Sofistiek

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De sofistiek is een Griekse, filosofisch beweging die in de 5e eeuw v.Chr. voortvloeide uit de presocratische filosofie. Ze bestond uit sofisten ('leraren') rondtrekkende onderwijzers die tegen betaling les gaven in ethiek, logica en retorica. De sofisten kwamen uit het gehele Griekse cultuurgebied, maar in tegenstelling tot de presocraten waren ze met name actief in Griekenland, en dan vooral Athene in de tweede helft van de 5e eeuw v.Chr. Alleen Callicles en Antiphon waren oorspronkelijk Atheens. De sofistiek begon met Protagoras van Abdera en Gorgias van Leontini.

Ontstaan[bewerken]

De presocraten focusten zich vooral op natuurfilosofie, wetenschappelijk onderzoek en metafysica, terwijl de sofisten zich vooral richtten op de taal, de mens en de menselijke instituties. De presocraten probeerden sinds de 7e eeuw v.Chr. op argumentatieve en theoretische wijze de wereld te verklaren en te begrijpen, en daaruit vloeide de sofistische antropocentrische focus, kennistheoretische kritiek uit voort, die bestond uit politieke, morele en sociale filosofie.

Die verschuiving hing samen met een groeiende waardering voor het menselijke vernuft door bijvoorbeeld de overwinning op de Perzen en technologische vooruitgang in de 5e eeuw v.Chr. Dat sofisten actief waren in Athene kwam doordat de stadstaat in deze periode een welvarend, cultureel en politiek machtscentrum werd. Het bestaande onderwijs was gebrekkig, en de sofisten kwamen tegemoet aan de groeiende behoefte van welgestelde mannen aan een goede opleiding. Door hun onderwijs in de retorica vergrootten de sofisten de kans van mannen op succes in de politiek en in de rechtszaal.

Werkwijze[bewerken]

De sofisten reisden van stad tot stad in het Griekse cultuurgebied. Ter plaatse hielden ze publieke lezingen in bijvoorbeeld gymnasia en de volksvergadering (ekklèsia), waarbij ze bijvoorbeeld optraden als ambassadeurs van een andere stad, zoals Gorgias deed. Ze verbleven bij een prominent lid van de gemeenschap die optrad als beschermheer. Zo logeerden Protagoras en Prodicus bij zijn bezoek aan Athene bij de miljonair Callias (Plato, Protagoras). Tijdens hun reizen hadden ze soms leerlingen bij zich.

Sofisten verdienden geld door les te geven. De tarieven waren hoog. Zo zou Protagoras voor zijn opleiding 100 minae hebben gevraagd, wat neerkomt op $160.000 of £100.000. Er bestonden ook goedkopere, kortere cursussen. Prodicus bood zo'n cursus over etymologie aan voor 1 drachme, het dagloon van een arbeider. De lessen hadden globaal als doel om van iemand een succesvol burger te maken door het woord te kunnen nemen in de volksvergadering of een gedegen pleidooi te houden in een rechtszaak. Ze onderwezen in onder andere vechtsport, wiskunde, staatkunde, recht, taalkunde, literatuur, lezen, schrijven en logica. Veel van die onderwerpen stonden in het teken van het formuleren van een overtuigend betoog. Dergelijk onderwijs vond plaats in de privésfeer, waarbij ze hun (encyclopedische) kennis deelden aan leerlingen, die proefredes bestudeerden, topoi en retorische trucs uit het hoofd leerden, en oefenden in het argumenteren voor en tegen eenzelfde stelling (antilogia), zoals een juridisch thema.

De precieze aanpak en focus verschilde niettemin tussen sofisten, zodat niet gesproken kan worden van één filosofische school. Zo richtte Gorgias zich vooral op poëtische effecten en zinsstructuur, terwijl Prodicus vooral belang hechtte aan correct, nauwkeurig woordgebruik en subtiele onderscheidingen tussen synoniemen.

Denkbeelden[bewerken]

In de denkbeelden van de sofisten bestaan enkele patronen. De eerste en meest opvallende is het veronderstelde onderscheid tussen natuur (physis) en cultuur (nomos). Daarmee is niet uitgesloten dat de mens in zijn aard tot op zekere hoogte een groepsdier is, maar Protagoras en Antiphon vonden bijvoorbeeld dat de menselijke natuur door middel van cultuur kon en moest worden verbeterd omwille van de beschaving. De mens kon dus onderwezen worden in bepaald handelen. Protagoras stelde: 'De mens is de maat van alle dingen'. Daarmee doelde hij op de relativiteit van waarden. De ethische implicatie daarvan is dat er geen objectief criterium is voor goed of slecht gedrag. Normen van goed en kwaad werden gemeten aan de belangen van de individuele mens. Daarom gaat het Protagoras om het aanleren van nuttig (chrêsimos) gedrag.

Een vraag die sofisten zich stelden was of deugdzaamheid en uitmuntendheid (aretê) kunnen worden aangeleerd. Tot op zekere hoogte ging dat. De relativering van waarden leidde niet alleen tot een zekere relativering van deugdzaamheid, maar ook van het belang van de familie, de status van bezit, de positie van de vrouw, slavernij, het onderscheid tussen Grieken en de 'barbaren' en het bestaan van de goden. Enkele presocraten hadden reeds expliciet de traditionele godsopvattingen bekritiseerd, en nu verkondigden enkele sofisten openlijk dat ze agnost of atheïst waren. Tot slot werd het natuurrecht gesteld tegenover het door de gemeenschap vastgestelde recht.

De sofisten pretendeerden niet dat ze tegenstellingen konden oplossen, maar gebruikten deze juist als uitgangspunt voor hun dialectiek, waarmee de vaardigheid tot argumenteren kon worden beoefend. Ze vonden het gesproken woord het belangrijkste en hielden zich bezig met retorica met als doel vooruit te komen in het leven door zich goed uit te drukken en mensen te kunnen overtuigen. Het is in dit kader, dat hun filosofische, ethische en wetenschappelijke uitspraken moeten worden gezien. Gorgias schreef bijvoorbeeld de tekst Over het niet-bestaande, waarin hij op logische wijze betoogt dat het bestaande niet kan bestaan. Het doel was om de spot te drijven met de Eleatische filosofie en de kracht van argumentatie te laten zien. Hij schreef dan ook: 'De spraak is een machtige heer' (De encomium van Helena, 8).

Reputatie en invloed[bewerken]

Sofistisch onderwijs was duur en alleen toegankelijk voor rijke mannen. Dit wekte mettertijd meer en meer argwaan bij het gewone volk. Ook schijnen mettertijd sofisten te hebben bestaan die van de retorica slechts een middel om zijn gelijk te krijgen maakten. In de tweede helft van de 5e eeuw v.Chr. begint het begrip sofist negatieve connotaties te krijgen, zoals blijkt in het oeuvres van Plato en Aristophanes. De combinatie van het ter discussie stellen van gewoonten en wetten en het stelselmatig zoeken naar tegenstellingen leidde ertoe dat de sofisten steeds meer als een bedreiging voor de bestaande orde werden beschouwd. Het is daarom begrijpelijk dat in 432 v.C. een wet werd aangenomen tegen o.a. de asebeia van de sofisten. Het woord sofist kreeg vooral in conservatieve en aristocratische kringen een bijbetekenis van drogredenaar, iemand die recht praat wat krom is. Een sofisme wordt dan een synoniem van drogreden. Een weerslag van deze conservatieve afkeuring op dit soort sofisten vindt men vaak bij Aristophanes, en zelfs specifiek in zijn blijspel Wolken.

Ook werden sofisten niet door iedereen beschouwd als echte filosofen. Dit negatieve oordeel zou doorwerken tot in de moderne tijd. Sofistische invloed is niettemin in diverse vijfde- en vierde-eeuwse teksten te zien, zoals het Corpus Hippocraticum, toespraken in het geschiedkundige werk van Thucydides, passages in het oeuvre van Euripides, Plato en Demosthenes. In de Romeinse keizertijd heeft de sofistiek een andere betekenis gekregen. Welsprekendheid en opleiding van de jeugd bleven belangrijke elementen, maar de filosofie verdween naar de achtergrond. Om onderscheid te maken met de sofistiek uit de 5e eeuw v. Chr., introduceerde Flavius Philostratus reeds in de 3e eeuw de term tweede sofistiek.

Belangrijke sofisten[bewerken]

Bronnen[bewerken]

Van enkele sofisten zijn teksten bewaard gebleven, zoals redes van Gorgias en Isocrates. De meeste teksten zijn echter verloren gegaan, zodat we afhankelijk zijn van citaten en parafrases van latere auteurs. Een belangrijke bron is Plato, met zijn dialogen Protagoras, Gorgias, Hippias Major, Hippias Minor, Euthydemus en De staat boek I. Deze werken waren literaire fictie, maar soms komen hier oorspronkelijke gedachten en bewoordingen van sofisten in voor. Andere klassieke bronnen zijn Aristoteles' Retorica,en Xenophons Memorabilia. In de hellenistische en Romeinse tijd komen testimonia bij diverse auteurs voor, zoals Cicero en Philostratus' Leven van de sofisten.

Bronnen[bewerken]

  • Dillon, J. (vert.). The Greek Sophists. London: Penguin, 2003, blz. ix-xxii.
  • Waterfield, R. (vert.). The First Philosophers. The Presocratics and Sophists. Oxford: Oxford University Press, 2000.