Presocratische filosofie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Filosofie
Banner-philosophy.png
Geschiedenis van de filosofie
Westerse filosofie Presocratische filosofie
Antieke filosofie
Middeleeuwse filosofie
Renaissancefilosofie
Moderne filosofie
Hedendaagse filosofie
Oosterse filosofie Arabische filosofie
Boeddhisme
Chinese filosofie
Confucianisme
Hindoeïsme
Indische filosofie
Japanse filosofie
Taoïsme
Zoroastrisme
Religieuze filosofie Christelijke filosofie
Joodse filosofie
Islamitische filosofie
Categorie filosofie Boeken
Filosofen
Stromingen
Portaal  Portaalicoon  Filosofie

Presocratische filosofie is de algemene benaming voor de oud-Griekse wijsbegeerte in de periode van circa 600 tot 400 v.Chr., de tijd van de filosoof Socrates (469 - 399 v.Chr.). Presocratici dachten na over mathematica, kosmologie, kosmogonie en ethiek. Ze waren vooral natuurfilosofen en postuleerden bijvoorbeeld een hypothetische oermaterie waaruit de wereld zou zijn ontstaan, zoals water of vuur. Ze namen afstand van de traditionele mythologie en probeerden de natuur op een rationele en consequente manier te verklaren. De benaming duidt niet op één filosofische school, maar op het denken van verschillende scholen en onafhankelijke individuen.

Definitie[bewerken]

De begrippen presocratici/presocraten en presocratische filosofie kwamen in de oudheid niet voor maar zijn modern. Deze aanduidingen zijn gangbaar geworden dankzij Hermann Diels, die fragmenten en testimonia van alle presocraten editeerde en uitgaf als Die Fragmente der Vorsokratiker in 1903. De term verwees naar de Griekse filosofen die niet waren beïnvloed door Socrates. Er is echter een tendens in Engelstalige vakliteratuur om van 'early Greek philosophers' ('vroege Griekse filosofen') te spreken, omdat presocraat misleidend is:[1]

  1. Pre-socraat suggereert dat het om personen gaat die voor Socrates leefden. Dat was niet altijd het geval. Sommige presocraten overleefden Socrates zelfs, zoals Democritus.[2]
  2. Het begrip is te eng. De categorisering van (presocratische) filosofen is voor discussie vatbaar. Criteria voor de categorie van presocratische filosofie zijn het gebruiken van rationele argumentatie, analogieën, vergelijkingen, observatie en experiment. Enerzijds maakten ook andere, traditioneel niet als filosofen gekenmerkte personen er gebruik van, zoals hippocratische artsen en astronomen. Anderzijds maakten niet alle presocratische filosofen er gebruik van, zeker niet vóór Parmenides. Een volledig beeld van het vroege Griekse wijsgerige denken zou naast de gangbare presocraten ook kosmologen, onderwijzers in de retorica, theologen en dichters zoals Hesiodus, politici zoals Solon en in mindere mate geografen en artsen bevatten.
  3. Het begrip suggereert dat het om een duidelijk omschreven, uniforme groep gaat. Dat is niet het geval. Er waren onafhankelijke denkers en er bestonden scholen. Daarbij zijn de verschillen in opvattingen met die van Socrates niet altijd even groot. Democritus' morele psychologie lijkt op die van Socrates.[3]
  4. Het begrip als categorieaanduiding wekt de schijn dat Plato, de leerling van Socrates, niet reageerde en voort bouwde op het werk van presocraten. Dat is wel het geval, met name in zijn latere dialogen.[4]
  5. Filosofie houdt ook ethiek, logica en epistemologie in, maar bij de presocraten komen die takken weinig aan bod.

Wat presocraten onderscheidde van hun voorgangers zoals theologen is niet zozeer het soort vragen dat zij stelden (zoals etiologische), maar vooral de antwoorden die zij bedachten. Daarbij verwezen ze namelijk niet naar traditionele, mythische opvattingen en werden de goden niet langer beschouwd als de veroorzakers van al het natuurgebeuren. Ze zochten daarin naar een rationele, kenbare orde die vanuit de natuur zelf begrepen kon worden. Het menselijke intellect was de sleutel daartoe. De presocraten vormden hypothesen waarover ze discussieerden, en deden ze een beroep op het logisch overdenken en coherent maken van theorieën.[5] Hun benaderingswijze was dus kritisch en niet dogmatisch. Daarbij ontwikkelden ze concepten en kwalitatieve methoden om de fysieke wereld te bestuderen en te begrijpen, zoals analogie, balans en kosmos.

Tevens hanteerden latere klassieke auteurs zelf wel categorieën zoals filosoof, historicus, politicus en arts. Ook maakten ze een globaal onderscheid tussen presocratische en postsocratische filosofie.[6] De eerste was Aristoteles (vierde eeuw v.Chr.), die stelde dat Socrates zich had afgewend van de natuur om zich te richten op de ethiek.[p 1] Soortgelijk is de stelling van Cicero, dat 'Socrates de wijsbegeerte van de hemel naar de aarde heeft gehaald'.[p 2][7] Die selectiviteit en perceptie op de Griekse intellectuele geschiedenis werkt door in de moderne behandeling daarvan.

Bronnen[bewerken]

Wat de presocraten publiceerden, was niet veel en kort van lengte. Alleen Democritus was een veelschrijver. De teksten waren in verzen of proza. Niet één compleet werk is echter overgeleverd. Simplicius vermeldt in de zesde eeuw dat exemplaren van Parmenides' dichtwerk zeldzaam waren. In zijn tijd waren de werken van Anaximander, Heraclitus en de atomisten reeds verloren gegaan. Van Empedocles' Purificaties is bekend dat in de twaalfde eeuw nog kopieën bestonden in Constantinopel.[8] De filosofie van presocraten is slechts bekend dankzij latere auteurs. Die auteurs variëren van Plato in de vierde eeuw v.Chr. tot Simplicius in de zesde eeuw n.Chr. Incidenteel gaat het ook om middeleeuwse auteurs en bronnen, zoals Johannes Tzetzes en de Suda. In de bronnen zijn fragmenten en testimonia overgeleverd.

Fragmenten[bewerken]

Soms is niet meer tekst van een auteur overgeleverd dan papyrussnippers. De afbeelding laat een stuk zien van de dervenipapyrus met een fragment van Heraclitus (col. iv, 10-13).

Fragmenten (citaten) zijn soms één regel, soms ook alinea's. Betrekkelijk veel zijn gegeven door Plutarchus (Essays, tweede eeuw), Sextus Empiricus (tweede eeuw), Clemens van Alexandrië (Protrepticus en Mengelwerk, tweede eeuw), Hippolytus (Weerlegging van alle ketterijen, derde eeuw), Diogenes Laërtius (Leven en leer van beroemde filosofen, derde eeuw) en Johannes Stobaeus (Anthologie, vijfde eeuw). Daarnaast staan enkele citaten in het werk van de epicurist Philodemus, de stoïcijn Marcus Aurelius, Maximus van Tyrus, christelijke schrijvers als Origenes, Aëtius, Galenus de arts, Strabo de geograaf, Athenaeus, en neoplatonisten als Numenius, Plotinus, Porphyrius, Jamblichus, Proclus en met name Simplicius. Voor veel fragmenten is Simplicius de enige bron. Genoemde auteurs gebruikten niet altijd de oorspronkelijke tekst, maar bijvoorbeeld bloemlezingen, samenvattingen en doxografieën.[9]

Testimonia[bewerken]

Testimonia verschijnen eerst summier in het werk van Euripides en Aristophanes, maar vooral bij Plato, die vaak een eenzijdig of overdreven beeld schetste van presocratische denkbeelden. Hij vermeldt Parmenides, Cratylus, Hippias, Protagoras, Gorgias, Heraclitus, Zeno, Empedocles en Anaxagoras. Vooral belangrijk is Plato's leerling Aristoteles. Die behandelde de denkbeelden uitgebreider en gedetailleerder in al zijn grotere werken. Hij gaf bijvoorbeeld een overzicht van opvattingen aan het begin van zijn eigen werk, zoals in de Metafysica. Zijn leerling Theophrastus was de eerste die een overzicht van opvattingen (doxografie) schreef als geschiedenis van de filosofie, waarvan fragmenten zijn overgeleverd. Testimonia worden ook door voornoemde auteurs gegeven.[10]

Doxografische traditie[bewerken]

Theophrastus, leerling van Aristoteles, stond aan de basis van de latere doxografische traditie.

Theophrastus' verloren gegane overzichtswerk vormde de basis voor latere boeken waarin meningen (doxai of placita) werden samengevat. Hij wordt geciteerd door Simplicius en diende als voorbeeld voor het werk van Diogenes Laërtius, die naast citaten ook veel testimonia vermeldt en biografische informatie verschaft. Een ander voorbeeld is Aëtius met zijn Placita, waar fragmenten van bewaard zijn gebleven. Dit deels gereconstrueerde werk is de uitvoerigste maar niet altijd erg betrouwbare doxografische bron voor testimonia. Aëtius baseerde zich niet rechtstreeks op Theophrastus, maar op een tussenliggende bron, de stoïsche Vetusta placita. Die is gebruikt door Varro[p 3] en Cicero.[p 4] Tot slot zijn er doxografieën overgeleverd door kerkvaders en is er de pseudo-Plutarchische Stromateis, waarin details staan die elders niet zijn te vinden.[11] Doxografieën bevatten doorgaans echter alleen de stellingen van filosofen, en niet de achterliggende argumentatie.[12]

Plato en Aristoteles waren selectief in hun behandeling van presocratische denkbeelden en oordeelden doorgaans negatief over hun voorgangers. Ze streefden geen objectiviteit na. Dat gold ook voor Theophrastus, die zich in zijn opvattingen baseerde op zijn leermeester. Hij interpreteerde verschillende benaderingswijzen bij presocraten soms tevens op gelijke wijze.[13] Daarnaast is er soms sprake van stoïsche herinterpretatisch, bijvoorbeeld via de Vetusta placita.[14]

Ontwikkeling van het onderzoek[bewerken]

Modern onderzoek naar de presocraten en hun filosofie heeft twee doelstellingen: 1) het reconstrueren van de historische, sociale, taalkundige en intellectuele context in het werk van de filosofen, en 2) het reconstrueren van hun theorieën uit de diverse fragmenten en testimonia zodat ze filosofisch steekhoudend zijn. Eerstgenoemde is van oudsher het domein van de classicus, laatstgenoemde dat van de filosoof. Tegenwoordig zijn specialisten vaak in beide disciplines thuis.[15]

Premodern[bewerken]

Titelblad van een exemplaar van Diogenes Laërtius' Leven en leer van beroemde filosofen uit 1594. Dankzij dit werk is betrekkelijk veel informatie van en over Griekse filosofen bewaard gebleven.

De bestudering van het presocratische gedachtegoed begon in het klassieke Griekenland. De sofisten Hippias en Gorgias hebben een overzicht gemaakt van presocratische opvattingen om die vervolgens te kunnen weerleggen. Plato lijkt zijn informatie over Heraclitus overgenomen te hebben van Cratylus. De stoïcijnen baseerden zich op de filosofie van Heraclitus, en de epicuristen hingen het atomisme aan dat was ontwikkeld door Leucippus en Democritus. Xenophanes' ideeën werden overgenomen door enkele sceptici. Naast aanhangers waren ook andere filosofen geïnteresseerd in de presocratische filosofie, waarvoor onder meer doxografieën en filosofische biografieën werden geschreven.[16]

In het middeleeuwse West-Europa waren veel Griekse teksten uit de oudheid niet beschikbaar. Pas in de vroegmoderne tijd werden veel teksten herontdekt, zorgvuldig uitgegeven en bestudeerd. Edities verschenen van Aristoteles' oeuvre (1495-1498), Plato's oeuvre (1513) en het boek van Diogenes Laërtius (1533). De presocraten bleven echter onderbelicht door de grote autoriteit die Plato en Aristoteles genoten.[17]

Negentiende eeuw[bewerken]

Kritische filosofiegeschiedenissen verschenen in de achttiende eeuw, maar pas in de negentiende eeuw nam de aandacht voor nauwkeurige studie van de filosofiegeschiedenis toe. In Duitsland besteedde Hegel er aandacht aan voor zijn filosofie, en kwam de oudheidkunde als wetenschap op met als doel een beter begrip te krijgen van de klassieke oudheid. Nieuwe en verrijkte edities verschenen voor Aristoteles en Plato, en dientengevolge ook van presocraten. In Die Philosophie der Griechen (1844-1852) beschreef Eduard Zeller nauwkeurig de filosofiegeschiedenis met de opdeling van presocratisch, klassiek en hellenistisch die nog steeds gangbaar is, en onderscheidde hij de Ionische school, pythagoreïsche school, Eleatische school en een restcategorie.[18]

De Duitse onderzoeker Hermann Diels. Hij publiceerde enkele werken met studies van overgeleverde tekstfragmenten uit de klassieke oudheid, en die van belang waren voor verder onderzoek.

Belangrijk voor het onderzoek was de publicatie van Hermann Diels' Doxographi Graeci in 1879. Daarin werd de gehele doxografische traditie geanalyseerd, gevolgd door de identificatie van de Vetus placita en Theophrastus als bron en een reconstructie van Aëtius' Placita. Hij merkte de doxografie aan als waardevolle bron van informatie. De eerste volledige editie van de presocratische fragmenten volgde in 1883 onder redactie van F.W.H. Mullach, Fragmenta philosophorum Graecorum. Daarin werden echter ook fragmenten van postsocraten en pseudepigrafen opgenomen, maar geen testimonia. Als reactie op de filosofische studies van Hegel en anderen verscheen in 1887 de Pour l'Histoire de la Science Hellène van P. Tannery met fragmenten en testimonia van de presocraten. Tannery verschoof de focus naar de wetenschapshistorische aspecten, maar verkondigde controversiële interpretaties en theorieën. 1892 publiceerde John Burnet Early Greek Philosophy, een van de vroegste werken waarin de fragmenten vertaald waren in de volkstaal (hier Engels), met begeleidend commentaar op de presocratische theorieën. Het handboek werd een standaardwerk tot halverwege de twintigste eeuw.[19]

Twintigste eeuw[bewerken]

In de twintigste eeuw ontstaan nieuwe benaderingswijzen, zowel geschiedkundig als filosofisch, en wordt het tekstmateriaal meer kritisch geanalyseerd.

Hermann Diels zorgde voor een tweede stap voorwaarts door in 1903 de driedelige Die Fragmente der Vorsokratiker uit te geven. Daarin verzamelde hij alle bekende testimonia (A-teksten) en fragmenten (B-teksten) van elke presocraat afzonderlijk, met een vertaling in het Duits en later vergezeld met een notenapparaat. Het materiaal was per filosoof geordend volgens biografie, geschrift en filosofie. Tevens voegde hij materiaal toe dat werd toegeschreven aan personen of legendarische figuren die doorgaans niet als postsocraten gezien worden. Die Fragmente der Vorsokratiker was de eerste uitgave waarin al het presocratische materiaal verzameld was, en werd het standaardwerk binnen het onderzoek. Vier drukken volgden tijdens Hermanns leven, twee volgden tot 1952 postuum onder redactie van Walther Kranz, die aanpassingen deed. Moderne vakliteratuur verwijst naar die edities als Diels-Kranz (DK). De gangbare verwijzing naar de primaire tekst is: DK [hoofdstuknummer filosoof] [A/B] [tekstnummer].[20]

De receptie van presocratische filosofie werd beïnvloed door Aristoteles en zijn volgelingen. Tot het begin van de twintigste eeuw is daar weinig rekening mee gehouden en volg men oudere interpretaties na. Dat veranderde dankzij de Amerikaan W.A. Heidel, studiegenoot van Zeller en Diels, met het artikel Qualitative Change in Presocratic Philosophy in 1903, en H. Cherniss met zijn boek Aristotle's Criticism of Presocratic Philosophy in 1935. Volgens Aristoteles waren de filosofen van de Milesische school bijvoorbeeld monisten: ze kenden één grondsubstantie voor de wereld, zoals aarde of water. Die stof kon volgens hen wel veranderen in een andere, zoals vuur of lucht, maar dit was geen wezenlijke transformatie. Alleen eigenschappen veranderden. Dat was volgens Heidel anachronistisch. De presocraten kenden het onderscheid tussen substantie en eigenschappen daarvan ('kwaliteiten' in Aristoteles' terminologie). Voortvloeiend uit deze kritische houding kwam C.H. Kahn in 1960 tot een nieuwe reconstructie van Anaximanders filosofie in Anaximander and the origins of greek cosmology.[21]

Hellenistische bronnen behandelen Griekse filosofie vooral in termen van opeenvolging en scholen, waarvan de algemeen gangbare visies worden medegedeeld. Als gevolg hiervan werd in het moderne onderzoek Parmenides niet als als zelfstandig denker en breekpunt in de traditie beschouwd. Dat veranderde in de twintigste eeuw. Hegel had verondersteld dat Parmenides vooraf was gegaan aan Heraclitus, maar de tegenovergestelde visie won later terrein. In de jaren dertig bleek dat Parmenides' kritiek op voorgaande kosmologieën de verdere presocratische discussies beïnvloedde.[22]

In de eerste helft van de twintigste eeuw werd gediscussieerd over de mate waarin presocraten wetenschappelijk dan wel religieus waren in hun denken. Er ontstond ook meer aandacht voor de pythagoreïsche school. Soms kreeg die een centrale rol toegedicht, en soms veronderstelde men dat er nooit een concrete school met een filosofisch programma heeft bestaan tussen 600 en 400 v.Chr. Walter Burkert toonde in Lore and Science in Ancient Pythagoreanism uit 1972 aan dat dat laatste waarschijnlijk het geval was, en dat Pythagoras ook meer een religieus leider dan een filosoof was. Daarnaast beschouwde hij Philolaus als historisch persoon die een bron van pythagorisme was voor Plato en Aristoteles.[23]

De filosofische benaderingswijze veranderde in de twintigste eeuw. Het hegeliaanse idealisme werd in het Verenigd Koninkrijk verdrongen door de analytische filosofie, met weinig aandacht voor historische context, en op het continent door de fenomenologie. De fenomenoloog M. Heidegger vond dat de presocraten aan dezelfde metafysische problemen werkten als de moderne filosofie, en besteedde een reeks lezingen aan hen. Daarmee vergrootte hij de aandacht voor het onderzoek naar presocratisch denken. Tijdens de Tweede Wereldoorlog vluchtten enkele leden van de analytische Wiener Kreis naar de Verenigde Staten. De analytische filosofie vond daar vervolgens ingang dankzij filosofen als Gregory Vlastos. Deze paste de methode toe op het onderzoek naar presocratische filosofie, en richtte een studieprogramma voor klassieke studies op dat in de VS navolging vond. De analytische methode was tevens geaccepteerd in het Engelse Cambridge, dat een centrum vormde voor presocratische studies. Van daaruit publiceerden onderzoekers G.S. Kirk en J.E. Raven in 1957 The Presocratic Philosophers, en W.K.C. Guthrie de zesdelige History of Greek Philosophy vanaf 1962, werken die nog steeds worden gebruikt. Sindsdien is de presocratische filosofie een gangbaar onderdeel geworden van de filosofie als vakgebied.[24]

Naast de publicaties van handboeken en monografieën over afzonderlijke presocraten is in de tweede helft van de twintigste eeuw ook de aandacht voor de hellenistische filosofie sterk toegenomen. Daarnaast worden nog steeds nieuwe teksten ontdekt, zoals de Straatsburgpapyrus met nieuwe fragmenten van Empedocles en de Dervenipapurys met orfisch materiaal.

Van mythos naar logos[bewerken]

Vanaf omstreeks 650 v.Chr. voltrok zich rond de Ionische Zee een fundamentele verandering in het wereldbeeld van enkele Grieken. Tot dan toe werd het wereldgebeuren vooral verklaard door en toegeschreven aan handelingen van een groot aantal goden, zoals beschreven in de vele verhalen van de Griekse mythologie. Vanaf de zevende eeuw v.Chr. trad er echter een duidelijke kentering op. Men ging pogingen doen om de natuur en het leven zelf te doorgronden. Bij de presocratici speelden de homerische goden geen wezenlijke rol meer. Men probeerde de wereld en het wereldgebeuren vanuit de natuur zélf met behulp van de rede te verklaren en er een wetmatigheid (logos) in te vinden.

De presocratici legden de fundamenten voor de wetenschap. Kernbegrippen die zij introduceerden zijn aletheia en logos. Deze begrippen stelden zij in de plaats van de conventionele mythologie. Zij gingen de concurrentie aan met priesters en orakels. Een mens kan zelfstandig tot inzicht komen in de structuur van de werkelijkheid. Het waarom van bijvoorbeeld een zonsverduistering werd niet gezocht in de streken van een god, maar in puur materiële verhoudingen.

De aardse en bovenaardse natuurverschijnselen worden niet gestuurd door goden, en zijn ook geen verschijning van goden. Het is niet een onsterfelijk, oppermachtig wezen dat iedere dag van horizon naar horizon trekt; het is een vurige bal. De werkelijkheid bestaat simpel uit dingen, die veranderen als gevolg van wetmatigheden, en niet als gevolg van goddelijke autoriteiten.

Natuurwetenschap[bewerken]

Voor de afstand van mythen is de omstandigheid van belang dat de Griekse kolonisten aan de Ionische kusten ijverig handel dreven met allerlei gebieden rond de Middellandse Zee. Hierdoor had men contacten met o.a. het Griekse moederland, maar daarnaast ook met niet-Griekse culturen in Voor-Azië, Egypte, Fenicië en Zuid-Italië, die een belangrijke invloed zouden uitoefenen. Voor die handelscontacten was nadere kennis nodig van geografie, weer, windrichtingen, maanstanden en rekenen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat het verlangen naar feitelijke kennis zich in eerste instantie naar deze zaken uitstrekte. In deze tijdsfase overheerste daarom vooral natuurwetenschap. Zo moest men bijvoorbeeld kunnen berekenen met welke windrichting men een bepaalde afstand binnen een zekere tijdsduur volgens een bepaalde koers zou kunnen afleggen.

Enkele voorbeelden:

Thales van Milete voorspelde de zonsverduistering op 28 mei 585 v.Chr. Hij berekende de hoogte van de piramiden aan de hand van hun schaduw. Hij verdeelde het jaar in 365 dagen.
Anaximander tekende de eerste "westerse" geografische kaart en stelde de aarde voor als een cilinder met een hoogte van driemaal de doorsnede. Verder verklaarde hij dat mensen een ontwikkeling hadden doorgemaakt vanuit de vissen.
Pythagoras probeerde via een mathematisch systeem alles tot cijfers te herleiden. Bekend is de "Stelling van Pythagoras", maar even belangrijk is zijn eerste mathematische beschrijving van het systeem van toonladders.

Zoektocht naar de Archè[bewerken]

De presocratici zijn van belang omdat ze eveneens een aantal tot vandaag fundamentele vragen hebben opgeworpen over onder andere het veranderlijke en het blijvende, beweging en rust, het vele en het ene, het worden en het zijn.

Een van die vragen, namelijk die over het veranderlijke en het blijvende, bleek gelijktijdig een intrigerende paradox te bevatten. In de veranderlijke dingen in de realiteit merkt men gelijktijdig ook op dat achter alle veranderlijke dingen ook iets blijvends is. Meer bepaald een oerstof of Archè. Deze is volgens de presocratici overal identiek, de bron van alles wat leeft. De Ioniërs zoeken het wezen van de Archè en geven daar hun visie over:

Vroege natuurfilosofen:

Thales : water of het vochtige is de Archè of oorsprong van alles. Zijn bevindingen kunnen we met verschillende voor zijn tijd verstaanbare oorsprongen staven. 1. In de Mesopotamische en Egyptische beschavingen is water van cruciaal belang. Tevens in de mythologie van beide is de Aarde ontstaan uit oerwateren. 2. In de Griekse mythologie is god Oceanus Ilias de oorsprong van alles. 3. Organische wezens hebben water nodig om te overleven. 4. Water kan verschillende gedaantes aannemen: bedampen of bevriezen.

Anaximander: het "apeiron" (ἀπειρον) (onbepaalde, grenzeloze, oeverloze waarin geen oriëntering bestaat). Ontstaan en vergaan geschiedt vanuit een grenzeloos tijdsgebeuren (ἐξ ἀπειρου ἀιονος); ze horen bij elkaar: alles is afgesplitst van dat onbepaalde.

Anaximenes: lucht (= element tussen extremen aarde en vuur) is de oerstof of archè verantwoordelijk voor veranderingen. Veranderingen die enerzijds ontstaan door een verdichtingsproces: een afkoeling waardoor uit lucht nieuwe elementen ontstaan, namelijk: water, wolken en aarde. En verdunning anderzijds die verantwoordelijk is voor de vorming van lucht tot vuur.

Heraclitus:

Heraclitus vuur is het oerelement: "Deze kosmos, dezelfde voor alles, schiep noch god, noch mens, maar hij was en is en zal zijn: altijdlevend vuur." (Fragment 30)

Pythagoras en de pythagoreeërs:

Pythagoras: de harmonie van de wereld berust op interne getallenverhoudingen.

Wijsbegeerte en ethiek[bewerken]

Uiteindelijk zal men komen tot zuivere filosofie wanneer het "denken" in de nabijheid van het "Zijn" wordt gebracht, zoals dat bijvoorbeeld bij Parmenides gebeurt.

Enkele voorbeelden:

Thales: God is wat noch aanvang, noch einde heeft. Deugdzaam leven bestaat in nooit te doen wat wij in anderen veroordelen.
Pythagoras: de ziel is onsterfelijk en vindt in een lang louteringsproces steeds hernieuwde belichamingen. (Wedergeboorte-theorie vanuit India!)
Herakleitos/Heraclitus: physis heeft de neiging tot verborgen-zijn. "Strijd is de vader van alle dingen, de koning van alle dingen". De wereld wordt door de "logos" bepaald, de wetmatigheid van het geheel der tegenstellingen; de afwisselingen leidt altijd tot een voortdurend "worden".
Parmenides richt zich radicaal af van de zinnelijke wereld-verbondenheid en richt zich volledig op het Denken : "Ontdek door denken (nous) dat, wat weg is, als zeker er zijnd."
Of: "Hetzelfde is namelijk daar voor Denken en Zijn" (Fragm. 4 en 3)

Om tot enig overzicht te komen heeft men achteraf de presocratici in een aantal "scholen" ondergebracht, maar daarbij moet bedacht worden dat zij zichzelf zo niet zagen, hoogstens als leerling van een ander.

Lijst van filosofen en scholen[bewerken]

Anaximenes
Pythagoras
Zeno van Elea
Heraclitus

De traditionele indeling van de presocratische filosofen:

Thales (624 - 546 v.Chr.)
Anaximander (610 - 546 v.Chr)
Anaximenes (585 - 525 v.Chr)
Pythagoras (582 - 496 v.Chr)
Philolaus (470 - 380 v.Chr)
Alcmaeon van Croton (Ca. midden 5e Eeuw v.Chr.)
Archytas (428 - 347 v.Chr.)
Xenophanes (570 - 470 v.Chr.)
Parmenides (510 - 440 v.Chr.)
Zeno van Elea (490 - 430 v.Chr.)
Melissus van Samos (Ca. 470 v.Chr. - onbekend)
Leucippus (5e eeuw v.Chr.)
Democritus (460 - 370 v.Chr.)
  • Niet aan een school verbonden:
Heraclitus (535 - 475 v.Chr.)
Empedocles (490 - 430 v.Chr.)
Anaxagoras (500 - 428 v.Chr.)
Diogenes van Apollonia (ca. 460 v.Chr. - onbekend)
Protagoras (481 - 420 v.Chr.)
Gorgias (483 - 375 v.Chr.)
Thrasymachus (459 - 400 v.Chr.)
Callicles
Critias (460 - 403 v.Chr.)
Prodicus (465 - 390 v.Chr.)
Hippias (485 - 415 v.Chr.)
Antiphon (480 - 411 v.Chr.)

Andere groeperingen[bewerken]

Solon
Anacharsis

Deze lijst vermeldt ook een aantal mannen, in het bijzonder de Zeven Wijzen, die in de praktijk eerder bekend waren als actieve politici, of bekend waren omwille van hun praktische wijsheid, eerder dan als speculatieve denkers of filosofen in de moderne betekenis van het woord.

Solon (ca. 594 v.Chr.)
Chilon van Sparta (ca. 560 v.Chr.)
Thales
Bias van Priene (ca. 570 v.Chr.)
Cleobulus van Rhodos (ca. 600 v.Chr.)
Pittacus van Mitylene (ca. 600 v.Chr.)
Periander (625 - 585 v.Chr.)

Zie ook[bewerken]