Planeet

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
De relatieve grootte van de planeten Uranus (linksachter), Neptunus (rechtsachter), Aarde (linksvoor) en Venus (rechtsvoor) uit ons zonnestelsel en de ster Sirius B (midden).

Een planeet is een hemellichaam dat om een ster beweegt. Planeten hebben genoeg massa om een ronde vorm te benaderen, maar te weinig massa om in hun binnenste tot kernfusie te leiden, zodat ze zelf geen licht geven.[1] In het Zonnestelsel bewegen acht planeten om de Zon. De Aarde is daarvan zeer waarschijnlijk de enige waarop leven voorkomt. In het sterrenstelsel waartoe de Zon behoort, de Melkweg, hebben waarschijnlijk de meeste sterren een planetenstelsel, waarbij een of meerdere planeten rond de ster bewegen.

De wetenschap die zich bezighoudt met het bestuderen van planeten en andere hemellichamen heet planetologie.

Oorsprong van de term[bewerken]

Vanaf de Aarde gezien bewegen planeten elk op hun eigen manier langs de hemelbol en verplaatsen ze zich tussen de sterren. Aan dit gedrag danken planeten hun Griekse naam zwerver of de vroeger in het Nederlands gebruikte term dwaalster. De naam is afkomstig van het Griekse πλανήτης (planētēs), dat zelf weer teruggaat op πλανὰομαι (planáomai), wat ronddolen, rondzwerven betekent. Dat had in het Oud-Grieks betrekking op een kudde vee die ronddoolde op de wei.

In de Griekse oudheid werden alle hemellichamen die niet met de sterrenhemel meebewogen als planeet geclassificeerd. Naast de toen bekende planeten Mercurius, Venus, Mars, Jupiter en Saturnus werden ook de Zon en de Maan als planeet beschouwd.

Na het verwerpen van de leer van het geocentrisme en het aannemen van de heliocentrische theorie werd de Aarde aan het rijtje van planeten toegevoegd en de zon ervan geschrapt. Toen Galileo Galilei manen rond Jupiter ontdekte werd ook de maan van de Aarde niet langer als planeet gezien. Lange tijd werd "elk hemellichaam dat rond de Zon draaide en niet rond een ander hemellichaam" als planeet geclassificeerd. Later is deze definitie regelmatig gewijzigd en verder gespecificeerd.

Montage van de planeten van het zonnestelsel inclusief onze maan in volgorde vanaf de zon naar buiten (planeten niet op schaal).

Planeten in ons Zonnestelsel[bewerken]

Bovenaan een stukje van de zon, daaronder de acht planeten op schaal.
1rightarrow blue.svg Zie Zonnestelsel voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Ons zonnestelsel bevat acht planeten. Vanaf de zon gezien zijn dat (genummerd volgens plaatje rechts):

  1. Mercurius
  2. Venus
  3. Aarde
  4. Mars
  5. Jupiter
  6. Saturnus
  7. Uranus
  8. Neptunus

Vrijwel alle planeten zijn (in Europese talen) vernoemd naar Romeinse goden. De enige uitzonderingen zijn Uranus (vernoemd naar een Griekse godheid) en Aarde.[2]

Over de naamgeving van planeten buiten ons zonnestelsel bestaat geen eenduidigheid. Veelal wordt de naam of aanduiding van de ster waar de planeet omheen draait gebruikt, voorzien van een extra letter.

Classificatie[bewerken]

Op basis van samenstelling kunnen planeten worden ingedeeld in aardse of terrestrische planeten, gasreuzen of ijsreuzen. Aardse planeten kenmerken zich door de aanwezigheid van een steenachtig oppervlak. Binnen ons zonnestelsel worden Mercurius, Venus, Aarde en Mars daartoe gerekend. Jupiter en Saturnus behoren tot de gasreuzen omdat deze grote planeten geen vast oppervlak hebben. In het verleden werden ook Uranus en Neptunus tot de gasreuzen gerekend, maar naarmate de kennis van het zonnestelsel toenam, is er voor deze planeten een aparte categorie gemaakt: de ijsreuzen, omdat ze voornamelijk bestaan uit bevroren methaan, ammoniak en water.

Voor de classificatie van planeten buiten ons zonnestelsel (exoplaneten) zijn, onder andere door de moeilijke waarneming (ze worden zelden rechtstreeks waargenomen maar hun bestaan wordt bijvoorbeeld afgeleid uit de afwijking in de baan van de sterren), nog geen regels vastgesteld.

Onderscheid met andere lichamen[bewerken]

De Internationale Astronomische Unie (IAU) erkent als planeet lichamen die:

  1. in een baan om een ster bewegen en zelf geen ster of maan (satelliet) van een planeet zijn;
  2. voldoende zwaartekracht hebben om de krachten van een vast lichaam te overwinnen en daardoor een hydrostatisch evenwichtige (vrijwel ronde)) vorm aannemen;
  3. de omgeving van hun banen hebben "schoongeveegd" van andere objecten.

Als wel aan de eerste twee voorwaarden wordt voldaan, maar niet aan de derde, wordt het betreffende hemellichaam een dwergplaneet genoemd. Een voorbeeld van een dwergplaneet is Ceres, die een baan in de planetoïdengordel tussen de banen van Mars en Jupiter heeft. In de Kuipergordel, buiten de baan van Neptunus, komen meer dwergplaneten voor. De bekendste daarvan is Pluto. Andere voorbeelden zijn Eris, Sedna en Quaoar. Objecten die zich in een baan buiten Neptunus bevinden, maar nog steeds om de Zon draaien, worden ook geclassificeerd als transneptunisch object. Pluto werd lang als planeet beschouwd, maar met de ontdekking van Eris in 2005 kwam de status van Pluto ter discussie te staan. De IAU nam daarop de bovenstaande definitie aan waardoor Pluto de planeetstatus verloor.

Objecten die zo weinig massa hebben dat de eigen zwaartekracht ook niet groot genoeg is om een bolvorm te benaderen, worden planetoïden genoemd.

Het verschil tussen een bruine dwerg en een planeet is dat bij de eerste wel (enige) kernfusie plaatsvindt en bij planeten niet. Ook is de ontstaanswijze anders.

Ten slotte verschilt een planeet van een maan omdat een planeet rond een ster beweegt. Een maan beweegt rond een planeet, dwergplaneet, planetoïde, of eventueel een andere maan. Bij een maan ligt het gemeenschappelijke zwaartepunt waaromheen beide objecten draaien binnen de oppervlakte van de planeet. Wanneer de massa van de maan groot genoeg is om het massamiddelpunt buiten het oppervlakte van de planeet te plaatsen, spreekt men van een dubbelplaneet. Bij de dwergplaneet Pluto en diens maan Charon ligt dit punt buiten Pluto, zodat er sprake is van een dubbeldwergplaneet. Omdat Charon kleiner is dan Pluto, wordt Charon desondanks vaak als maan beschouwd.

Ontdekkings- en verkenningsgeschiedenis[bewerken]

Enkele relatief dicht bij de Aarde staande planeten zijn in de oudheid al beschreven doordat deze met het blote oog zichtbaar zijn. Mercurius was rond 3000 v.Chr. bekend bij de Sumeriërs onder de naam Ubu-idim-gud-ud. De eerste gedetailleerde beschrijvingen van Venus dateren uit de 17e eeuw v.Chr., eveneens door de Sumeriërs. Mars was bekend in het Oude Egypte, en de Arabieren noemden deze planeet "Al Qahira", dezelfde naam als de stad Caïro. Ook Jupiter en Saturnus waren in de oudheid bekend, doordat deze planeten vaak als zeer heldere sterren aan de hemel stonden. Andere planeten zijn vanaf Aarde niet met het blote oog zichtbaar.

In 1610 ontdekte Galileo Galilei met een telescoop de vier grootste manen van Jupiter, de eerste manen rond een andere planeet. Uranus (1781) en Neptunus (1846) werden voor het eerst waargenomen met behulp van telescopen. In 1930 werd Pluto voor het eerst waargenomen tijdens het vergelijken van fotografische platen.

Vanaf halverwege de jaren negentig van de 20e eeuw zijn de eerste planeten buiten het zonnestelsel ontdekt. Deze exoplaneten zijn uitsluitend met geavanceerde technieken te detecteren. Het Kepler Space Observatory speelt hierbij een grote rol. In november 2007 waren ruim 100 planeten buiten ons zonnestelsel bekend. Op 19 februari 2013 was de stand 861. Een jaar later stond de teller op 1700.[3]

Ontstaan[bewerken]

Planeten ontstaan uit protoplanetaire schijven. Het grootste deel van zo'n schijf klontert in het centrum samen tot een ster. Het overige gas en stof vormt zich langzaam tot planetoïden, die later uitgroeien tot planeten. Bij jonge planeten dicht bij de ster kunnen de lichte gassen verdampen en blijft een rotsachtige kern over. Bij planeten verder van de ster verloopt dat proces niet of veel langzamer. Zie ook het artikel over het ontstaan van een zonnestelsel.

Zie ook[bewerken]

Externe link[bewerken]

Zoek dit woord op in WikiWoordenboek