Pherecydes van Syros

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Pherecydes
Φερεκύδης
Pherecydes, moderne buste. Ano Syros, Hermoupolis (Ermoupoli), Syros.
Pherecydes, moderne buste. Ano Syros, Hermoupolis (Ermoupoli), Syros.
Persoonsgegevens
Naam Pherecydes van Syros
Geboren Syros, ± begin zesde eeuw v.Chr.
Overleden ± laat zesde eeuw v.Chr.
Land Syros, Cycladen
Functie Filosoof, kosmoloog, theogonist, etymoloog
Oriënterende gegevens
Stroming Presocratische filosofie
Reactie op Hesiodus, traditionele theologie
Beïnvloed door Hesiodus; Cilicische, zoroastrische en Fenicische goden en mythen
Beïnvloedde Pythagoras, orfisme.
Portaal  Portaalicoon   Filosofie
Pherecydes van Syros

Pherecydes van Syros (Oudgrieks: Φερεκύδης, Ferekydēs) was een mythograaf en kosmoloog uit de zesde eeuw v.Chr. en afkomstig van het Cycladische eiland Syros. Volgens klassieke bronnen was hij een leerling van de filosoof Pittacus en later de leraar van Pythagoras.[p 1] Soms wordt hij gerekend tot de Zeven Wijzen. Pherecydes zou de eerste zijn die een prozawerk schreef over de natuur en de goden.[p 2] Van dit werk is nagenoeg niets bewaard gebleven. Wel zijn er parafraserende opmerkingen bij latere auteurs.

Leven[bewerken]

Over de identiteit van Pherecydes bestond in de oudheid onduidelijkheid omdat er twee auteurs met die naam waren die beiden over mythologie schreven: Pherecydes van Syros en Pherecydes van Athene (of Leros). De laatstgenoemde wordt vaak in de vijfde eeuw v.Chr. geplaatst. Tegenwoordig verschillen onderzoekers van mening over of dit inderdaad twee verschillende personen zijn.[1] Vaak neemt men aan van wel. Over Pherecydes van Syros en zijn werk zijn zo'n 180 fragmenten bewaard gebleven in klassieke bronnen. 140 daarvan zijn scholia. Die zijn vaak uitgebreider dan de vermeldingen bij auteurs als Strabo, Plutarchus en Athenaeus. Verder zijn verwijzingen qua informatie-inhoud karig. Hellenistische en Romeinse mythografen zoals pseudo-Apollodorus en Hyginus vermelden hem wel, maar vaak niet in detail.[2]

Pythagoras zou de leerling geweest zijn van Pherecydes. Volgens een traditie verzorgde hij hem tijdens zijn ziekte tot aan zijn dood, waarna hij hem begroef op Delos.

Over Pherecydes' leven is bijna niets bekend. De meeste informatie is waarschijnlijk ook niet historisch maar fictief. Zijn vader was Babys, die vermoedelijk uit zuidelijk Anatolië kwam.[3] Pherecydes leefde vermoedelijk halverwege de zesde eeuw v.Chr. Klassieke bronnen verschillen echter over de jaartallen. Hij zou geboren zijn tijdens het bewind van koning Alyattes in Lydië (ca. 605-560 v.Chr.) en was een tijdgenoot van de Zeven Wijzen in de vroege zesde eeuw, dan weer van Cyrus in de tweede helft van de zesde eeuw, of zijn bloeitijd lag rond de negenvijftigste olympiade (544-541 v.Chr.). Volgens een andere bron was hij een generatie jonger dan de filosoof Thales (624-545 v.Chr.) en dus een oudere tijdgenoot van de presocraat Anaximander.[4]

De datering van Pherecydes als een oudere tijdgenoot van Anaximander past bij de pythagoreïsche traditie waarin Pherecydes als leermeester geldt van Pythagoras.[5] Heraclitus verwees naar Pythagoras' studies en 'veelweterij',[p 3] en omdat in de zesde eeuw niet veel prozatraktaten bestonden, las Pythagoras mogelijk het werk van Pherecydes, en nam hij het idee van reïncarnatie over.[6] De historiciteit van de connectie tussen beide is echter bediscussieerd, omdat Pythagoras' filosofie verder geen verwantschap vertoont en omdat hij in de loop der tijd allerlei leermeesters kreeg toegedicht.[7] Aristoteles stelde in de vierde eeuw v.Chr. niettemin dat beiden bevriend waren, en het verhaal over hun vriendschap stamt zeker uit de vijfde eeuw v.Chr. Dat beide filosofen elkaar ooit ontmoet hebben, wordt niet betwijfeld.[8]

Volgens Diogenes Laërtius zou Pherecydes onderwezen zijn door Pittacus, maar volgens de Suda onderwees hij zichzelf nadat hij de hand wist te leggen op 'de geheime boeken van de Feniciërs'.[p 4] Dit wijst er in elk geval op dat in de late oudheid geen leermeester meer bij naam bekend was.[9] Pherecydes werd aangeduid als 'wijze' (sophos), maar alleen Servius noemt hem een filosoof (philosophus).[p 5] Aristoteles plaatst hem tussen theologen en filosofen in, omdat hij zich niet volledig mythisch uitdrukte (zoals Homerus en Hesiodus wel deden).[p 6][10]

Pherecydes was volgens een brief van pseudo-Thales 'honkvast'.[p 7] Volgens andere bronnen reisde hij door het Griekse cultuurgebied, met bestemmingen als Delphi, de Peloponnesus, Efeze en Samos. Samos is niet onwaarschijnlijk, omdat daar het beroemde Heraion stond. Volgens Flavius Josephus en Byzantijnse schrijvers zou Pherecydes tevens een reis hebben gemaakt naar Egypte. Dit is echter een topos dat ook deel uitmaakt van de biografieën van andere filosofen.[11]

Wonderbaarlijkheden[bewerken]

Aan Pherecydes werden diverse wonderbaarlijkheden toegeschreven. Hij zou bijvoorbeeld op Syros een voorspelling gedaan hebben over een aardbeving na het drinken van water uit een put. Op Samos voorspelde hij het vergaan van een voorbij varend schip toen hij op het strand liep, en het zonk ter plaatse. Toen hij in Messene aankwam, waarschuwde hij zijn vriend Parilaus dat de stad veroverd zou worden. Tot slot zou Heracles hem in een droom hebben opgedragen om tegen de Spartanen te zeggen dat zij geen waarde moeten hechten aan zilver of goud, en diezelfde nacht zou Heracles de koning van Sparta in zijn slaap gezegd hebben naar Pherecydes te luisteren.[p 8] Die wonderen werden echter ook aan Pythagoras of Epimenides toegeschreven.

Volgens Apollonius de Paradoxograaf deed Pythagoras Pherecydes na in diens 'wonderwerken'.[p 9][12] De verwarring bij latere auteurs over de wonderwerken die beide filosofen werden toegedicht is misschien terug te leiden tot het gedicht van Ion van Chios (vijfde eeuw v.Chr.):

'Zo blonk hij [Pherecydes] uit in mannenmoed en waardigheid,
Ook dood is het leven voor zijn ziel een feest.
Indien althans Pythagoras, de wijze, echt
Het denken kende van alle mensen en dat doorhad.'

Hieruit kon men een vriendschap tussen beide mannen afleiden, waardoor verhalen over de een bij de ander konden gaan horen. De onduidelijkheid en tegenstrijdigheden suggereren wel dat in de hellenistische tijd geen betrouwbare biografische gegevens beschikbaar waren.[13]

Dood[bewerken]

Hoewel de Spartanen Pherecydes respecteerden, zouden ze Pherecydes volgens Plutarchus (ritueel) gedood en gevild hebben, waarna ze zijn huid bewaarden.[p 10] Hetzelfde verhaal bestond echter ook over Epimenides.[14] De doxograaf Diogenes Laërtius geeft andere verhalen. De filosoof zou omgekomen zijn bij de strijd tussen Efeziërs en Magnesiërs, of hij zou naar Delphi gegaan zijn om zich van de berg Corycus te werpen, of hij zou bezweken zijn aan vlektyfus ('luizenziekte').[p 11] Volgens Aelianus was die ziekte een straf voor zijn goddeloosheid.[p 12] Dat laatste verhaal was al bekend bij Aristoteles en kan ontstaan zijn door het idee dat wijze mannen zich niet om lichamelijke verzorging bekommerden.[15]

Andere verhalen verbinden zijn dood met Pythagoras. Toen deze nog op Samos woonde, zou hij Pherecydes hebben bezocht op Delos. Hij zou hem daar na diens dood tevens begraven hebben.[p 13] Een vroege variant hierop plaatst deze gebeurtenis later in Pythagoras' leven, toen hij in Croton woonde. Zijn bezoek aan de zieke man verklaarde zijn afwezigheid tijdens de opstand van Cylon in die stad.[16] Deze verhalen zijn wellicht voortgekomen uit het verhaal dat Pythagoras een leerling was.[17]

Pherecydes' grafschrift zou als volgt zijn: 'In mij is alle wijsheid bij elkaar; indien er grotere wijsheid is, zeg dat die bij mijn vriend Pythagoras te vinden is omdat hij de eerste van alle Grieken is; ik lieg met deze woorden niet.'[p 14]

Gedachtegoed[bewerken]

Het orfische ei met de oerslang volgens de orfische theogonieën. Volgens Apollonius van Rhodos (Argonautica, I, 503) waren de slangengod Ophion en zijn vrouw Eurynome de eerste vorsten.

Van Pherecydes' wetenschappelijke, theologische en filosofische activiteiten is weinig bekend. Hij zou als denker bekend zijn geweest met orfische dichtwerken, geloofd hebben in reïncarnatie en astronomisch onderzoek hebben gedaan. Diogenes Laërtius vermeldde dat op Syrus nog altijd Pherecydes' zonnewijzer (gnomon) bestond, maar de historiciteit van dit alles is discutabel.[18] Vast staat, dat Pherecydes de Heptamychos schreef, een theogonisch werk dat brak met de poëtische en theologische traditie, en dat oosterse invloeden vertoont.

Pythagoras en het orfisme[bewerken]

Tussen Pherecydes, Pythagoras en het orfisme bestaan enkele verbanden die al door klassieke auteurs werden gelegd. Mogelijk geloofden de orfici in reïncarnatie (metempsychosis), maar Pythagoras deed dat zeker. Wellicht beschouwde Pherecydes de ziel wel als onsterfelijk deel van de lucht of ether.[19] Cicero schreef echter dat Pherecydes echter de eerste in Griekenland was met deze leerstelling.[p 15] Bij het onderwerp reïncarnatie kan desondanks sprake zijn van verwarring van Pherecydes met Pythagoras in latere tijd.[p 16] Toch is er een kort fragment waarin Pherecydes het heeft over ambrozijn van de maan.[p 17] In Indiase teksten is de maan een vat waaruit de goden soma (godendrank) drinken en is ze belangrijk in de reïncarnatietheorie als bewaker van de hemel.[20]

Vier tekstfragmenten verbinden Pherecydes met reïncarnatie. De christen Apponius vermeldt Pherecydes' geloof in zielsverhuizing in zijn betoog tegen moord en executies omdat een goed leven beloond en een slecht leven bestraft wordt in het hiernamaals.[p 18] De middenplatonist Numenius verwijst net als Apponius naar het idee dat de ziel het lichaam binnentreedt via het zaad, en vermeldt een rivier in Pherecydes' voorstelling van de onderwereld.[p 19] De neoplatonist Porphyrius voegt daar 'hoeken, kuilen, grotten, deuren en poorten' aan toe waarlangs de zielen reizen.[p 20] De Hades is een tussenstop in de tocht van de ziel. Tot slot meldt de redenaar Themistius dat Pherecydes net als Pythagoras doding als grote zonde beschouwde.[p 21] Dit suggereert dat onzuivere daden in een volgend leven of na de dood moeten worden uitgeboet.[21]

Pythagoras zou gedichten hebben gepubliceerd onder de naam van Orfeus, terwijl Pherecydes orfische poëzie had gebundeld. De theogonie van Pherecydes vertoont tot slot overeenkomsten met orfische theogonieën zoals de Rhapsodies. Ook daarin komen eieren, oerslangen, het weven van een kosmisch gewaad en de eeuwige Tijd als god voor die schept met zijn eigen zaad door masturbatie.[22] Het is niet duidelijk of Pherecydes de orfici beïnvloedde of andersom.[23]

Oosterse kennis[bewerken]

Volgens de Suda onderwees Pherecydes zichzelf aan de hand van geheime Fenicische boeken. Het biografische gegeven is waarschijnlijk fictief, maar het verband met Fenicische boeken berust wellicht ergens op. Vermoedelijk is dat de overeenkomst tussen Pherecydes' denkbeelden en oosterse ideeën en motieven. In zijn Theogonie beschrijft hij bijvoorbeeld een belangrijk gevecht in de vroegste tijd tussen Kronos en Ophioneus, en dit motief komt ook in het Midden-Oosten voor.[24] De orfische aspecten van een kosmisch ei, eeuwige tijd als god en oerslangen zijn ontleend aan Midden-Oosterse tradities.[25]

Tevens is Pherecydes in verband gebracht met het zoroastrisme. Isidorus de gnosticus beweert dat Pherecydes zijn allegorische leerdicht baseerde op een 'profetie van Ham'.[p 22] Ham is misschien Zoroaster, die vrij bekend was in de Griekse wereld van de late oudheid. Het is onduidelijk of Isidorus echt zoroastrische invloeden zag in de Theogonie, omdat de circulerende zoroastrische literatuur Grieks en hellenistisch gekleurd was. Ook is niet uitgesloten dat Pherecydes' werk voor Isidorus' tijd inwerkte op zoroastrische literatuur en Isidorus dus misleidde.[26]

De Heptamychos[bewerken]

In de Suda staat dat Pherecydes een boek schreef over kosmologie en de geboorte en opeenvolging van goden, namelijk de Zeven nissen (Heptamychos, Ἑπτάμυχος), Vermening van de goden (Theokrasia, Θεοκρασία) of Theogonia (Theogonia, Θεογονία). Heptamychos is vermoedelijk de originele titel. Sommige onderzoekers nemen aan dat Heptamychos eigenlijk Pentamychos 'Vijf nissen' moet zijn. Damascius schreef namelijk: 'En Chronos maakte uit zijn eigen zaad vuur en wind [of adem] en water [...] waaruit, wanneer ze werden weggelegd in vijf nissen, talrijke nakomelingen van goden werden samengesteld, wat "van de vijf nissen" wordt genoemd, wat misschien hetzelfde is als zeggen "van vijf werelden".'[p 23][27] Het werk bestond volgens de Suda uit tien delen.

Pherecydes schreef zijn werk vermoedelijk in het Ionische dialect van Syros,[28] en publiceerde hij het halverwege het bewind van koning Darius (522-486 v.Chr.). Twee fragmenten ervan uit de derde eeuw n.Chr. zijn bewaard gebleven, en die stonden halverwege de tekst.[29] Het gehele werk overleefde mogelijk de brand van de Alexandrijnse bibliotheek in 47 v.Chr. blijkens die stukken. De openingszin is gegeven door Diogenes Laërtius rond 200 n.Chr. maar kan ook bekend zijn via het lemma in de bibliotheekinventaris van Callimachus.[30] De openingszin luidt:

'Zas [Zeus] en Chronos [de tijd] en Chthoniê [de aarde] waren er altijd. Chthoniê kreeg de naam [aarde], omdat Zas haar gê als eergeschenk [géras] gaf.'[p 24]

De bewaarde fragmenten vormen een eenheid en zijn als volgt:[31]

Grenfell-Hunt papyrus, MS Gr. class. f. 48. Het papyrusfragment toont twee kolommen van Pherecydes' Heptamychos. Het fragment is geïdentificeerd dankzij een opmerking van Clemens van Alexandrië over de inhoud van Pherecydes' boek (Mengelwerk, VI, 9, 4): 'Pherecydes van Syros zegt: "Zas maakt een groot en mooi gewaad, en maakt de aarde en Ogenus erop, en het paleis van Ogenus".'
Oudgrieks Vertaling Vertaling Schibli Vertaling Kirk & Raven
αὐτω ποιεῦσιν τά oἰkία πολλά τε καὶ μεγἀλα. ἐπεὶ δὲ ταῦτα ἐξετέλεσαν πάντα καὶ χρἡματα καὶ θεράποντας καὶ θεράπαίνας καὶ τἆλλα ὅσα δεῖ πάντα. ἐπεὶ δὴ πάντα ἑτοῖμα γίγνεται, τὸν γάμον ποιεῦσιν. κἀπειδὴ τρίτε ἡμέρη γίγνεται τῳ γαμῳ, τότε Ζάς ποιεῖ φᾶρος μέγα τε καὶ καλόν, καὶ ἐν αὐτῶι ποικίλλει Γῆν καὶ ᾽Ωγενὸν καὶ τὰ ᾽Ωγενοῦ δώματα [...] 'Ze maken hem veel en grote hallen, en zodra ze met alles klaar zijn – als de dingen en de dienaren en dienstmeiden en zoveel andere nodige zaken gereed zijn gemaakt – voltrekken ze het huwelijk. Op de derde dag van het huwelijk vervaardigt Zas een groot en mooi gewaad, en daarop beeldt hij Gê en Ogenos [Oceanus] en de verblijfplaatsen van Ogenos af [...]' 'They make him many and large halls, and when they have accomplished everything – that is, when the goods and the attendants and serving-maids and as many other things as were necessary have been made ready – they perform the wedding. On the third day of the wedding Zas fashions a vast and beautiful robe, an on it he depicts Earth and Ocean and the dwelling places of Ocean [...]' 'His halls they make for him, many and vast. And when they had accomplished all these, and the furniture and manservants and maid-servants and everything else necessary, when everything was ready, they hold the wedding. And on the third day of the wedding Zas makes a great and fair cloth and on it he decorates Gê and Ogenos and the halls of Ogenos. [..]'
[...] βουλόμενος γὰρ σεο τοὺς γάμους εἶναι τοὺτωι σε τιμέω. σὺ δέ μοι χαῖρε καὶ σύνισθι. ταῦτά φασιν ὰνακαλυπτήρια πρῶτον γενέσθαι, ἐκ τοὺτου δὲ ὁ νόμος ἐγένετο και θεοῖσι καὶ ἀνθρώποισιν. ἡ δέ μιν ἀμείβεται δεξαμένη εὑ τὸ φᾶρος [...] '[...] "Omdat ik met je wens te huwen, bewijs ik je eer met dit [gewaad]. Verwelkom mij, en vorm een eenheid met mij." Het wordt gezegd dat dit de eerste ontsluiering van de bruid [anakalypteria] was. In deze gebeurtenis vindt het gebruik [van de ontsluiering] onder goden en mensen zijn oorsprong. En zij aanvaardde het gewaad en antwoordde hem [...]' '[...] "Wishing marriage with you I honour you with this [robe]. Welcome me, and form a union with me." It is said that this was the first an akalypteria. From this event, the custom [of anakalypteria] originated among gods and men. And she accepted the robe and answered him [...]' '[...]"for wishing marriages to be yours, I honour you with this. Hail to you, and be my consort." And this they say was the first anacalypteria: from this the custom arose both for gods and for men. And she replies, receiving from him the cloth [...]'

Pherecydes ontwikkelde een unieke, syncretistische theogonie met een nieuw beginstadium, waarin Zas, Chronos en Chthoniê de eerste goden waren en altijd al bestonden. Hiermee was hij waarschijnlijk de eerste.[32] Er is geen creatio ex nihilo. De theogonie is gebaseerd op etymologie, een nieuw begrip van de godheid Kronos en het invoegen van een scheppergod (demiurg). Ook combineerde Pherecydes Griekse mythologie met niet-Griekse mythen en religies. In zijn benaderingswijze was hij volgens Aristoteles vernieuwend, omdat hij brak met de theologische traditie en mythologie combineerde met filosofie. Pherecydes' scheppingsverhaal moest dan ook rationeler en concreter zijn dan Hesiodos’ Theogonia.[33] Die schreef namelijk dat eerst Chaos ontstond (genetos), terwijl Zas, Chronos en Chthoniê eeuwig bestonden (êsan aeí). Het aannemen van een eeuwig grondbeginsel (archè) voor de kosmos was kenmerkend voor presocratische denkers.[34]

Etymologie en oorsprong[bewerken]

Het Luwische taalgebied lag in het noorden van Cilicië. Pherecydes zou niet alleen beïnvloed zijn door Cilicische godsdienst, maar ook door die van de Feniciërs.

Pherecydes interesseerde zich voor etymologie en woordassociaties. Volgens Achilles Tatius vatte hij bijvoorbeeld net als Thales chaos op als het element water.[p 25] Chaos is dan geassocieerd met théesthai ‘stromen’, omdat chaos een ongedefinieerde, wanordelijke toestand is. Verder wordt Rhea Rhê genoemd[p 26] door mogelijke associatie met rhein ‘(uit)stromen’.[35] Hoewel Pherecydes zijn goden waarschijnlijk zag als traditionele godheden, zijn hun namen ongebruikelijk.[36] De gangbare namen waren in de zesde eeuw al traditioneel. Bovendien zijn de namen geen Grieks dialect. De reden voor afwijkende vormen is om de namen te doen lijken op andere woorden en om een oorspronkelijke vorm te construeren.[37]

Zas (genitief: Zantos) lijkt op Zeus. Mogelijk is de verklaring associatie met het voorvoegsel za- ‘zeer’, als in zatheos ‘zeer goddelijk’. Een alternatief is het verbinden van de hemelgod met de aardgodin . De Cypriotische vorm daarvan is namelijk . Een derde interpretatie gaat uit van de genitieve vorm Zantos. Pherecydes' vader Babys was afkomstig van Cilicië, en daar kende men de Luwische god Šanta als Sandes en Sandon. Door Hettieten werd die geïdentificeerd als de hemelgod, door de Grieken als Zeus of Heracles. Op basis van Zeus en Sandon met hun associaties construeerde Pherecydes met Zas-Zantos een grondvorm.[38]

De tijd als scheppende god Chronos was ongebruikelijk en is vermoedelijk oosters. Fenicische mythen en het zoroastrisme hebben een vergoddelijkte Tijd (Zurvan) die eveneens zonder partner creëert met zijn zaad maar de vormgeving van de fysieke wereld overlaat aan een andere god.[39] In latere Griekse poëzie komt Chronos wel voor als personificatie.[p 27][40] In sommige fragmenten staat Kronos, niet Chronos. Dit is niet traditioneel maar kan correct zijn. Volgens Hermias en Probus verbond Pherecydes Chronos namelijk wel met Kronos, wellicht op etymologische gronden.[p 28] Na hem deden Pindarus[p 29] en hellenistische orfici dit ook.[41]

Chthoniê is afgeleid van chthôn ‘aarde’ en chthonios 'in/onder de aarde'. Het gaat om het onzichtbare deel van de donkere, primitieve aardmassa. verwijst daarentegen naar het zichtbare, gedifferentieerde aardoppervlak.[42] De rol van Chthoniê is gerelateerd aan mythen over Cybele in westelijk Anatolië. Herodotus gebruikt chthoniai theai bijvoorbeeld als benaming voor Demeter (moeder aarde) en haar dochter Persephone. Pherecydes beschouwde Chthoniê vermoedelijk als 'moeder van de goden'.[43]

De Babylonische wereldkaart. Kleitablet bewaard in de British Museum (BM 92687).

Tot slot Ogenos ‘Okeanos/Oceanus’. De naam is niet Grieks en is verklaard met het Akkadische uginnacirkel’, omdat Oceanus de aarde omcirkelt,[44] of met het Aramese ôganâ 'basin' of ôgen 'rand/band/omzoming'.[45] Deze oosterse invloed is verondersteld door aan te nemen dat Pherecydes een wereldkaart kende zoals de Babylonische wereldkaart, een kleitablet uit de vijfde eeuw v.Chr. Hier ligt de oceaan namelijk als een cirkel om het land. Een tweede argument is de tekst daarbij, waarin gesproken wordt van 'de vernietigde goden die Marduk [de stormgod] vestigde binnenin de zee', waarna een lijst met monsters volgt. De niet-traditioneel Griekse 'verblijfplaatsen van Ogenos' (Ogenou dómata) zijn tot slot onderdelen van de aarde waarmee Chthoniê bekleed wordt, en lijken op de gebieden voorbij de oceaan op de Babylonische kaart.[46]

Eerste schepping[bewerken]

De titels Penta-/Heptamychos en Theokrasia van het werk geven aan dat nissen (mychoi) en vermenging een belangrijk onderdeel zijn van het scheppingsverhaal.[47] Volgens Porphyrius bevatte dat dan ook allerlei grotten en poorten. In de klassieke oudheid werden grotten verbonden met seksualiteit en geboorte. De nissen zijn hier echter geen stenen grotten in bergen, omdat de wereld nog moet worden gemaakt. Ze zijn holten in de nog primitieve, ongedifferentieerde aardmassa. In een vroeg stadium creëert Chronos met zijn zaad de drie elementen vuur, lucht (pneuma) en water. Het element aarde was al vertegenwoordigd door Chthoniê. Warmte, vochtigheid en 'luchtigheid' waren volgens de Griekse geneeskunde drie eigenschappen van zaad. Door die principes ontwikkelde het embryo zich.[48]

De eerste schepping is een daad van ordening in de kosmos. Die schepping valt samen met de tweedelingen eeuwigheid–tijdelijkheid en zijn–wording. Chronos moet uit de eeuwigheid stappen om te scheppen, en schepping betekent wording.[49] Later gebruikte ook Plato het onderscheid tussen eeuwig zijn en tijdelijke wording.[p 30] Als er vijf nissen zijn geweest in het verhaal, dan corresponderen die met de vijf delen (moirai) van de kosmos: de zee, onderwereld en hemel (homerische driedeling), plus de aarde en de Olympus. Daarom noemt Damascius de vijf nissen 'vijf werelden' en vermeldt de Suda de alternatieve titel Pentamychos.[50]

Volgens classicus Hermann S. Schibli identificeerde Pherecydes eerst vijf nissen (mychoi). Zodra Chronos die vult om te scheppen, veranderen ze in de vijf kosmische regio's (moirai) Uranus ('hemel'), Tartarus, Chaos, Ether/Aer ('lucht() en Nyx ('nacht'). De eerste drie begrippen zijn traditioneel en komen voor in de Pherecydes-fragmenten (bijvoorbeeld fragment DK 7 B4 beneden). Ether en Nyx golden ook als vroege scheppingen bij onder anderen Epimenides en orfici zoals Musaeus. Dichters als Probus en Hermias stelden Pherecydes' Zas bijvoorbeeld gelijk met Ether. Zeus is de Griekse hemelgod, dus Zas zal waarschijnlijk Ether als zijn domein hebben gekregen. De titel Heptamychos in de Suda wordt verklaard door tot slot Gê en Ogenos mee te tellen. Pherecydes schrijft namelijk dat Tartarus beneden de aarde () ligt.[51]

Nissen (mychoi) Gebieden (moirai) Corresponderende goden
1 Uranus Chronos/Kronos
2 Ether/Aer Zas/Zeus
3 Aarde
4 Ogenos Ophioneus en de ophionidae
5 Tartarus windgoden en -godinnen zoals de Harpijen
6 Chaos ?
7 Nyx goden van de onderwereld

De drie elementen worden door Chronos in de nissen geplaatst en vermengd (krasis). Het mengen van elementen in vijf nissen heeft alleen zin als die mengsels in verschillende verhoudingen zijn. In tegenstelling tot de vijfde-eeuwse natuurfilosofie worden uit de mengsels niet de wereld geschapen, maar een tweede generatie goden (theokrasia), waaronder Ophioneus. De gevormde goden ontlenen hun karakteristieken aan het dominante element in elk mengsel en verbinden hen mogelijk aan de vijf regio's.[52]

De elementen kunnen ook een latere, stoïsche herinterpretatie van de tekst zijn. Het argument is dat de elementen, met name lucht/pneuma, anachronistisch lijken en passen binnen Aristotelische en stoïsche fysiologie. Dat betekent dat Chronos' zaad direct de nissen ingaat. Die voorstelling is mogelijk, omdat in een scholium bij de Ilias bijvoorbeeld staat dat Chronos twee eieren met zijn zaad insmeerde en meegaf aan Hera. Zij moest de eieren ondergronds (kata gês) bewaren, zodat Typhon werd geboren, de vijand van Zeus. Typhon is een parallel van Pherecydes’ slangachtige god Ophioneus, de tegenstander van Zas.[53]

De strijd tussen de storm- en hemelgod en de draak Typhon wordt beschreven door Hesiodus in zijn Theogonia. De mythe komt overeen met de strijd die Pherecydes beschrijft. Het motief is echter wijdverbreid en kent oosterse parallellen, zoals Marduk-Tiamat en Teshub-Illuyankas.

Strijd tussen Kronos en Ophioneus[bewerken]

Pherecydes beschreef een gevecht tussen Kronos en Ophioneus dat lijkt op dat van Zeus en Typhon in Hesiodus' Theogonia. Het gevecht is beschreven door Celsus (fragment DK 7 B4):

'Pherecydes vertelde de mythe dat leger werd opgesteld tegen leger, en hij vermeldde Kronos als leider van het ene, Ophioneus van het andere, en hij verhaalde over hun uitdagingen en worstelingen, en dat zij overeenkwamen dat degene die in Ogenos viel, de verliezer was, terwijl zij die hen eruit wierpen en overwonnen de hemel zouden bezitten'.[p 31]

Chronos is hier Kronos geworden. Vermoedelijk heeft Zas als prominente tweede schepper ook deel aan het gevecht, waarna hij Zeus wordt.[54] Ophioneus bestond niet sinds het begin maar werd geboren en had zelf nageslacht (Ophionidai).[p 32] Hij is slangachtig, omdat zijn naam is afgeleid van ophis 'slang'. Traditioneel gold Gaia (Gê) als moeder van Typhon, en wellicht is Chthoniê/Gê hier de moeder van Ophioneus. Die kan Ophioneus alleen hebben voortgebracht in Tartarus, de grot onder de aarde.[55] Anders is de vader misschien Chronos, omdat zijn zaad de nissen van de aarde ingaat.[56]

De inzet van de strijd is kosmische opperheerschappij en doet denken aan de Titanomachie en Gigantomachie uit de traditionele theogonie, waarin de opeenvolgende conflicten tussen goden worden beschreven met de huidige wereldorde als resultaat. In Pherecydes' kosmogonie wordt echter geen aanvankelijke chaos of tirannie overwonnen die wordt gevolgd door het instellen van een nieuwe orde. De scheppende goden zijn eeuwig en gelijkwaardig. Hun orde wordt tijdelijk bedreigd door Ophioneus, maar die dreiging wordt een (her)bevestiging van de goddelijke orde, met Kronos als eerste koning.[p 33][57] Het gevecht is tevens etiologisch, want het verklaarde de mythen over oude zeemonsters in zowel Griekenland als Klein-Azië en het Midden-Oosten.[58]

Huwelijk en tweede schepping[bewerken]

Chronos is de personificatie van de tijd. Dit was niet traditioneel Grieks en komt voor het eerst voor bij Pherecydes. Er zijn oosterse parallellen, en later zouden ook de orfici de Tijd als god beschouwen. Het beeld is van Ignaz Günther, circa 1765-75.

Het oertrio verandert in de loop van de theogonie vermoedelijk in de traditionele Zeus, Kronos en Hera. Dit heeft orfische parallellen: Rhea is Demeter nadat ze Zeus' moeder wordt;[p 34] Phanes wordt tegelijk Zeus en Eros.[59] Hier wordt Chthoniê door het huwelijk Gê, waarna ze de beschermster van het huwelijk is, en dat was traditioneel het domein van Hera. Hera wordt in sommige bronnen verbonden met de aarde.[p 35][60] Het huwelijk is een eenwording (hieros gamos) waarbij Zas het gewaad (pharos) vervaardigt met daarop Gê en Ogenos afgebeeld. Dit is een allegorie voor de scheppingshandelingen (mellonta dêmiourgein). Zas is een demiurg en schept door in Eros te veranderen.[p 36] Dat duidt op erotiek bij het godenpaar. Het gewaad is een bekleding, namelijk van Chthoniê de aardmassa. Zij krijgt dus het gevarieerde aardoppervlak en de omcirkelende oceaan, die haar domein worden.[61] Tevens is het huwelijk etiologisch, want het verklaart de oorsprong van de ontsluiering van de bruid (anakalypteria).[62] Door het kleed wordt Chthoniê aanschouwelijk en levend. Zij is de basismaterie, maar Gê is daar de vorm van.[63]

Het gewaad hangt aan een gevleugelde eik als het geschonken wordt.[p 37] Dit beeld is uniek en heeft verschillende interpretaties.[64] De robuuste eik was traditioneel gewijd aan Zeus en duidt hier vermoedelijk op de solide structuur en fundering van de aarde. De wortels en takken ondersteunen het aardoppervlak. Daaronder ligt de Tartarus, en volgens Hesiodus groeien daarboven 'de wortels van de aarde en de onvruchtbare zee'.[p 38] Pherecydes volgde deze archaïsche voorstelling na.[p 39] De vleugels verwijzen naar de breed uitgestrekte takken van de eik. Daarover hangt het kleed, dat zodoende als aardoppervlak zowel glad als gevarieerd is van vorm.[65]

Het gewaad als mythisch beeld voor het aardoppervlak komt ook voor in enkele orfische teksten. In de Rapsodies is Persephone een rijk gewaad aan het weven dat de kosmos voorstelt, totdat ze wordt weggevoerd door Hades naar de onderwereld. Verder is van een orfisch gedicht de titel Gewaad bewaard gebleven, waarin volgens Epigenes de schering en inslag het ploegen en zaaien van de aarde symboliseren. De zegswijze 'Het aardoppervlak is het gewaad van Persephone' is tot slot in de stijl van vroege pythagoreeërs, die uitspraken kenden als 'tranen van Zeus' voor regen en 'De zee is de traan van Kronos'.[66]

De mythische beelden van de boom als aardse structuur en een gewaad als geschenk bij het huwelijk hebben Griekse cultische tegenhangers. Zo kende men in Plataeae het Daidala-festival, waarbij een eik werd omgehakt om er een beeld van een meisje van te maken dat gekleed werd als bruid.[67] Zeus schonk aan Korè Sicilië of Thebe, terwijl Cadmus een gewaad aan Harmonia schenkt. Toch zijn de beelden wellicht oosters.[68] Er bestaan Mesopotamische parallellen van het paleis met een complex van ruimtes dat voor de bruid en bruidegom wordt gebouwd. Ook zijn er mythen zoals die waarin Anu de hemel als zijn deel neemt, waarop Enlil de aarde neemt en dat als bruidsschat geeft aan Ereshkigal, 'meesteres van de grote diepte' (chthoniê).[69]

Volgorde van het verhaal[bewerken]

In grote lijnen is de volgorde van de reeks gebeurtenissen bekend. Allereerst zijn er de eeuwig bestaande goden Zas, Chthoniê en Chronos. Vervolgens maakt Chronos met zijn zaad elementen in nissen in de aarde, waaruit andere goden voortkomen. Daarna volgt de driedaagse bruiloft van Zas en Chthoniê. Op de derde dag maakt Zas het gewaad van de wereld dat hij aan een gevleugelde eik hangt en aan Chthoniê schenkt. Daarop valt Ophioneus Kronos aan, die hem echter verslaat en Ogenos inwerpt.[70] Het is echter onduidelijk of het gevecht plaats had na het huwelijk van Zas en Chthoniê of erna. Ophioneus wordt Ogenos ingeworpen, en volgens de scheppingsallegorie ontstaat Ogenos pas tijdens het huwelijk. Misschien is Ogenos daarom een latere, hellenistische invoeging.[71]

Ergens na zijn gevecht met Ophioneus werd Kronos waarschijnlijk opgevolgd door Zas, al is hier niets van overgeleverd. Dit wordt geïmpliceerd doordat Zas/Zeus de goden uiteindelijk hun domein in de wereld toewijst. De harpijen gaan bijvoorbeeld Tartarus bewaken.[72] Dat Kronos op de achtergrond verdwijnt, komt door zijn grote verhevenheid. Er is waarschijnlijk geen sprake van gewelddadige machtsovernames. Het argument daarvoor is omdat Aristoteles Pherecydes als halve filosoof opvat doordat deze het filosofische Goede en Schone verbindt met het eerste, heersende principe (archè) van de theologen, en eeuwigheid is volgens Aristoteles verbonden met het goede. De drie oergoden zijn eeuwig, gelijkwaardig en verantwoordelijk voor de wereldorde.[73]

Theogonische parallellen[bewerken]

Er bestaan parallellen tussen Pherecydes' kosmogonie en orfische, zoroastrische, Fenicische en Indiase kosmogonieën.[74]

Pherecydes orfisch Iraans Fenicisch Indiaas
Eeuwige Tijd als god. Eeuwige Tijd als god. Eeuwige Tijd als god. Eeuwige Tijd als god. Eeuwige Tijd als god.
- Epitheton 'niet verouderende' voor Tijd. Epitheton 'niet verouderende' voor Tijd. - -
Uit zichzelf maakt Chronos elementen middels de aarde. Uit de ether maakt Chronos een glanzend ei. Uit hemels licht maakt de zoon van de Tijd, Ohrmazd

(Ahura Mazda), een helder, rond maar vochtig vuur.

Dit vuur wordt een ei.

Uit zichzelf maakt de Tijd een ei en Chusor (demiurg). Tijd maakt de stralende scheppergod Prajapati.
Uit de elementen ontstaan andere goden. Het ei breekt en vormt hemel en aarde. Uit het ei verschijnt

tevens de stralende hermafrodiete god Phanes, identiek aan Eros.

De schaal van het ei vormt de hemel, en het binnenste

is de wereld.

Chusor breekt het ei en maakt er hemel en aarde van. -
Zas (demiurg) verandert in Eros en vormt de details van de wereld. Phanes vormt de details van de wereld. - - Prajapati maakt aarde, zee en hemel.
- - De broer van Ohrmazd, Ahriman (Angra Mainyu),

schept al de kwade dingen in de wereld.

- -

Volgens classicus Martin L. West hebben deze mythen een gezamenlijke bron die zijn oorsprong in de Levant heeft. De grondvorm is als volgt. In het begin was er geen hemel en geen aarde, maar een onbegrensde afgrond van water, gehuld in diepe duisternis. Deze toestand bleef eeuwenlang lang bestaan. Dan bedrijft de hermafrodiete en eeuwige Tijd de liefde met zichzelf. Zo brengt hij een ei voort. Uit dat ei verscheen een stralende scheppergod, die er hemel en aarde van maakte.[75]

Invloed[bewerken]

Pherecydes droeg bij aan de presocratische natuurfilosofie met het ontkennen van creatio ex nihilo (ontstaan uit het niets), en met de beschrijving van drie elementen die worden gemengd. Vermenging (krasis) speelt een rol in latere kosmologieën, zoals die van Anaxagoras, Plato (Timaeus) en het orfische dichtwerk Krater (toegeschreven aan de pythagoreeër Zophyros).[76] De strijd tussen Kronos en Ophioneus was van invloed op de Bibliotheca van pseudo-Apollodorus, die zich baseerde op diverse voorgaande theogonieën, waaronder die van Hesiodus en van orfici. Het verhaal was tevens van invloed op de Argonautica van Apollonius van Rhodos, waarin Orpheus zingt over Ophion en Eurynome die van de troon werden gestoten door Kronos en Rhea. Dat Kronos en Chronos met elkaar geassocieerd werden door de Grieken is tot slot vermoedelijk terug te voeren op Pherecydes.[77]

Edities[bewerken]

  • Diels, H. Die Fragmente der Vorsokratiker. Griechisch und Deutsch. Deel II. Berlijn: Weidmannsch, 1922.
  • Kirk, G.S. & J.E. Raven. The Presocratic Philosophers. A Critical History with a Selection of Texts. Cambridge: Cambridge University Press, 1975 (1957).
  • Schibli, H. Pherekydes of Syros. Oxford: Clarendon Press, 1990.
  • Sturz, F.G. Pherecydis Fragmenta. Leipzig: Cnoblochius, 1824.

Externe link[bewerken]

Referenties[bewerken]