Epicurus

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Epicurus
Ἐπίκουρος
Epicurus
Persoonsgegevens
Geboren Samos, 341 v.Chr.
Overleden Athene, 270 v.Chr.
Oriënterende gegevens
Tijdperk Hellenistische filosofie
Stroming Atomisme,
Ascetisme,
Hedonisme,
Epicurisme
Belangrijkste ideeën Parenklisis,
Statisch en kinetisch genot,
Ataraxia
Reactie op Democritisch atomisme,
Griekse mythologie,
Platonisme
Beïnvloed door Metrodorus, Democritus, Leucippus, Parmenides, Nausiphanes, Aristoteles, Aristippos, Pyrrho, Anaxagoras
Beïnvloedde Hermarchos, Philodemus, Menander, Diogenes van Oinoanda, Lucretius, Horatius, Seneca, Cicero, Gassendi, Marx, Bentham, Jefferson, Voltaire, Hobbes, Rousseau, Mill, Spinoza, Locke, Nietzsche, Hume, Tsuji
Belangrijkste werken
(Περὶ Φύσεως, Peri Physeos): Over de Natuur
(Κύριαι Δόξαι, Kuriai Doxai; Ratae Sententiae): Authentieke leerstellingen
(Sententiae Vaticanae): Vaticaanse leerstellingen
Brieven aan Herodotus, Pythocles en Menoikeus
Portaal  Portaalicoon   Filosofie

Epicurus (Oudgrieks: Ἐπίκουρος, Epikouros, Nederlands, verouderd: Epicuur)(341 v.Chr. - 270 v.Chr.) was een Grieks filosoof en stichter van de epicuristische school in het hellenistische Athene. Hij was een zeer productief denker en zou meer hebben geschreven dan elke filosoof voor hem.[p 1] Van al deze geschriften zijn er slechts drie brieven en een hondertal leerstellingen overgeleverd. Epicurus' filosofie spitste zich toe op ethiek en de natuurfilosofie. Voor verdere informatie over Epicurus' leven en filosofie is men aangewezen op auteurs zoals Diogenes Laërtius, Lucretius, Plutarchus en Cicero.

Epicurus staat bekend als de filosoof van het atomisme, genot, vriendschap en het eenvoudige leven. Al deze elementen kwamen samen in de school die hij in 306 v.Chr. stichtte in Athene, de 'tuin van Epicurus' waar ook vrouwen en slaven welkom waren.[1] In zijn eigen tijd was hij al een veelbesproken filosoof: door sommigen werd hij op handen gedragen door anderen juist verketterd. Zijn filosofische tegenstanders beeldden Epicurus graag af als een goddeloze, genotzuchtige en losbandige filosoof die louter op excessieve wijze zijn lichamelijke behoeftes placht te bevredigen.[2][n 1] In werkelijkheid stond Epicurus juist een sobere en eenvoudige levensstijl voor. Het hoogste goed was volgens Epicurus een gelukkig leven gekenmerkt door geestelijke gemoedsrust (Αταραξία, ataraxia) en vrijheid van lichamelijke pijn (ἀπονία, aponia). Bovendien erkende Epicurus het bestaan van de goden maar ontkende hij hetgeen de massa hen toedichtte.[p 2] Epicurus streefde ernaar mensen te bevrijden van irrationele angsten voor de zowel de goden als de dood. Met zijn atomisme als basis trachtte hij aan te tonen dat de goden ons geen kwaad kunnen berokkenen en dat de dood een absentie is van ervaring.

Wat betreft zijn kenleer was Epicurus geïnspireerd door Aristoteles.[3] Epicurus was een empirist, wat inhoudt dat hij geloofde dat alle menselijke kennis afkomstig is uit de zintuigen en dat bijgevolg dingen alleen kenbaar zijn via de zintuigen. De fysica en kosmogonie van Epicurus zijn geïnspireerd door de presocratische filosoof Democritus. Epicurus was van mening dat het universum bestaat uit een oneindige hoeveelheid atomen en leegte. Alle samengestelde lichamen in het universum zijn een product van loodrecht naar beneden vallende atomen die door minieme toevallige afwijkingingen botsen en samenklonteren. De ongedetermineerdheid van deze afwijkingen biedt voor Epicurus de grond voor de menselijke vrije wil en betekent eveneens een significante breuk met het atomisme van Democritus.[4]

Na zijn dood bleef Epicurus gedurende de verdere periode van de klassieke oudheid een invloedrijk figuur. Denkers zoals Diogenes van Oinoanda, Philodemus en Lucretius voegde zich in de epicuristische traditie en Romeinse auteurs zoals Cicero en Seneca treden in hun geschriften veelvuldig in debat met Epicurus.[n 2] De populariteit van het epicurisme bereikte haar hoogtepunt in de late oudheid maar kelderde snel in de vroege middeleeuwen door de opkomst van het christendom. In de middeleeuwen was er weinig belangstelling voor Epicurus met name omdat zijn theologie en kosmogonie in strijd waren met de toen heersende christelijke dogma's. In de vroegmoderne tijd werd Epicurus' filosofie weer salonfähig na tussenkomst van Pierre Gassendi, een katholieke priester die het christendom probeerde te verenigen met het atomisme van Epicurus. Ook denkers als Voltaire, Thomas Hobbes, David Hume en John Locke zijn in hun ideeën schatplichtig aan Epicurus. Daarenboven zijn het klassieke utilitarisme van Jeremy Bentham en het materialisme van Karl Marx uitwerkingen van zijn filosofie.

Leven[bewerken | brontekst bewerken]

Epicurus (Griekenland)
Athene
Athene
Samos
Samos
Mytilini
Mytilini
Lampsacus
Lampsacus
Colophon
Colophon
Teos
Teos
Kaart met plaatsen in Griekenland en Klein-Azië welke een rol hebben gespeeld in het leven van Epicurus.

Jeugd en filosofische ontwikkeling (341 v.Chr. - 306 v.Chr.)[bewerken | brontekst bewerken]

Epicurus werd in 341 v.Chr. geboren op het eiland Samos. Zijn vader Neocles was een clerurch die op Samos zijn geld verdiende als leermeester.[n 3] Epicurus' moeder, Chaerestrate, zou korte tijd priesteres zijn geweest. Daarenboven had Epicurus drie broers die zich later allemaal hebben verbonden aan zijn leer.[p 3]

Verder is er weinig bekend over Epicurus' jeugd behalve dat hij op een vroege leeftijd al geïnteresseerd zou zijn geraakt in de filosofie. Hij moet naar alle waarschijnlijkheid een klassiek Griekse algemene educatie (παιδεία, paideia) hebben genoten onder de Samische platonist Pamphilus.[n 4][5][6] Deze educatie duurde circa vier jaar en Epicurus zou hier veel geleerd hebben maar later ook kritisch zijn op het platonisme en het concept van paideia.[p 4][7][8] Toen Epicurus veertien jaar oud was zou hij in de war zijn geraakt door Hesiodos' bespreking van chaos (xάος) als de grondslag voor het ontstaan van de kosmos. Toen Epicurus de vraag stelde waaruit chaos dan gevormd was, zou zijn leraar hebben geantwoord dat dit een onderwerp is voor de filosofen.[p 5] Vanaf dat moment was Epicurus erop gebrand om meer te leren over filosofie.[p 6] Het is onduidelijk of Epicurus in deze vroege fase van zijn leven al in aanraking is gekomen met de filosofie van Democritus.[6]

In 323 v.Chr. arriveerde Epicurus in Athene om zijn militaire verplichtingen als efebe te vervullen. Het lijkt aannemelijk dat Epicurus tijdens zijn militaire dienst is opgetrokken met de latere toneelschijver Menander, gezien hun overeenkomst in leeftijd en preoccupatie met het concept genot.[9] Naast zijn militaire taken had Epicurus in Athene de gelegenheid om kennis op te doen van de grote filosofen van welleer. De belangrijkste tijdgenoot was Aristoteles, die toentertijd weliswaar Athene ontvlucht was maar van wie het gedachtegoed voortleefde in de Attische intellectuele elite.[n 5] Mogelijk werd Epicurus in deze periode ook beïnvloed door het cynisme met Krates van Thebe, de leerling van Diogenes van Sinope, als tijd- en stadgenoot.[n 6][3] Naast de filosofische dimensie die Athene te bieden had, was Epicurus een directe getuige van het politieke tumult dat volgde op de plotselinge dood van Alexander de Grote. De gevaren van politiek werden duidelijk zichtbaar en het leiden van een individueel teruggetrokken bestaan werd aanlokkelijk.[10] Hetgeen een onmiskenbare invloed heeft gehad op zijn ethiek en politieke filosofie.

In 321 v.Chr. werd zijn familie op Samos verjaagd naar Colophon in Ionië.[p 7] Epicurus voegde zich korte tijd hierna bij zijn familie en verbleef tien jaar afwisselend in Colophon en Teos.[11] In deze periode werd hij een leerling van Nausiphanes van Teos, met wie hij later in zijn geschriften de spot zou drijven. Desalniettemin heeft Nausiphanes een grote invloed gehad op de filosofie van Epicurus. Nausiphanes was een volgeling van Democritus' atomisme en een oud-leerling van de scepticus Pyrrho van Elis.[p 8] Naar alle waarschijnlijkheid heeft Epicurus onder Nausiphanes de basisprincipes van het atomisme geleerd. Toch raakte Epicurus op persoonlijk en filosofisch vlak gebrouilleerd met zijn leermeester en omschreef hij zichzelf later als een autodidact, waarmee hij de invloed van Nausiphanes ontkende.

Na tien jaar in Colophon, wierp hij zichzelf in 311 v.Chr. op als leraar in de stad Mytilini op Lesbos. Zijn leraarschap was echter kortstondig en de politieke situatie aldaar noodzaakte hem het eiland te verlaten of, op zijn minst, zijn werkzaamheden als leraar neer te leggen. Zeker is in ieder geval dat Epicurus Mytilini uiteindelijk verruilde voor het aan de Hellespont gelegen Lampsacus, waar hij tot de zomer van 306 v.Chr. zou verblijven.

Stichting van de epicuristische school in Athene (306 v.Chr. - 270 v.Chr.)[bewerken | brontekst bewerken]

In 306 v.Chr. vestigde Epicurus zich weer in Athene waar hij tot aan zijn dood zou blijven. Naar alle waarschijnlijkheid vertrok hij naar Athene met zijn latere opvolger als scholarch van de epicuristische school: Hermarchos, wie hij in Mytilini heeft leren kennen.[12] Epicurus kocht in Athene een huis met aangrenzende tuin (κῆπος, kepos), tussen het centrum van Athene en de havenplaats Piraeus in.[13][14] De reden dat Epicurus deze tuin in Athene betrok heeft te maken met het feit dat Athene de culturele hoofdstad was van die tijd en hij wilde daar naar alle waarschijnlijkheid het prestige genieten wat kwam kijken bij het stichten van een nieuwe filosofische school.[15] De tuin wordt vaak gezien als het epicentrum van de epicuristische school maar in feite was het huis de plek waar de belangrijkste leerlingen van Epicurus samenschoolde.[14][p 9] Desalniettemin was de tuin een integraal onderdeel van de school en werd er samen gegeten en gefilosofeerd,[16] tegen de conventies van de tijd in werden vrouwen en slaven ook verwelkomd in de tuin.[1] Ondanks deze ruimhartigheid stond Epicurus erop de gemeenschap in de tuin kleinschalig te houden.[p 10] Bezittingen waren niet communaal en het voorbestaan van de school was afhankelijk van financieel welgestelde leden en giften van gemeenschappen buiten de school.[17] De volgende spreuk moet volgens Seneca op de poort van de tuin van Epicurus hebben gestaan:

Vreemdeling, hier zal voor u goed toeven zijn, het hoogste goed hier is genot.[p 11]

Anders dan deze spreuk wellicht laat vermoeden, leefde de epicuristische commune een sober teruggetrokken bestaan. Zij spendeerden elke dag een minimale tijd om het benodigde eten en drinken te verzamelen. Af en toe dronken zij wijn maar hoofdzakelijk werd er water gedronken. Voedsel dat luxer was dan brood was strikt verboden behalve op feestdagen.[18] Na het overlijden van Epicurus zouden zijn geboortedag en iedere twintigste dag van de maand feestdagen zijn.[18][p 12]

Dood (270 v.Chr.)[bewerken | brontekst bewerken]

In 270 v.Chr. bezweek Epciurus aan de gevolgen van nierstenen. Diogenes Laërtius heeft het testament en de afscheidsbrief van Epicurus opgenomen in zijn doxografie. Het laatste bekende geschrift van Epicurus dateert van de dag van zijn overlijden en is gericht aan zijn leerling Idomeneus:

Op deze gelukkige dag waarop ik mijn leven beëindig, schrijf ik u dit. Mijn moeilijkheden bij het urineren en mijn dysenterie zijn er nog steeds en hebben hun verschrikkelijke kracht niet verloren. Daartegenover staat de vreugde in mijn ziel over de herinneringen aan de fijne gesprekken die wij hebben gehad.[p 13]

In de oudheid was het testament van Epicurus al een onderwerp van discussie. Volgens Cicero zou het opstellen van een testament strijdig zijn met Epicurus' opvatting dat de dood ons niks aangaat[p 14] en bovendien een bewijs zijn dat Epicurus niet overtuigd was van zijn eigen filosofie.[p 15][19]

Werken[bewerken | brontekst bewerken]

Primair[bewerken | brontekst bewerken]

Brieven[bewerken | brontekst bewerken]

Via Diogenes Laërtius zijn er drie brieven overgeleverd van Epicurus. De brieven zijn gericht aan zijn leerlingen respectievelijk: Herodotus, Pythocles en Menoikeus. De brieven zijn beknopte uiteenzettingen van theorie, welke Epicurus in andere (niet overgeleverde) werken uitgebreider behandeld heeft:

  • In De brief aan Herodotus worden de hoofdlijnen van Epicurus' fysica samengevat. Natuurfilosofische thema's zoals atomen, leegte, beweging, tijd en de oorsprong van het universum worden door Epicurus besproken. Ook besteed hij in deze brief aandacht aan de ziel, de menselijke houding ten aanzien van de goden en hemellichamen en het uiteindelijke doel dat de fysica en astronomie zouden moeten dienen.
  • In De brief aan Pythocles gaat Epicurus verder in op de hemellichamen en de astronomie in algemene zin. Ook omvat de brief een uitgebreide uiteenzetting van Epciurus' meteorologie.
  • In De brief aan Menoikeus wijdt Epicurus uit over de ethische kant van het epicurisme. In de brief behandelt hij thema's zoals theologie, de dood, verschillende ordes van verlangen, genot als hoogste goed en keuzevrijheid.

Leerstellingen[bewerken | brontekst bewerken]

  • De Authentieke Leerstellingen (Κύριαι Δόξα, Kuriai Doxai; Ratea Sententiae): is een collectie van 40 leerstellingen van Epicurus. De Authentieke Leerstellingen werden voor het eerst als een dusdanige collectie gepubliceerd in 1887 door de Duitse filoloog Herman Usener.[20] Het bestaan van de leerstellingen was echter al langer bekend en de collectie wordt al genoemd door Diogenes Laërtius.[p 16] Het is bekend dat de volgelingen van Epicurus deze leerstellingen memoriseerden zodat zij snel hun handelen konden bepalen en hun filosofische opponenten vlug van repliek konden dienen.[20] De Authentieke Leerstellingen beslaan ethische thema's zoals genot, handelen en de dood maar ook zijn er stellingen die betrekking hebben op politiek.
  • De Vaticaanse Leerstellingen (Sententiae Vaticanae): is een collectie van 81 leerstellingen toegeschreven aan Epicurus en zijn leerling Metrodorus. De Vaticaanse Leerstellingen werden in 1888 ontdekt in de vaticaanse bibliotheek toen de Tsjechische classicus Karl Wotke op een 14e eeuws manuscript van de leerstellingen stuitte.[21] Het manuscript droeg de oorspronkelijke titel: 'Eπικουροϋ Προσφωvησις' (Epikourou Prosphonesis = "De verklaring van Epicurus"), maar werd later hernoemd naar de vindplaats.[21] Naar alle waarschijnlijkheid zijn in het 14e eeuwse manuscript verschillende losse uitspraken van Epicurus en zijn leerling Metrodorus samengevoegd. Dit is te verklaren aan een overlap met de Authentieke leerstellingen.[21] Zeker is in ieder geval dat tussen de 14e eeuw en het eind van de 19e eeuw niemand kennis had van het bestaan van de Vaticaanse Leerstellingen. Thema's die in deze collectie worden aangestipt zijn onder meer vriendschap, verradelijke verlangens, ouderdom en de dood.

'Over de natuur'[bewerken | brontekst bewerken]

De Villa dei Papyri waar de verkoolde manuscripten van Epicurus' hoofdwerk Over de natuur zijn gevonden.
  • Over de natuur (Περὶ Φύσεως, Peri Physeos): is de naam van het 37 boekrollen tellend hoofdwerk van Epicurus.[p 17] Zeker is dat Epicurus al rond 301 v.Chr. werkte aan zijn magnum opus.[22] Tijdens de excavatie van een privébibliotheek in het plaatsje Herculaneum, zijn in de 18e eeuw drie verkoolde manuscripten van Over de natuur gevonden, daterend van de 3e/2e eeuw v.Chr..[23][24] De privébibliotheek (de zogeheten Villa dei Papyri) werd tijdens de uitbarsting van de Vesuvius in 79 door negentien meter aan lava en as bedekt, hetgeen de conservatie van de manuscripten garandeerde. Desalniettemin zijn de manuscripten in slechte staat en al sinds het begin van de 19e eeuw zijn classici bezig met het ontcijferen van de verkoolde papyri. Dit heeft tot op heden geresulteerd in de vertaling van enkele passages maar het leeuwendeel van de inhoud van Over de natuur wordt als verloren beschouwd, totdat toekomstige technologie een betere reconstructie van de papyri mogelijk maakt.[25] Naar alle waarschijnlijkheid zijn de eerdergenoemde brief aan Herodotus en brief aan Pythocles samenvattingen van grote delen van Over de natuur.[26]

Latere auteurs[bewerken | brontekst bewerken]

Afbeelding van een buste van Lucretius, de schrijver van de De Rerum Natura en daarmee één van de belangrijkste auteurs voor een adequate reconstructie van Epicurus' filosofie.

Naast de primaire teksten van Epicurus zijn er andere auteurs die belangrijk zijn voor de reconstructie van het leven en de filosofie van Epicurus, namelijk:

  • Philodemus (2e/1e eeuw v.Chr.): Philodemus was een epicuristische filosoof woonachtig en werkzaam in Herculaneum. Net zoals dat Epicurus' hoofdwerk Over de natuur in Herculaneum is gevonden zijn er ook vele papyri gevonden die toe te schrijven zijn aan Philodemus.[27] In zijn geschriften geeft hij een epicuristische analyse van een breed scala aan thema's zoals: retorica, ethiek en (on)deugd. Bovendien zijn er ook werken waarin Philodemus het epicurisme verdedigt tegen de leer van de stoïcijnen en de peripatetici. Vanwege de overduidelijke epicuristische signatuur van zijn werk is Philodemus vanzelfsprekend een belangrijke auteur voor de reconstructie van Epicurus' filosofie.
  • Lucretius (1e eeuw v.Chr.): Lucretius schreef de De Rerum Natura ("Over de natuur" òf "Over de natuur der dingen") een zes boeken tellend leerdicht waarin de leer van Epicurus uiteengezet wordt in dactylische hexameters.[n 7] De De Rerum Natura is één van de belangrijkste bronnen voor de reconstructie van de filosofie van Epicurus gezien de gedetailleerde behandeling van uiteenlopende thema's zoals het atomisme, meteorologie en de ethiek. Naar alle waarschijnlijkheid heeft Lucretius zijn leerdicht gebaseerd op Epicurus' hoofdwerk Over de natuur, waarnaar de titel De Rerum Natura ook verwijst.
  • Cicero (1e eeuw v.Chr.): Cicero laat Epicurus veelvuldig aan bod komen in drie van zijn werken: De Finibus Bonorum et Malorum ("Aangaande de grenzen van goed en kwaad"), De Natura Deorum ("Over de natuur van de goden") en Tusculanae Disputationes ("Gesprekken in Tusculum"). Binnen de academische wereld is er geen eenduidige consensus of Cicero een betrouwbare weergave geeft van Epicurus en of Cicero daarmee bijgevolg gebruikt kan worden voor een adequate reconstructie van Epicurus' filosofie.[28] In alle drie de genoemde werken laat Cicero een woordvoerder van het epicurisme aan bod komen waarvan het, zoals gezegd, discutabel is of deze gezien kan worden als representatief voor het epicurisme.[n 8]
  • Plutarchus (1e/2e eeuw n.Chr.): Plutarchus is de auteur van drie werken die een grove weergave geven het epicurisme: Adversus Colotem ("Tegen Colotes"), Non posse suaviter vivi secumdum Epicurum ("Dat Epicurus een prettig leven eigenlijk onmogelijk maakt") en De latenter vivendo ("Over het verborgen leven").[29] In alle drie de werken geeft Plutarchus zich duidelijk te kennen als een anti-epicurist. Adversus Colotem is een kritiek op een werk van Colotes, een vriend en leerling van Epicurus. De kritiek van Plutarchus spitst zich in dit werk toe op de kenleer en de fysica van Epicurus.[30] In Non posse suaviter vivi secumdum Epicurum bekritiseert Plutarchus de ethische kant van het epicurisme.[31] In De latenter vivendo bekritiseert Plutarchus de overtuiging van Epicurus dat men ver weg moet blijven van publieke taken en de politiek.[32] Het is de gedetailleerdheid van iedere afzonderlijke kritiek die Plutarchus tot een belangrijke auteur maakt voor een adequate reconstructie van Epicurus' filosofie.
  • Diogenes van Oinoanda (2e eeuw n.Chr.): Diogenes van Oinoanda was een Griekse epicurist die in zijn woonplaats Oinoanda een samenvatting van Epicurus' filosofie heeft laten graveren in een stoa.[33] Diogenes van Oinoanda en de stoa waarop zijn inscriptie gegraveerd was waren onbekend tot in 1889 de Franse archeoloog Georges Cousin op de brokstukken van de stoa stuitte.[33] In totaal vond Cousin 88 fragmenten van de muur en later in 1968 vond de Schotse onderzoek Martin Ferguson Smith nog eens 135 fragmenten van de inscriptie.[34] De inscriptie betreft samenvattingen van de ethiek, epistemologie en de fysica van Epicurus alsook enkele leerstellingen. De inscriptie van Diogenes van Oinoanda vormt een zeer belangrijke bron voor onderzoek naar de rol van het epicurisme in de 2e eeuw n.Chr. en epicurisme in het algemeen.
  • Diogenes Laërtius (3e eeuw n.Chr.): In zijn doxografie Leven en leer van beroemde filosofen, wijdt Laërtius een heel boek (boek X) aan Epicurus. Middels Laërtius zijn de drie brieven van Epicurus en een groot aantal leerstellingen overgeleverd. Daarenboven is Laërtius de belangrijkste bron wat betreft biografische informatie over Epicurus.

Fysica[bewerken | brontekst bewerken]

Atomen en leegte[bewerken | brontekst bewerken]

Atomen[bewerken | brontekst bewerken]

Atomen (ἄτομος, atomos = "ondeelbaar") zijn ondeelbare deeltjes die volgens Epicurus het fundament vormen van alle samengestelde lichamen in het universum.[n 9][p 18] Volgens Epicurus zijn de atomen in theorie deelbaar maar in werkelijkheid ondeelbaar: op deze manier kunnen de atomen verschillende vormen hebben en tegelijkertijd niet uit verschillende delen bestaan.[35] Volgens Epicurus komen de atomen voor in 'onvoorstelbaar' veel verschillende vormen en bestaan er van elke vorm oneindig veel atomen in het universum. Het aantal vormen is dus 'onvoorstelbaar groot' maar desalniettemin eindig terwijl het aantal atomen van elke vorm oneindig is.[p 19] Door enerzijds het aantal atomen oneindig groot te maken kon Epicurus de grote verscheidenheid aan zaken die wij in de wereld waarnemen verklaren, anderzijds correspondeert de eindige hoeveelheid verschillende vormen met het beperkt aantal waarneembare geuren, kleuren en smaken.[p 20] Naast vorm hebben de atomen nog twee andere eigenschappen: grootte en massa.[n 10][36]

Leegte[bewerken | brontekst bewerken]

Leegte (κενόν, kenon) (òf ruimte (χώρᾳ, chora) òf plaats (τόπος, topos)), wordt door Epicurus gedefinieerd als een ontastbare substantie, in tegenstelling tot de vroege atomisten die leegte als 'niet-zijn' definieerden en de algemene opvatting dat substanties inherent tastbaar zijn.[p 21][p 22][n 11][37] De naam 'plaats' kan als problematisch worden opgevat omdat elk stuk leegte gelijk is aan elkaar en een relatieve aanduiding als plaats alleen kan bestaan in relatie tot een atoom (of samengesteld lichaam) wat deze leegte opvult.[37] Plaats moet echter begrepen worden in de zin dat iedere plaats van een atoom in potentie leegte is en iedere leegte is in potentie een plaats voor een atoom.[38] Aangezien er een oneindige hoeveelheid atomen is, is er logischerwijs ook een oneindige hoeveelheid leegte om zo beweging van de atomen mogelijk te maken.[p 23][p 24]

Beweging van de atomen[bewerken | brontekst bewerken]

Epicurus' theorie over de beweging van de atomen is naar alle waarschijnlijkheid gemedieerd door Aristoteles' kritiek op de vroege atomisten.[39] Voor Aristoteles zijn er twee manieren waarop beweging mogelijk is: geforceerd of natuurlijk.[p 25] Binnen het atomisme van Democritus was botsing verantwoordelijk voor de beweging van atomen, een louter geforceerde beweging dus.[40] Volgens Aristoteles is alleen geforceerde beweging onvoldoende en is het onmogelijk voor de atomen om te botsen als zij ook niet door een natuurlijke oorzaak tot beweging gedreven worden.[p 26] Het was dus aan Epicurus om de atomen ook te voorzien van een natuurlijke oorzaak voor hun beweging.

Doordat Epicurus massa introduceerde als eigenschap van de atomen kon hij een theorie staven waarbij de atomen door een natuurlijke oorzaak worden voortbewogen. Gedreven door hun massa vallen alle atomen met gelijke snelheid loodrecht door de leegte.[n 12][41] Deze vallende beweging duurt voort totdat de atomen op andere atomen of samengestelde lichamen botsen. Epicurus werd hier echter geconfronteerd met een probleem, want als alle atomen met gelijke snelheid loodrecht omlaag vallen, komen zij nooit met elkaar in botsing.

Parenklisis[bewerken | brontekst bewerken]

Om te breken met de loodrechte beweging moesten er volgens Epicurus soms minimale afwijkingen zijn waarbij de atomen lichtelijk uit hun baan raken en zo in botsing komen met elkaar.[42] Deze afwijking, de zogeheten parenklisis (παρηνκλισις; Latijn: Clinamen), komt niet voor in de overgeleverde geschriften van Epicurus maar wordt door meerdere latere auteurs wel aan hem toegeschreven.[n 13][43] De duidelijkste uitleg van de parenklisis is terug te vinden in het leerdicht van Lucretius, als hij zich richt tot zijn patroon Memmius:

Ik wil dat jij in deze samenhang leert
dat deeltjes, die door hun gewicht in lege ruimte
recht naar beneden snellen, op een onbepaald moment
en onbepaalde plaatsen een beetje uit hun baan gaan,
zoveel als wat je verandering van richting noemt.
Als zij niet plachten af te wijken, zouden alle
als regendruppels vallen door het lege diep,
geen botsing en geen stoot van deeltjes zou zich voordoen
en zo zou de natuur nooit iets geschapen hebben.[p 27]

Dat de atomen op 'onbepaalde' momenten en 'onbepaalde' plaatsen van hun baan afwijken moet begrepen worden in de zin dat als de afwijkingen van de atomen ook parralel zouden zijn er alsnog geen botsingen kunnen ontstaan.[44] Epicurus introduceert een element van toeval (τύχη, tūche) ten grondslag aan de afwijkingen van de atomen die vanuit de atomen zelf worden veroorzaakt.[n 14][45] De parenklisis is dus noodzakelijk omdat anders het bestaan van de wereld niet verklaard kan worden en tegelijkertijd is de parenklisis noodzakelijkerwijs een spontane, toevallige, niet te voorspellen beweging.[46] Door met de parenklisis een volledig ongedetermineerd element te introduceren biedt Epicurus enerzijds grond voor een theorie waarbij de veranderingen in de wereld volledig onttrokken worden van enige bovennatuurlijke invloed en anderzijds geeft Epicurus hiermee een reden waarom levende wezens beschikken over een vrije wil.[p 28][47][48]

Filosofie[bewerken | brontekst bewerken]

In de filosofie van Epicurus is persoonlijk geluk het hoogste goed in het menselijk leven. Centraal hierbij staat het vermijden van pijn en verdriet. Als de filosofie ons niet van onze angsten zou bevrijden, met name van onze angst voor de goden en voor de dood, dan zou er geen reden zijn om haar serieus te nemen. Dit betekent, dat de rest van Epicurus' filosofie in dienst staat van deze ethiek. Een logica of politieke filosofie heeft hij niet ontwikkeld.

Lichamelijk genot

Nastrevenswaardig is genot. Hierbij dient opgemerkt te worden dat Epicurus' benadering afwijkt van die van Aristippus in die zin dat het Epicurus om de lange termijn gaat. Zo is het onverstandig om veel te eten, wat direct genot oplevert, als dit leidt tot maagpijn. Genieten dus met mate. Daarnaast is bekend dat Epicurus zelf tevreden was met brood en water, met andere woorden een uiterst sober leven leidde. Hij schreef eens Zend mij wat kaas, opdat ik, als ik dat wil, een feestmaal kan houden.

Het is volgens Epicurus een door de natuur gegeven feit, dat zowel dier als mens het vermijden van pijn en het verkrijgen van genot nastreeft. Dit betreft puur het lichamelijke aspect. Hierbij geldt evenwel dat het verkrijgen van genot alleen bestaat uit het voldoen aan natuurlijke behoeften. Voor wat betreft behoeften onderscheidt Epicurus drie soorten: de natuurlijke en noodzakelijke (bijvoorbeeld eten en drinken), de natuurlijke maar niet-noodzakelijke (bijvoorbeeld iets lekkers eten), en de niet-natuurlijke, niet-noodzakelijke verlangens (bijvoorbeeld streven naar bekendheid, rijkdom). Het genot waar het Epicurus om gaat, is een bevrediging van de natuurlijke behoeften. Zijn deze bevredigd, dan is er geen reden verder genot na te streven. Bedoeld is dus zeker niet het kweken van nieuwe verlangens, om die dan vervolgens proberen te vervullen, want dat schept alleen maar geestelijke onrust.

Ataraxia, geestelijk genot

De ataraxia (onverstoorbaarheid) wordt als zodanig niet als primair doel geformuleerd, maar het verkrijgen hiervan is wel nastrevenswaard. Ataraxia is een toestand van gemoedsrust en een blijvend gevoel van welbehagen, een geestelijk genot dus. Maar ataraxia is een resultaat, een toestand, daar waar het fysieke genot met een activiteit te maken heeft, die van de behoeftenbevrediging.

Afwezigheid van vrees voor de dood of voor de goden, is een van de ingrediënten die Epicurus' fysica aandraagt, en die daarmee bijdraagt aan de ataraxia. De dood gaat ons niets aan is een uitspraak van Epicurus, om aan te geven dat het leven belangrijk is om te leven.

Het beste leven volgens Epicurus is een teruggetrokken leven te midden van vrienden. De vriendschap speelt een grote rol: de epicuristische school stond bekend als besloten. Elke persoon die zich aansloot bij het epicurisme kon rekenen op de steun en het vertrouwen van de andere epicuristen. Epicurus' motto Leef in het verborgene duidt erop dat hij afraadt om publieke functies te bekleden, of anderszins te veel in de schijnwerpers te treden.

Als er fysieke pijn is, kan die niet ontkend worden. Maar we kunnen wel een tegenwicht oproepen, door te denken aan aangename dingen die we meegemaakt hebben. Dus een geestelijk plezier als tegenhanger voor fysiek ongemak.

Theologie

Er bestaan volgens Epicurus ook goden die een zorgeloos leven leiden in de ruimten tussen de diverse werelden. Net als al het andere zijn zij samengesteld uit atomen, maar ze lijken wel eeuwig te zijn, omdat zij op de plek waar zij verblijven niet in botsing kunnen komen met andere atomen. Ze worden geacht volmaakt gelukkig te zijn en daarbij past niet dat ze zich met mensen bemoeien. Ze lijken een soort ideaal-mensen te zijn. Omdat ze feitelijk geen functie in Epicurus' wereldbeeld hebben, kan men zich afvragen of het puur traditionalisme is geweest, dat Epicurus ertoe gebracht heeft goden te laten bestaan. Hij zegt evenwel, dat de mensen van hun bestaan op de hoogte zijn, doordat ze in dromen soms iets van hen zien.

Waarneming / Kennisleer

De waarneming is volgens Epicurus de enige bron van kennis. Berekeningen en axiomatische principes leveren geen kennis: er zijn geen aangeboren ideeën e.d., er bestaat geen niet-zinnelijke wereld waarvan mensen op een bepaalde manier kennis zouden hebben.

De waarneming verklaart Epicurus door te zeggen dat voorwerpen voortdurend beelden (Gr. eidōla) afscheiden die de zintuigen bereiken. Sommige van deze beelden dringen door tot in de ziel, bijvoorbeeld beelden van de Goden in dromen. Er is geen van de waarneming onafhankelijke instantie die de waarheid van onze zintuiglijke indrukken kan beoordelen. Alleen verdere waarneming kan een eerdere waarneming corrigeren.

Kleine bloemlezing[bewerken | brontekst bewerken]

  • Alle verlangens die niet tot pijn leiden indien ze onvervuld blijven, zijn niet-noodzakelijk. (RS 26)
  • Van al hetgeen de wijsheid verschaft met het oog op levenslang durend geluk, is het bezit van vriendschap verreweg het belangrijkst. (RS 27)
  • Onrecht is geen kwaad op zich, maar alleen vanwege de vrees die ligt in de verwachting dat men niet zal kunnen ontkomen aan hen die straffen. (RS 34)
  • Dwang is een kwaad, maar er bestaat geen enkele dwang om onder dwang te leven. (VS 9)
  • De roep van het vlees is: geen honger, geen dorst, geen kou lijden. Degene die hier niet aan lijdt, en erop vertrouwen mag dat dit zo blijft, kan zelfs met Zeus wedijveren in geluk. (VS 33)
  • Bederf niet hetgeen je hebt door te verlangen naar wat je niet hebt; herinner je, dat wat je nu hebt ooit iets was waar je naar verlangde. (VS 35)
  • Niets is toereikend voor degene voor wie het toereikende te weinig is. (VS 68)
  • Doe niets in je leven waarvan je bang zou zijn dat je naaste het ontdekt. (VS 70)
  • Wanneer wij er zijn, is de dood er niet, en wanneer de dood er is, zijn wij er niet meer.

En het bekende fragment uit de brief aan Idomeneus, geschreven vlak voor zijn dood:

  • Terwijl wij de gelukzalige en tevens laatste dag van ons leven doorbrachten, hebben wij dit geschreven. De pijnen in blaas en darmen waren onafgebroken en konden in hevigheid niet meer toenemen. Maar de innerlijke zielsvreugde bij de herinnering aan de door ons gevoerde gesprekken weegt daar tegenop. Jou verzoek ik om zorg te dragen voor de kinderen van Metrodorus, en je verder waardig te betonen aan de toewijding aan mij en aan de filosofie, zoals je die van jongs af aan hebt laten zien.

Latere interpretatie[bewerken | brontekst bewerken]

Veelal werd Epicurus afgeschilderd als een oppervlakkige, genotzuchtige filosoof; dit gebeurde in de oudheid al en werd in verhevigde mate voortgezet door de kerkvaders. Als ketter werd hij ook beschouwd door Dante die hem in De goddelijke komedie een plaats in de hel toedenkt.

Karl Marx heeft in zijn dissertatie uit 1841, Differenz der demokritischen und epikureischen Naturphilosophie, als eerste het onderscheid tussen het atomisme van Democritus en Epicurus beschreven. Hij zag zichzelf als pionier op dit gebied. Ettore Bignone stelde in L'Aristotele perduto e la formazione filosofica di Epicuro uit 1936 dat Epicurus in zijn werk polemiseert tegen het vroege werk van Aristoteles, met name tegen diens grotendeels verloren gegane dialogen. Daarmee werd Epicurus' leer uit een soort geestelijk isolement gehaald.

A.-J. Festugière ging in Epicure et ses dieux uit 1946 verder op deze weg en stelde dat Epicurus met name de goden bestrijdt zoals die te vinden zijn in het latere werk van Plato, dat wil zeggen het 10e boek van de Wetten en de Epinomis. Dit was een soort sterren-religie, met onwrikbare wetten met straffen voor wie slecht geleefd heeft. Deze religie zou voor Epicurus een nog veel groter kwaad zijn geweest om te bestrijden dan de traditionele Griekse religie uit zijn tijd.

Zie ook[bewerken | brontekst bewerken]

Verdere literatuur[bewerken | brontekst bewerken]

  • (en) Jean-Marie Guyau, vertaald door Federico Testa, The Ethics of Epicurus and its Relation to Contemporary Doctrines. Bloomsbury (2022). ISBN 978-1-3500-1391-9.
  • (en) David Sedley, A.A. Long, The Hellenistic Philosophers: Volume 2, Greek and Latin Texts with Notes and Bibliography. Cambridge University Press (1989). ISBN 978-0521275576.
  • (en) David B. Suits, Epicurus and the Singularity of Death: Defending Radical Epicureanism. Bloomsbury (2020). ISBN 978-1-3501-3404-1.
  • (en) James Warren, Facing Death: Epicurus and His Critics. Clarendon Press (2006). ISBN 978-0199297696.

Mediabestanden die bij dit onderwerp horen, zijn te vinden op de pagina Epicurus op Wikimedia Commons.
Wikiquote heeft een of meer citaten van of over Epicurus.