door die focus, dat veel werken als titel Over de natuur (Peri fyseos) kregen.

Presocratische filosofie was niet uniform. In één adem wees Heraclitus de veelweterij af van de mythograaf Hesiodus, geograaf Hecataeus en filosofen Pythagoras en Xenophanes. Kennelijk golden zij toen alle vier als wijze mannen. Ze pretendeerden 'alles' te beschrijven, Hesiodus in mythische en genealogische termen, Hecataeus met een wereldkaart en beide filosofen met hun theorieën. Dat Heraclitus niet verwees naar de vroegste Milesische presocraten Thales, Anaximander en Anaximenes komt mogelijk omdat bij hen de focus lag om de onderliggende eenheid van de kosmos, een notie die Heraclitus ook verkondigde. Veelweterij verduisterde die fundamentele eenheid. Wat allen verbindt, is de behoefte om alles te verklaren en te systematiseren.[41]

Wat presocraten (en sofisten) echter onderscheidde van onder anderen Hesiodus was dat ze een theorie over alles wilden maken die verklarend, systematisch, coherent, beargumenteerd, educatief, kritisch, onconventioneel en daarmee veranderend was en aanleiding gaf tot discussie.[42] Een voorbeeld van een presocratische redenering is onderstaand fragment van Melissus:

'Als het is, dan moet het een zijn; en als het een is, kan het geen lichaam hebben. Als het massa zou hebben, dan zou het delen hebben en niet langer een zijn.'[p 11]

Ze waren nieuwsgierig en namen aan dat de wereld te begrijpen valt met het verstand. Ook analyseerden ze problemen, en pakten ze eerst kleine problemen aan om vervolgens grotere problemen te benaderen. Hun benadering was reductionistisch, generaliserend en holistisch, omdat ze zo veel mogelijk met zo min mogelijk wilden verklaren. Daarvoor definieerden ze bijvoorbeeld een oersubstantie (de archè) als basis voor de kosmos en zijn werking. Daarbij bekeken ze zaken zoals vuur op afstand, en stelden ze de vraag waarom vuur het huis verwarmde, zand in glas deed veranderen, ijzer deed smelten en baksteen juist hard maakte.[43]

Door dergelijke overdenkingen ontstonden nieuwe, abstracte concepten. Een eerste voorbeeld is archè, 'begin/oorsprong'. Dit betekende vervolgens 'beginsel', en kon gebruikt worden om er 'principes' in de natuur mee aan te duiden, 'heersende beginselen'. Een tweede voorbeeld is kosmos. Dit betekende oorspronkelijk 'orde' en 'sieraad', van het werkwoord voor 'ordenen/regelen/indelen/gereedmaken'. Het betrof in het bijzonder mooie en goede ordening. In dagelijks taalgebruik was het niet nodig om naar het geheel der dingen te verwijzen, maar presocraten gingen dat wel doen. Kosmos kreeg de betekenis van 'heelal', 'mooi en geordend universum'. Een derde voorbeeld is fysis. Aanvankelijk betekende dit 'natuurlijke groei', 'het verwekte', 'natuurlijke ontwikkeling'. Vandaar kreeg het de betekenis 'aard/aanleg/natuur' en vandaar 'begrip/betekenis', maar ook 'het geheel van de natuurlijke dingen', tegenover de door mensen gemaakte dingen. Presocraten onderzochten de natuur, de aard van de dingen.[44]

Lijst van filosofen en scholen[bewerken]

Grafische, chronologische weergave van presocraten en hun beïnvloeding. Rode pijlen geven tegenstellingen aan.
Forsokrat 2.JPG

Grieken hadden de neiging om voor ideeën en middelen uitvinders aan te wijzen, en om te spreken van scholen en chronologische opvolging. In werkelijkheid konden concepten stapsgewijs ontwikkeld worden, waren scholen niet welomschreven, stonden filosofen in los-vaste relatie tot elkaar, en namen filosofen sommige dingen over van voorgangers, maar andere dingen juist niet. Een indeling in scholen verduistert die nuances. Hieronder staat de traditionele opdeling van presocraten in groepen voor een algemeen overzicht.

Thales (624 - 546 v.Chr.)
Anaximander (610 - 546 v.Chr)
Anaximenes (585 - 525 v.Chr)
Pythagoras (582 - 496 v.Chr)
Cercops
Petron van Himera
Brontinus
Hippasus
Calliphon
Democedes
Parmeniscus 
Philolaus (470 - 380 v.Chr)
Alcmaeon van Croton (circa midden vijfde eeuw v.Chr.)
Archytas (428 - 347 v.Chr.)
Parmenides (510 - 440 v.Chr.)
Zeno van Elea (490 - 430 v.Chr.)
Melissus van Samos (circa 470 v.Chr. - onbekend)
Leucippus (vijfde eeuw v.Chr.)
Democritus (460 - 370 v.Chr.)
  • Niet aan een school verbonden:
Xenophanes (570 - 470 v.Chr.) (beïnvloed door de Milesiërs)
Heraclitus (535 - 475 v.Chr.) (beïnvloed door de Milesiërs)
Empedocles (490 - 430 v.Chr.) (beïnvloed door de Eleaten)
Anaxagoras (500 - 428 v.Chr.) (beïnvloed door de Eleaten)
Diogenes van Apollonia (circa 460 v.Chr. - onbekend)
Protagoras (481 - 420 v.Chr.)
Gorgias (483 - 375 v.Chr.)
Thrasymachus (459 - 400 v.Chr.)
Callicles
Critias (460 - 403 v.Chr.)
Prodicus (465 - 390 v.Chr.)
Hippias (485 - 415 v.Chr.)
Antiphon (480 - 411 v.Chr.)

Andere groeperingen[bewerken]

Deze lijst vermeldt ook een aantal mannen, in het bijzonder de Zeven Wijzen, die in de praktijk eerder bekend waren als actieve politici, of bekend waren omwille van hun praktische wijsheid, eerder dan als speculatieve denkers of filosofen in de moderne betekenis van het woord.

Solon (ca. 594 v.Chr.)
Chilon van Sparta (ca. 560 v.Chr.)
Thales
Bias van Priene (ca. 570 v.Chr.)
Cleobulus van Rhodos (ca. 600 v.Chr.)
Pittacus van Mitylene (ca. 600 v.Chr.)
Periander (625 - 585 v.Chr.)

Zie ook[bewerken]