Vedische tijd

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Vedische beschaving)
Ga naar: navigatie, zoeken

De Vedische tijd is een periode van ongeveer 1500 v.Chr. tot 500 v.Chr. in de geschiedenis van Zuid-Azië waarin de hindoeïstische religieuze teksten (de Veda's) en epen ontstonden. De Veda's werden aanvankelijk mondeling overgedragen door de barden en priesters van stammen die aan het begin van de Vedische periode het noordwesten van het Indisch Subcontinent binnentrokken en een Indo-Arische taal (Sanskriet) spraken. Hun cultuur kenmerkte zich door een sterk belang van offerrituelen, een duidelijke sociale hiërarchie binnen de stam, en het gebruik van het Sanskriet in riten. Mogelijk migreerden de eerste Indo-Ariërs al naar Zuid-Azië tijdens de latere fase van de Harappabeschaving (tot 1750 v.Chr.), maar de oudste Vedische teksten moeten enkele eeuwen later ontstaan zijn, op zijn vroegst rond 1600 v.Chr.. De Veda's vormen zowel de belangrijkste bronnen over de Indo-Ariërs als hun grootste culturele verrichting, en hebben tot op heden grote invloed op de religie en cultuur van India. Hoewel het lastig is historische feiten van mythologie te scheiden, geven de teksten een duidelijk beeld van de Indische maatschappij en maatschappelijke ontwikkelingen. De Indo-Ariërs waren aanvankelijk semi-nomadische veehouders die door het bezit van paarden en strijdwagens een militair overwicht op de oorspronkelijke bevolking hadden. De Veda's geven de indruk van conflicten om vee, zowel tussen Indo-Arische stammen onderling als met anderen. Rond 1000 v.Chr. vestigden de Indo-Ariërs zich in vaste nederzettingen om landbouw te bedrijven. De Vedische cultuur verspreidde zich in deze periode verder oostwaarts over de Gangesvlakte en zuidwaarts naar Malwa en Gujarat. Met name in de Gangesvlakte ontstonden steden, waar omheen in de latere Vedische periode (rond 700-500 v.Chr.) de eerste proto-staatjes ontstonden, de zogenaamde janapada's. Zowel het belang van de sociale hiërarchie als van de priesterklasse nam toe. Hieruit ontwikkelden zich het Indische kastenstelsel en het orthodoxe brahmanisme. Bestudering van de Veda's leidde tot het ontstaan van de Indische filosofie en de antieke Indische wetenschap.

Historiografie[bewerken]

De archeologie heeft lange tijd een ondergeschikte rol gespeeld in het onderzoek naar de Vedische periode. Hoewel bijvoorbeeld de ruïnes van de steden van de Harappabeschaving (2600-1900 v.Chr.) al in de 19e eeuw bekend waren, ontging het belang ervan aan de historici van de koloniale periode. In die tijd was vrijwel alle kennis over de Indische oudheid afkomstig uit de Veda's. Toen de Britten in de 18e eeuw India veroverden kwam een soort romantisch oriëntalisme op gang, waarbij een levendige interesse voor het onderworpen land en zijn geschiedenis ontstond. De ontdekkingen bevestigden het beeld van een ver ontwikkelde beschaving en cultuur die door de Britten van decadentie en verval gered moest worden. Volgens zowel de Duitse indoloog Hermann Jacobi als de Indiase nationalist Bal Gangadhar Tilak waren de hindoeïstische heilige geschriften en epen van gigantische ouderdom: ze zouden uit het 5e of 6e millennium v.Chr. stammen.

Filologisch onderzoek[bewerken]

Bij de bestudering van de Veda's deed de taalkundige William Jones in 1786 de opmerkelijke ontdekking dat het Sanskriet verwant is aan veel Europese talen. Jones bedacht zich dat er waarschijnlijk een gemeenschappelijke moedertaal (het "Indo-Europees") moest hebben bestaan, waaruit zowel de Europese als Noord-Indiase talen ontstaan zijn.[1] Latere filologen gebruikten de naam "Indo-Arische talen" voor het Sanskriet en de ervan afstammende Indiase talen. Ze stelden vast dat deze talen meer verschil hebben met de Dravidische talen van het zuiden van India, dan met Europese talen.

De term "Indo-Ariërs" komt in de Veda's niet voor: daarin wordt het woord "arya" ("rein", "puur") gebruikt om de protagonisten te beschrijven. In de Veda's kunnen aanwijzingen gevonden worden dat deze "arya" niet uit India afkomstig waren. Niet alleen was er de taalkundige relatie met Europa, ook voeren de "arya" in de Veda's strijd tegen "dasa" of "dasyu", stammen met een donkere huidskleur, die het Sanskriet niet machtig waren. De "dasa" werden door de "arya" als "onrein" beschouwd omdat ze de in de Veda's beschreven riten niet kenden. De historici uit de koloniale tijd zagen in de "dasa" de oorspronkelijke bewoners, die door de Indo-Ariërs onderworpen zouden zijn.

Volgens bijvoorbeeld de Duitse oriëntalist Max Müller moesten de oorspronkelijke sprekers van het Indo-Europees een soort "meesterras" zijn geweest. Vanuit het zuiden van Rusland of Centraal-Azië zouden ze naar zowel Europa als India getrokken zijn, waar ze de beschaving zouden hebben gebracht.[2] Müller geloofde niet in de hoge ouderdom van de Vedische teksten. Hij schatte dat deze op de overgang tussen het 2e en 1e millennium v.Chr. (rond 1000 v.Chr.) moesten zijn ontstaan, wat redelijk overeenkomt met de huidige ideeën.[3]

Er waren in de 19e eeuw ook historici die twijfelden aan een afkomst buiten India. De Britse oriëntalist Mountstuart Elphinstone bijvoorbeeld wees erop dat in de Veda's geen plaatsnamen buiten India voorkomen, of verslagen van een grote migratie. De geaccepteerde verklaring hiervoor is echter dat de Veda's enkele eeuwen na de migratie moeten zijn geschreven.[4]

Een superieur ras?[bewerken]

"De Ariërs arriveren in India", een afbeelding uit een Brits prentenboek uit de jaren 1930 waarin het idee van een superieur Arisch ras nog volop doorklonk. De Ariërs worden als "nobel" afgeschilderd, en zouden de onbeschaafde oorspronkelijke bewoners de beschaving hebben gebracht.

Moreel berustte de Britse koloniale heerschappij over India onder meer op de gedachte dat de Britten superieur in cultuur, techniek en beschaving waren. Dat India al zeer vroeg diepgaande beschaving, wetenschap en filosofie bezat was daarom enigszins verontrustend en ondergroef de legitimiteit van het Britse gezag. De idee dat de beschaving vanuit het westen naar India was gebracht stelde gerust en werd dus snel omarmd. Paradoxaal genoeg konden de vroege Indiase nationalisten zich ook in het beeld van een superieure Arische cultuur vinden, omdat het de anciënniteit en grote waarde van de Indiase beschaving bevestigde.[5] Sommige inheemse historici gingen zelfs zover te stellen dat de Ariërs geen migranten waren maar een inheemse Indiase groep moesten zijn geweest.[6]

Overigens is helemaal niet duidelijk wie de "arya" in de Veda's precies waren. Dat een ras of volk bedoeld werd blijkt nergens uit. Mogelijk ging het slechts om de stammen die zich aan de voorgeschreven riten hielden en het Sanskriet machtig waren.

De illusie van een Arisch superras raakte in diskrediet door de propaganda van de nazi's in de jaren 1930 en de catastrofale politieke gebeurtenissen die volgden. Bovendien werden tijdens het Interbellum de ruïnes van de Harappabeschaving opgegraven; een cultuur die ouder en geavanceerder leek dan die van de Vedische periode. De periode raakte vanwege de associatie met de nazi's en racisme taboe, zodat er relatief weinig onderzoek naar werd verricht in de tweede helft van de 20e eeuw.[7]

De invasietheorie[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Arische invasietheorie voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De "arya" worden in de Veda's omschreven als een strijdlustig volk. Bijgestaan door oorlogszuchtige goden als Indra of Agni, binden ze in door paarden getrokken strijdwagens de strijd aan. De conflicten met de "dasa", die zich in "pura" (forten) verschanst hadden, werden tot halverwege de 20e eeuw als bewijs gezien dat de Indo-Ariërs veroveraars waren, die de oorspronkelijke bevolking hadden onderworpen.

In de 20e eeuw, na de ontdekking van de Harapppabeschaving, kwam het idee op dat deze beschaving door Indo-Arische invallers ten val was gebracht. Dit idee werd nog in 1947 mogelijk geacht door de Britse archeoloog Mortimer Wheeler, die opgravingen in Harappa deed.

Pas in de tweede helft van de 20e eeuw raakte het idee dat Indo-Ariërs met een gewelddadige invasie het subcontinent veroverden achterhaald. Taalkundig (filologisch) onderzoek wees eerder op een geleidelijke verspreiding, mogelijk in verschillende migratiegolven die uit kleine groepen (stammen) bestonden. Oorspronkelijke bewoners namen de taal en cultuur van deze "arya" over of integreerden erin. Bovendien werd ontdekt dat in de ruïnes van de Harappabeschaving vrij weinig sporen van een gewelddadige vernietiging voorkwamen. In plaats daarvan leken de bewoners hun steden zelf geleidelijk de rug toe te hebben gekeerd.[8]

Afkomst en begin van de Vedische cultuur[bewerken]

De mogelijke verspreiding van Indo-Europese talen tussen 4000 en 1000 v.Chr., vanuit de Pontisch-Kaspische steppe ten noorden van de Zwarte en Kaspische Zee.

Herkomst van de Indo-Ariërs[bewerken]

De meest waarschijnlijke oorsprong van de Indo-Europese talen is in de steppes ten noorden van de Zwarte en Kaspische Zee.[9] Dankzij archeologische vondsten in het zuiden van Rusland en Centraal-Azië is bekend dat hier in het 4e millennium v.Chr. de zogenaamde Koergancultuur heerste. De bewoners waren veehoudende nomaden die het paard gedomesticeerd hadden. Verder beschikten ze over koperen en bronzen gebruiksvoorwerpen en wapens, en ontwikkelden ze in een laat stadium strijdwagens met gespaakte wielen.

Een opvolger van de Koergancultuur, de Sroebnacultuur, wordt geassocieerd met de voorouders van sprekers van Indo-Iraanse talen.[6] Rond 2100 v.Chr. moeten de Indo-Ariërs zich van de Iraniërs hebben afgescheiden. Het Sanskriet vertoont grote overeenkomsten met het Oud-Iraans, de taal van de Avesta, het heilige schrift van de zoroastriërs, dat rond dezelfde tijd als de Veda's ontstond. Het oudste historische bewijs voor de Vedische Ariërs komt niet uit India of Centraal-Azië, maar uit Anatolië. Het gaat om kleitabletten gevonden in Hattusa, de hoofdstad van het Hettietenrijk, waarin rond 1380 v.Chr. de namen van Vedische goden en fragmenten Sanskriet voorkomen. Dit suggereert een directe culturele band of gemeenschappelijke culturele afkomst tussen de Vedische Ariërs en Anatolië.[10]

In de oudste van de Veda's, de Rig Veda, zijn geografische aanwijzingen te vinden over de manier waarop de Indo-Ariërs het subcontinent binnen trokken. In oudere delen van het werk worden de rivieren "Kubha" (Kabul) en "Suwastu" (Swat) in het tegenwoordige grensgebied tussen Pakistan en Afghanistan genoemd. Dit gebied was tussen 1500 en 500 v.Chr. toneel van de Gandhara-grafcultuur, die wordt gekenmerkt door een sterke ontwikkeling van begravingsriten, vuuraltaren, de domesticatie van het paard en gebruik van brons en koper. Hoewel deze cultuur vaak in verband wordt gebracht met de Vedische Indo-Ariërs, is daar nooit onomstotelijk bewijs voor gevonden.

Overgang van de Harappacultuur[bewerken]

De Harappacultuur, soms wel "Indusbeschaving" genoemd, was in veel aspecten verder gevorderd dan de Vedische cultuur. De Harappacultuur wordt gekenmerkt door grote, strak geplande steden, zoals Moenjo-Daro of Harappa, waarvan de ruïnes aan het begin van de 20e eeuw werden opgegraven. De Harappanen dreven per schip handel met Mesopotamië en het Arabisch Schiereiland, hadden ossen en olifanten als lastdieren en gebruikten karren voor transport van goederen. Ze hadden een eigen schrift ontwikkeld en bedreven sedentaire landbouw. Grote gebieden waren in cultuur gebracht om de bewoners van de steden van voedsel te voorzien. Het hoogtepunt van de Harappacultuur viel tussen 2300 en 1900 v.Chr..

De omvang van de Gandhara-grafcultuur ("Swat") en de Cemetary H-cultuur. Beide worden in verband gebracht met de migratie van Indo-Ariërs naar het Indisch Subcontinent. De kaart toont de rivieren met de namen die ze in de Rig Veda hebben (bv. "Sindhu" = Indus).

Het idee dat de steden vernietigd werden door hordes (Indo-Arische) invallers wordt niet langer plausibel geacht. Hoewel aan de hand van archeologisch bewijs aanvallen van plunderaars op kleine schaal mogelijk zijn, lag het verval van de Harappabeschaving aan een combinatie van factoren, zoals klimaatsverandering en epidemieën.[8] In sommige ruïnes hebben archeologen een "Late Harappafase" (1900 - 1750 v.Chr.) ontdekt, waarin de stedelijke organisatie verdwenen is en er waarschijnlijk veel minder bewoners waren, maar nog wel andere typische kenmerken van de Harappacultuur zijn terug te vinden. De Veda's bevatten geen enkele verwijzing naar een stedelijke samenleving of typische zaken uit de Harappacultuur. Daarom wordt verondersteld dat er minstens een paar eeuwen tussen het verval van de Harappacultuur en het ontstaan van de Veda's moet zitten. Op grond daarvan schat men dat de Rig Veda tussen 1500 en 1200 v.Chr. ontstond.[11]

Tot de laatste fase van de Harappabeschaving behoort ook de zogenaamde Cemetary H-cultuur, onder andere gevonden in de ruïnes van Harappa. Opmerkelijk is dat de cultuur sterk verschilt van oudere lagen in de stad. Een mogelijke verklaring is dat dit de migratie van de eerste Indo-Ariërs representeert. De nieuwkomers zouden zich rond 1900 v.Chr. in de steden gevestigd kunnen hebben en geleidelijk in de Harappabeschaving zijn opgegaan.[12] Toen de latere ("Vedische") Indo-Ariërs het subcontinent binnentrokken troffen ze daar mogelijk de nazaten van hun verre verwanten aan, die nog enkele overblijfselen van hun oorspronkelijke cultuur bezaten. Dit kan misschien verklaren waarom de "dasa" uit de Veda's ook "mleccha's" (personen die het Sanskriet verkeerd uitspreken) genoemd worden en er soms met de "dasa" samengewerkt werd. Sommige archeologen denken dat de Cemetary H-cultuur uit de Gandhara-grafcultuur ontstond, en de trek van de "arya" naar het oosten weerspiegelt.

Uit de archeologie is na het verval van de Harappabeschaving de Ochre-Coloured Potterycultuur (OCP) bekend. Tot deze cultuur behoren over het noorden van India verspreide vondsten van bronzen of koperen gebruiksvoorwerpen en wapens (bijlen, harpoenpunten, zwaarden, enzovoorts) gecombineerd met okerkleurig aardewerk van veel slechtere kwaliteit dan dat uit de Harappacultuur. De ouderdom van veel vondsten is onzeker, maar sommige moeten uit het begin van het 2e millennium komen. De OCP wordt soms beschouwd als een periode van verval volgend op de Harappacultuur, maar het bewijs voor een verband met de Harappacultuur is mager.[13]

Aryanisatie[bewerken]

Het is onduidelijk of er wel zoiets als een "Indo-Arisch volk" bestaan heeft. Met de "arya" worden in de Veda's waarschijnlijk slechts stammen bedoeld die zich aan de rituele voorschriften hielden, of dit nu nieuwkomers of inheemse groepen waren. In tegenstelling tot de voorstelling van hordes gewapende Indo-Arische veroveraars die de historici uit de koloniale tijd in gedachten hadden, ziet men de verspreiding van de Vedische cultuur tegenwoordig daarom als een geleidelijk proces van assimilatie. De Vedische cultuur werd in die visie verspreid door handelaren en werklieden, niet door verovering. Hetzelfde proces is tegenwoordig nog steeds gaande bij de verspreiding van de hindoeïstische cultuur onder de Adivasi in India, of in andere gebieden ter wereld waar zich Indiase migranten vestigen, zoals Suriname of Fiji. Voor een dergelijk proces zijn geen grote aantallen migranten nodig. Een kleine groep gelukszoekers, handelaren of leraren, in het bezit van superieure technologie of een overtuigende ideologie is al in staat een stam tot de Vedische religie en cultuur te bekeren.[14]

Er zijn inderdaad aanwijzingen in de Veda's te vinden dat, vooral in gebieden verder naar het oosten in de Gangesvlakte, inheemse stammen tot de "arya" gingen behoren. Zo eindigen veel namen van koningen in die gebieden op "-dasa". Uit de Veda's blijkt dat aanvankelijk op de bewoners van deze gebieden werd neergekeken door de stammen in de Punjab en de Yamuna-Gangesdoab, die hun gebied "Aryavarta" ("land van de arya") noemden. Later, in de tijd van de eerste staatjes, verdween dit onderscheid echter en werden de rollen zelfs omgedraaid. "Aryavarta" ging toen ook gebied verder naar het oosten beslaan.

De verspreiding van de Vedische en later Indiase cultuur wordt "aryanisatie" of (vooral buiten India) "indianisatie" genoemd.[15] Concreet houdt aryanisatie in dat de drie belangrijkste kenmerken van de cultuur van de "arya" zich verspreiden.[16] Deze kenmerken zijn:

  • Het gebruik van Sanskriet als taal voor riten en hymnen. Na verloop van tijd staan talen bloot aan verandering. Ook in de Veda's is al een verschil tussen de taal van de oudere en nieuwere delen te zien. Uit het Sanskriet van de Veda's waren in het 1e millennium v.Chr. lokale dialecten ontstaan, de zogenaamde prakrits, de voorlopers van de regionale Indische talen zoals het Bengali, Gujarati of Hindi. Priesters werden echter geacht het Sanskriet in de "pure" vorm uit te spreken. Sanskriet werd een sacrale taal, die deels onbegrijpelijk was voor de bevolking. De priesters (brahmanen) zullen gemerkt hebben dat dit hielp om een indruk op de leek achter te laten.
  • Een machtige priesterklasse. Oorspronkelijk, onder semi-nomadische stammen, waren degenen die de Vedische teksten mondeling doorgaven nog barden en zieners geweest. In een maatschappij van sedentaire landbouwers is echter behoefte aan meer en ingewikkeldere rituelen, en zijn ook meer middelen aanwezig om een priesterklasse (de brahmanen) te onderhouden.
  • Een duidelijke sociale hiërarchie. In India komt dit tot uiting in het kastenstelsel. In de wereld van de semi-nomadische "arya" had elke stam, familie of persoon een bepaalde status, die bepaalde in hoeverre een rol in de religieuze riten gespeeld kon worden. Inheemse, gearyaniseerde stammen hadden een lagere status. De tegenwoordige, rigide kasten ontstonden geleidelijk uit de groeiende sociale hiërarchie van de Vedische periode.

Aan het einde van de Vedische tijd was de aryanisatie over de gehele Gangesvlakte verspreid en had het proces via de kustgebieden het zuiden van India bereikt.

Archeologische culturen geassocieerd met de vroege Vedische periode[bewerken]

Aardewerken kommen uit de Black and Red Warecultuur, gevonden in Sonkh, in de buurt van Mathura, 900-600 v.Chr.. Government Museum, Mathura (Uttar Pradesh).

De Ochre-Coloured Potterycultuur wordt opgevolgd door de zogenaamde Painted Grey Warecultuur (PGW), die gepaard gaat met de introductie van op primitieve manier bewerkt ijzer. Enige overlap van vondsten uit de twee culturen in de Punjab duidt erop dat de PGW nog voor 1000 v.Chr. begon.[17] De keramiek van de PGW werd gemaakt op pottenbakkersschijven en is beschilderd met geometrische patronen en bloemmotieven. De PGW is verspreid over de Punjab, de Yamuna-Gangesdoab, het westen van de Gangesvlakte en delen van het huidige Rajasthan.[18] De PGW komt overeen met het gebied waar volgens de Vedische literatuur de stammen die zichzelf Kuru's noemden woonden. De Kuru's spelen een centrale rol in de latere delen van de Rig Veda en het epos de Mahabharata. Uit dezelfde periode wordt over een groter gebied in het noorden en midden van India aardewerk van de zogenaamde Black and Red Ware (BRW) gevonden. Deze cultuur wordt in verband gebracht met de Yadava's, stammen die zich in het gebied ten zuidwesten van de Kuru's hadden gevestigd. De verspreiding van de BRW naar het zuiden, naar het gebied dat in de Veda's Avanti genoemd wordt (het tegenwoordige Malwa), en de PGW naar de Gangesvlakte in het oosten zou de verspreiding van de Vedische cultuur kunnen vertegenwoodigen.

Een probleem is dat in de vroegste Vedische bronnen geen ambachtslieden als pottenbakkers, smeden of bakkers voorkomen. Deze ambachten spelen immers geen rol onder groepen semi-nomadische veehouders. Toen de "arya" eenmaal een vast bestaan kozen kwamen ze onder de inheemse bevolking pottenbakkers tegen. Deze werden als onrein beschouwd omdat ze bij hun werk met de elementen in aanraking komen. Mogelijk was de afkeer die de "arya" voor bepaalde hen onbekende ambachten voelden mede-oorzaak voor het ontstaan van het kastenstelsel. Hoe dit ook zij, de keramiek uit archeologische vondsten kan lastig aan Indo-Ariërs worden toegeschreven. Ze laat waarschijnlijk een continue ontwikkeling van een inheemse traditie zien. Maar omdat ook de ambachtslieden in de Vedische cultuur geassimileerd werden, kunnen vondsten uit de PWG en BRW wel degelijk aanwijzingen geven hoe de Vedische cultuur zich over het noorden van India verspreidde.[19]

Vedische bronnen en literatuur[bewerken]

Een "vyasa" (verhalenverteller) leest op uit de Mahabharata, rond 1913.[20] De hindoeïstische epen werden eeuwenlang op vergelijkbare wijze door Vedische barden doorverteld alvorens ze op schrift gesteld werden.

De gebeurtenissen uit de vroege Vedische periode (1600 - 1200 v.Chr.) moeten worden gereconstrueerd aan de hand van een combinatie van archeologische vondsten en (veel later vastgelegde) schriftelijke bronnen zoals de Veda's. De archeologie geeft in deze periode een duidelijke opeenvolging van culturen en technologische ontwikkelingen. Sommige van die ontwikkelingen kunnen ook uit de Vedische bronnen worden opgemaakt. Het wordt echter problematisch wanneer geprobeerd wordt de in de Vedische literatuur beschreven stammen, oorlogen en eindeloze genealogische lijsten met archeologische vondsten in verband te brengen.[21] Vedische bronnen zijn niet samengesteld met het doel de geschiedenis zo waarheidsgetrouw mogelijk weer te geven. Zowel de barden en priesters die de traditie mondeling doorgaven als de schrijvers die haar uiteindelijk schriftelijk vastlegden hadden andere doeleinden, zoals een koning of stam een prestigieuze afkomst verschaffen, of religieuze ideeën verspreiden. Hoewel in bepaalde fragmenten vrijwel zeker een historische waarheid moet schuilen en bepaalde "koningen" waarschijnlijk op historische personen gebaseerd zijn, is het onmogelijk een betrouwbare chronologie op te stellen aan de hand van alleen de schriftelijke bronnen.

Vedische mythologie[bewerken]

De vier Veda's bevatten voornamelijk religieuze hymnen en voorschriften. Als de oudste delen werkelijk rond 1600 v.Chr. ontstonden, betekent dit dat ze duizend jaar lang mondeling doorgegeven werden. De priesters hadden echter een goede reden de tekst zeer nauwkeurig door te geven: bij het uitspreken van de sacrale tekst was het onontbeerlijk dat de juiste woorden, zelfs uitspraak en intonatie gebruikt werden. De Vedische literatuur is echter omvangrijker dan alleen de Veda's. De Brahmana's zijn commentaren op en handleidingen bij de rituelen uit de Veda's. De Upanishaden en de Aranyaka's zijn filosofische verhandelingen die de mystiek en spiritualiteit van de Veda's onderzoeken. Ze werden aanvankelijk mondeling overleverd, en kregen rond 500 v.Chr. hun definitieve vorm.[22]

Hoewel in al deze geschriften aanwijzingen gevonden zijn over de Vedische cultuur en maatschappelijke ontwikkeling, bevatten ze geen integrale visie op het verleden, in de vorm van een complete kosmologie of mythologie. De Vedische mythologie is voornamelijk afkomstig uit de Purana's en de twee grote epen, de Mahabharata en de Ramayana. Ook deze bronnen werden pas rond 500 v.Chr. schriftelijk vastgelegd,[23] en in tegenstelling tot de Veda's dragen ze de sporen van intensieve herwerking. Er zijn honderden Purana's, elk bestaande uit duizenden verzen, waarvan 18 werken (de "mahapurana's") als de belangrijkste worden ervaren. Ten eerste bevatten ze voorschriften voor aanbidding van, offeren aan, en lofzangen op verschillende godheden. Er zijn ook commentaren op de Veda's, vertellingen over de handelingen van de goden, en beschrijvingen van het hiernamaals.

Het ontstaan van de huidige kosmos (volgens de hindoeïstische kosmologie herhaalt de schepping en vernietiging van de kosmos zich cyclisch) wordt verteld in de Linga Purana. De aarde werd volgens de Vedische mythologie in het begin geregeerd door de Manu's, waarvan er zeven waren. De eerste was Svayambhu Manu, die uit de god Brahma werd geboren. De laatste Manu (Sraddhadeva Manu) was de voorouder van de mensheid en de hoofdrolspeler in een zondvloedverhaal. Dit verhaal, uit de Matsya Purana, vertoont overeenkomsten met de Mesopotamische mythe van Gilgamesh, waaruit ook het Bijbelse zondvloedverhaal verondersteld wordt te zijn afgeleid. Mogelijk was het verhaal tijdens de Harappabeschaving door contact met Mesopotamische handelaren naar India gebracht. In de Matsya Purana waarschuwt de god Vishnu Manu tijdig voor de zondvloed. Manu brengt zijn familie in veiligheid in een boot, geholpen door Vishnu, die de verschijning ("avatar") van de vis Matsya aanneemt. Genealogische lijsten uit de Purana's laten zien hoe de verschillende Vedische stammen en koningen van Manu afstammen. De belangrijkste stamreeksen zijn de zogenaamde zondynastie, die begint met Manu's oudste zoon Ikshvaku en de maandynastie die begint met zijn dochter Ila.[24]

De Vedische epen[bewerken]

De genealogieën bevatten bijna honderd generaties en moeten daarom deels fictief zijn. Ook karakters uit de Mahabharata en Ramayana zijn erin opgenomen. Een belangrijk omslagpunt is de Bharata-oorlog, die centraal staat in de Mahabharata. Na de afloop van de oorlog begint de huidige en laatste era van de kosmos, de Kali Yuga. De genealogische reeksen houden op bij de koningen van het begin van de historische periode, rond 500 v.Chr., wanneer verondersteld wordt dat de Purana's zijn vastgelegd. De helden van de Mahabharata, die van de maandynastie afstamden, waren volgens deze reeksen de voorouders van de Kuru's.

De Mahabharata is langer dan de Ramayana. Hoewel beide epen rond 350 v.Chr. voor het eerst op schrift gesteld moeten zijn, wordt de kern van de Mahabharata verondersteld ouder te zijn. Het epos verhaalt de twist om het koningschap over de Kuru's tussen de Pandava's en de Kaurava's. De eersten zijn de vijf zonen van Pandu, een prins die vanwege een vloek zelf geen koning kon worden. De Kaurava's zijn hun neven, de 100 zonen van de blinde koning Dhritarashtra. De verhaallijn wordt veel onderbroken door ethisch-didactische verhandelingen, die merendeels verondersteld worden latere interpolaties te zijn, zoals in de Bhagavad Gita. In de Mahabharata staan stam- en familiebanden centraal. Het epos geeft de indruk van een nostalgische terugblik naar een eerdere tijd, toen dergelijke waarden belangrijk waren. Met name het slot, waarin de Pandava's geen werkelijke vreugde uit de overwinning kunnen putten, en zich uiteindelijk terugtrekken uit het wereldse bestaan, heeft een melancholische toon.[25]

Hoofdrolspelers uit de Ramayana: de apengod Hanuman aanbidt Rama en Sita. Rama's broer Lakshmana wuift het echtpaar koelte toe. In de wildernis waar Rama naartoe werd verbannen vond hij in de apengod een trouwe bondgenoot die hem hielp zijn vrouw en troon terug te winnen. Dit kan als allegorie beschouwd worden op de aryanisatie van bewoners van de wildernis. Vroeg-17e-eeuwse schildering, Mewar.

De Ramayana is veel korter dan de Mahabharata en speelt zich verder naar het oosten af, in de centrale Gangesvlakte en de Vindhyaheuvels. Hoewel in het epos verwijzingen naar plaatsen over heel India voorkomen, zijn dit vrijwel zeker latere interpolaties. De vele parallellen met bijvoorbeeld de Jatakaverhalen uit de boeddhistische traditie duiden erop dat de Ramayana werd samengesteld uit verschillende fragmenten van eerdere vertellingen.[26] In tegenstelling tot de Mahabharata speelt de Ramayana zich af in een maatschappij waarin het koningschap centraal staat. De hoofdpersoon, Rama, is de erfgenaam van de troon van de stad Ayodhya, maar wordt met zijn vrouw Sita verbannen naar de wildernis. Sita wordt ontvoerd door de demonenkoning Ravana, maar met behulp van de apenkoning Hanuman weet Rama de demonenkoning te verslaan en zijn vrouw te bevrijden. Sita dient echter haar onschuld (maagdelijkheid) aan te tonen alvorens de overwinnaars terugkeren naar Ayodhya, waar Rama de troon bestijgt. Zijn heldhaftigheid en rechtvaardigheid worden gezien als voorbeeld van ideaal hindoeïstisch koningschap.

Verspreiding van de Vedische cultuur in de vroege Vedische periode, tijdens het ontstaan van de Rig Veda (1500 - 1100 v.Chr.). De pijlen geven de richting van de latere verspreiding aan.[27]

Geografie van de Vedische literatuur[bewerken]

Achter sommige namen of vertellingen gaat een historische achtergrond schuil, want in sommige gevallen hebben archeologische opgravingen een vertelling bevestigd. In de Mahabharata is Hastinapura bijvoorbeeld de hoofdstad van de Kaurava's. De stad lag op de doab tussen de Ganga en de Yamuna en werd volgens een vertelling vernietigd door een grote vloed. Dit wordt archeologisch gestaafd door sporen van een grote vloed die rond 800 v.Chr. moet hebben plaatsgevonden. Aan de hand hiervan schat men dat als de Bharata-oorlog op een historisch conflict berust, dit rond 900-950 v.Chr. moet hebben plaatsgevonden.[28]

De geografie van de Rig Veda beperkt zich tot het noordwesten van het subcontinent: naast de tegenwoordige Pakistaans-Afghaanse grensstreek ook de "sapta-sindhu", het gebied van de zeven rivieren: de Indus en zijn vijf zijrivieren, samen met de later opgedroogde Sarasvati. Dit gebied was waar de Indo-Ariërs zich aanvankelijk gevestigd moeten hebben en waar ze voor het eerst de overstap van een semi-nomadisch bestaan naar vaste woonplekken en landbouw moeten hebben gemaakt.[29] In de andere drie Veda's worden ook gebieden oostelijker in de Gangesvlakte genoemd. Dit laat zien dat de aryanisatie in de loop der tijd naar het oosten verspreidde; de oostelijkere gebieden waren eenvoudig nog niet bekend toen de Rig Veda werd vastgelegd. De verder naar het oosten gelegen Yamuna wordt slechts enkele malen genoemd in de Rig Veda.

In de tussen 900 en 600 v.Chr. ontstane Brahmana's en Upanishaden verschuift de focus echter naar de doab tussen de Yamuna en de Ganges.

De vroege Vedische maatschappij[bewerken]

Sociale organisatie[bewerken]

De "arya" uit de vroege Vedische periode waren ingedeeld in stammen ("jana"). De stam bestond uit verschillende groepen samen optrekkende families, zogenaamde "grama". Interessant is dat de betekenis van het woord "grama" na de omslag naar sedentaire landbouw veranderde: hoewel het aanvankelijk een nomadische groep families inhield, werd het in de latere Vedische bronnen voor een dorp gebruikt. Er werd onderscheid gemaakt tussen families met een lagere status ("vish") en hogere status ("rajanya").[30]

In de Rig Veda worden de leiders van stammen "raja" genoemd, hetgeen in moderne Indo-Arische talen "koning" betekent. Waarschijnlijk kan dit woord voor de vroege Vedische tijd beter als "stamhoofd" vertaald worden. Gesteund door de belangrijkste leden van de "rajanya's", was het stamhoofd verantwoordelijk voor de verdediging en de aanvallen op andere stammen, die vooral ten doel hadden meer vee te veroveren. Bezit en prestige werd afgemeten in vee, wat blijkt uit het feit dat het woord voor oorlog in het Sanskriet ("gavishti") letterlijk zoiets betekent als "het verwerven van koeien".[31] Het aanzien van het stamhoofd hing af van zijn succes in de oorlogsvoering, maar ook in het succesvol volbrengen van offerrituelen ("yajna").

De stam kwam regelmatig samen, onder andere om deze offerrituelen uit te voeren. De priesters, wier taak het was de duizenden hymnen en voorschriften uit de Veda's uit het hoofd te leren en te onthouden, speelden een onmisbare rol bij de uitvoering van het ritueel. Een succesvol uitgevoerd offer werd geacht de goden gunstig te stemmen en de stam en het stamhoofd prestige en voorspoed te brengen.

De samenleving was sterk patriarchaal georganiseerd. Rechtspraak vond plaats op basis van weergeld, waarbij de strafmaat afhing van de sociale status van de benadeelde persoon.[31]

Vedische religie[bewerken]

De goden die in de Veda's en Purana's centraal staan werden geassocieerd met de natuurkrachten, zoals verwacht kan worden bij semi-nomadische volkeren. Deze goden worden ook in het tegenwoordige hindoeïsme nog aanbeden, maar zijn daarin tot bijrollen teruggedrongen. De belangrijkste Vedische god was Indra, een oorlogsgod die volgens de Veda's met zijn bliksemschicht en strijdwagen de "dasa" en hun vestigingen vernietigde. Agni is een vuurgod, die hielp het oerwoud te ontginnen en het vuuroffer overzag. Ook Agni heeft in de Veda's weinig geduld met de "dasa", wiens vestigingen hij platbrandde. Mogelijk geeft dit inzicht in de wijze waarop de "arya" oorlog voerden. Andere belangrijke goden waren Surya, de zonnegod, en Varuna, de goddelijke rechter.

Het offerritueel was het moment waarop de stam samenkwam om de welgezindheid van de goden te verwerven. Meestal bestonden de offers uit vee of paarden, hoewel soms mensenoffers voorkwamen. Seks, fysieke competitie, gokspelen en de consumptie van "soma", een stimulerende drank die waarschijnlijk hallucinaties opriep, speelden allemaal een rol bij de rituelen.[32] De rituelen konden alleen geleid worden door de priesters. Deelname vereiste dat men zich eerst aan een purificatieritueel onderwierp, maar hing ook af van iemands positie binnen de sociale hiërarchie. De Vedische voorschriften zijn extreem gedetailleerd. Een offer kon alleen succesvol zijn als de priester de hymnen en spreuken op de juiste manier uitsprak, de deelnemers "rein" waren, en aan andere gedetailleerde vereisten werd voldaan, zoals de oriëntatie van het altaar of de manier waarop het offer ontleed werd. De strikte voorschriften van de Vedische religie brachten de studie van meetkunde en astronomie op gang in de klassieke Indische wetenschap, en droegen tegelijkertijd bij aan het ontstaan van het Indiase kastenstelsel.[33]

Status van de vrouw[bewerken]

In de vroege Vedische periode hadden vrouwen een hogere status en grotere vrijheid dan later het geval was. Vrouwen werden geacht een rol te spelen bij de Vedische offerrituelen en hadden het recht de stamvergadering ("vidatha") toe te spreken. Dochters werden net als zoons onderricht in de wijsheden uit de Veda's. Het was ongehuwde vrouwen toegestaan zelfstandig naar een geschikte huwelijkspartner te zoeken en uithuwelijking kwam weinig voor. Huwelijken tussen verschillende klassen of kasten waren niet ongebruikelijk. Weduwen werden normaal gesproken geacht te hertrouwen en het gebruik van weduwenverbranding ("sati") is waarschijnlijk veel later ontstaan.[34]

Desondanks stonden zoons in hoger aanzien dan dochters, omdat alleen een zoon de crematieriten uit kon voeren na het overlijden van de ouders. De Veda's bevatten ook teksten die vrouwen als onbetrouwbaar en minderwaardig afschilderen. in de latere Brahmana's worden vrouwen met het kwaad geassocieerd. De positie van de vrouw ging gedurende de Vedische periode duidelijk achteruit.

Overstap naar sedentaire landbouw[bewerken]

Dat de "arya" oorspronkelijk geen landbouw bedreven of huizen bouwden valt af te leiden uit het feit dat woorden voor zaken als ploeg, vijzel, graan of rijst pas in latere geschriften verschijnen, en geen Indo-Europese stam hebben. Deze woorden waren blijkbaar overgenomen uit inheemse, Dravidische talen.[35] Er zijn door archeologen dan ook geen restanten van gebouwen of nederzettingen gevonden die aan Vedische "arya" kunnen worden toegeschreven.

De overgang naar sedentaire landbouw zal vooral zijn afgedwongen door het warme en natte Indiase klimaat. In tegenstelling tot de droge vlakten van Centraal-Azië heeft het Indisch Subcontinent een regenseizoen, waarin de bewoners vrijwel gedwongen worden tijdelijk op dezelfde plek te blijven wonen. Technieken van de landbouw en ambachten die daarmee gepaard gaan konden vervolgens worden afgekeken van de inheemse bewoners, die in de Vedische cultuur werden opgenomen.

In de tijd dat de Vedische cultuur zich richting de Gangesvlakte verspreidde waren de "arya" volledig aan een sedentair bestaan gewend geraakt. De Gangesvlakte bood echter een nieuwe omgeving. In tegenstelling tot het relatief droge noordwesten van het subcontinent was dit drassige laagland in die tijd nog begroeid met dicht oerwoud. De geschriften geven aanwijzingen hoe het land in cultuur gebracht werd. De Satapatha Brahmana, een tekst die tussen 800-600 v.Chr. moet zijn ontstaan, beschrijft hoe de god Agni een pad van vuur maakte van west naar oost door de Gangesvlakte, zodat het land voor menselijk gebruik gereed werd. Aangekomen bij de rivier de Gandaki beval de god het stamhoofd Videgha Mathava hem naar de overkant te dragen. In het gebied aan de andere zijde van de rivier zouden zijn afstammelingen later over het koninkrijk Videha regeren. Rond 800 v.Chr. was dit het oostelijkste gebied waarin de Vedische cultuur was doorgedrongen.[36]

De ontbossing werd waarschijnlijk vergemakkelijkt toen bronzen en koperen gereedschappen plaats maakten voor ijzer, een ontwikkeling die rond 1000-900 v.Chr. plaatsvond. IJzer wordt al in jongere delen van de Rig Veda genoemd,[37] maar lijkt in het begin voornamelijk voor wapens gebruikt te zijn.

Latere Vedische ontwikkelingen (1100-500 v.Chr.)[bewerken]

Verspreiding van de Vedische cultuur en belangrijkste Vedische stammen of proto-staatjes tussen 1100-500 v.Chr..[27]

Ontstaan van steden[bewerken]

De omslag naar een sedentair bestaan had grote sociale gevolgen. De grotere hoeveelheid voedsel en middelen die een dergelijk bestaan met zich meebrengt betekende dat grotere aantallen in dezelfde nederzetting samen konden leven. Binnen deze grotere nederzettingen konden de inwoners zich specialiseren in bepaalde taken of ambachten, wat op zijn beurt een ingewikkeldere sociale hiërarchie tot gevolg had. Niet stam- of familierelaties, maar de woonplek en het domein van de stam staan centraal in de identiteit van een dergelijke nederzetting. In de latere teksten onder de Brahmana's worden deze gebieden die een bepaalde stam toebehoren "janapada's" genoemd ("jana" betekent "stam" en "pada" betekent voet - vrij vertaald het gebied onder de voeten van een stam).[38]

Met name in de vruchtbare Gangesvlakte was de oogst zo rijk dat uiteindelijk nederzettingen ter grootte van steden konden ontstaan. Dit wordt wel de tweede urbanisatie op het subcontinent genoemd, na de eerdere Harappacultuur. In steden konden ambachtslieden en priesters zich beter toeleggen op hun traditionele rollen dan eerder het geval was. De ambachten, religie, filosofie, kunst en wetenschap bloeiden op. Belangrijk was de komst van het Brahmischrift, mogelijk in de 6e of 5e eeuw v.Chr., zodat teksten en ideeën voortaan vastgelegd werden in plaats van mondeling doorverteld.

Rond 1000 v.Chr. vormden het noordwesten en de Ganges-Yamunadoab nog "Aryavarta", het centrum van de Vedische cultuur. Die rol werd later door de centrale en oostelijke Gangesvlakte overgenomen.[39] Het drogere Avanti en het tegenwoordige Rajasthan bleven bij deze gebieden achter. De daar levende Yadava's bleven ook in de latere Vedische periode een semi-nomadisch pastoraal bestaan leiden.

Ontwikkeling van het kastenstelsel[bewerken]

De macht en status van een stam hangt in een sedentaire samenleving niet langer af van de hoeveelheid vee die men bezit, maar van de hoeveelheid land en stamleden. Succesvolle leiders heersten niet langer over een stam of groep families, maar konden grotere gebieden en meerdere stammen regeren. Dit was de basis voor het ontstaan van de eerste staatjes tussen 800 en 500 v.Chr..[39]

De machtigste leiders, wiens families de "kshatriya" (van "kshatra", dat "macht" betekent) werden genoemd, vormden samen met de priesters (de "brahmanen") een sociale bovenklasse in de sedentaire samenleving. De status van de stamleider berustte bij een nomadisch bestaan op succesvolle rooftochten, waarbij vee op andere stammen werd buitgemaakt. Bij een sedentair bestaan ontleenden leiders hun status meer aan het succesvol uitvoeren van offerrituelen, waartoe alleen brahmanen in staat waren.[40] De brahmanen werden daardoor machtiger; en het priesterschap werd erfelijk.

De rest van de bevolking, "arya" met een lagere status zowel als niet-"arya", hadden ten taak in de behoeftes van de bovenklasse te voorzien. Uit de stammen met een lagere status ("vish") ontstond de "vaishya"-kaste, die bestaat uit boeren en handelaren. Nog lager stonden de "shudra" en "dasa". De "dasa" komen in de Veda's voor als tegenstanders die door de "arya" werden onderworpen. De teksten beschrijven ze als verachtelijke, onaantrekkelijke en onbeschaafde lieden met een donkere huidskleur en platte neuzen, die slechts geschikt werden geacht om in dienst van "vaishna" het land te bewerken. Omdat er ook "dasa" gevangengenomen werden in conflicten met andere groepen "arya", slaat "dasa" desondanks mogelijk niet op een etnische groep, maar was het de verzamelnaam voor in oorlog gevangengenomen slaven.[30]

Bestuur van de janapada's[bewerken]

De macht binnen een janapada lag in handen van de belangrijkste (kshattriya-)families ("rajanya's"), die de leider ("raja") bijstonden in het bestuur. De leidende families ontvingen belasting van de boeren en handelaren (vaishya's). Aan het einde van de Vedische tijd ontwikkelden zich uit dit systeem de eerste koninkrijken, met een energieke vorst aan het hoofd. De vorst werd meestal verkozen door de stamraad ("samiti"), met wie hij bij de besluitvorming de macht moest delen. In andere janapada's was de "raja" slechts een oorlogsleider of het belangrijkste lid van de raad. Er waren ook janapada's die helemaal geen leider of koning hadden en door de raad van familiehoofden zelf bestuurd werden. Qua machtsstructuur waren deze zogenaamde "gana-sangha's" een soort aristocratische republiekjes.[41]

Het koningschap werd ritueel bevestigd door op de Veda's gebaseerde en in de Brahmana's beschreven offerrituelen, die opnieuw het belang van de brahmanen bevestigden. Bij de troonsbestijging onderging de "raja" het ritueel van "rajasuya", dat hem goddelijke autoriteit zou verlenen en jaarlijks herhaald werd.[42] Gedurende zijn regering voerde de vorst regelmatig kortere offerrituelen uit ("vajapeya") die ten doel hadden hem goddelijke krachten te verlenen.

Een ander belangrijk ritueel was aswamedha, het paardenoffer. Het paard symboliseerde kracht en viriliteit, en de macht van de stamleider. De beschrijving van het aswamedha-ritueel bevat een passage waarin de vrouw van het stamhoofd geslachtsgemeenschap heeft met het offerpaard, wat de viriliteit van het stamhoofd symboliseerde. Later lijkt dit gebruik niet meer te zijn nageleefd. In plaats daarvan werd het paard losgelaten, waarna het gebied waar het doorheen liep door de stam geclaimd moest worden. Als dit al aan een andere stam behoorde moest deze worden onderworpen. Pas nadat al het land daadwerkelijk geconfisqueerd was, vond het offer zelf plaats. Dit laat zien hoe de perceptie van leiderschap veranderde nadat het seminomadisch voor een sedentair bestaan was verwisseld. In sedentair verband overstijgt het leiderschap de stam- en familierelaties, en wordt de macht van de leider afgemeten aan de hoeveelheid land die hij beheerst.[43]

Ontstaan van de Indiase filosofie[bewerken]

De religie van de vroege Vedische periode was gebaseerd op een geloof in de macht van de "arya" en hun goden. Dit eenvoudige geloof maakte na de omslag naar een sedentaire maatschappij echter plaats voor groeiende onzekerheid en scepticisme. De riten en magie van de Veda's en brahmanen konden de onzekerheid niet wegnemen. In bijvoorbeeld de laatste (tiende) mandala van de Rig Veda en in de Upanishaden wordt openlijk getwijfeld aan het bestaan en de macht van de goden en de magie van de brahmaanse offerriten. In plaats daarvan wordt gewezen op het begrip karma, het idee dat iemands daden repercussies hebben, niet alleen voor het huidige leven maar ook in volgende levens. Het idee was waarschijnlijk afkomstig uit een inheemse traditie en werd pas later in de Vedische teksten opgenomen.

De vraag wat de juiste acties zijn (ethica) wordt onder andere besproken in de Baghavad Gita, een latere toevoeging aan de Mahabharata. De donkergekleurde god Krishna, die in de Baghavad Gita de levensvragen beantwoordt, was mogelijk een lokale god uit de omgeving van Mathura, die in het hindoeïstische pantheon werd opgenomen.

De rond 750-500 v.Chr. ontstane Upanishaden en Aranyaka's beschrijven de mystieke filosofie van individuele verlichting. De ascetische mystici die deze teksten aanhingen trokken zich uit de maatschappij terug om in afzondering door meditatie, zelf-immolatie of vasten religieuze inzichten te verkrijgen en verlossing ("moksha" of "nirwana") te bereiken. Centraal staan de concepten van de individuele ziel ("atman") en het goddelijke ("brahman"), waar de ziel mee verbonden is. De mystici verkozen een persoonlijke spirituele zoektocht in plaats van de brahmaanse offercultus.[44] Ze zochten hun afzondering vaak in het woud: de naam Aranyaka betekent "teksten uit het woud".

Overgang naar de klassieke periode (± 500 v.Chr.)[bewerken]

Mahajanapada's[bewerken]

De locatie van de zestien mahajanapada's rond 500 v.Chr..[45]

Aan het einde van de Vedische tijd vonden twee belangrijke politieke ontwikkelingen plaats. Ten eerste waren de janapada's door verovering of samensmelting van verbonden van stammen steeds groter geworden. Deze grotere stamverbanden worden "mahajanapada's" genoemd. In bijvoorbeeld het geval van het koninkrijk Panchala in de centrale Gangesvlakte wijst de naam op de oorsprong in een verbond van vijf stammen ("panch" betekent vijf). De latere Vedische bronnen noemen zestien mahajanapada's, die in de 6e en 5e eeuwen v.Chr. in een band over het noorden van het subcontinent verspreid lagen. Enkele belangrijke rijken waren Gandhara met de hoofdstad Taxila in het noordwesten (tegenwoordig in het noorden van Pakistan), en Koshala en Magadha verder naar het oosten van de Gangesvlakte. De hoofdstad van Koshala, Ayodhya, is waar de Ramayana zich afspeelt. De meest oostelijke van de mahajanapada's was het koninkrijk Anga in de Gangesdelta.

Een tweede, parallelle ontwikkeling was dat de positie van de koning een religieuze aard kreeg en daardoor onaantastbaarder werd. De vorst werd verantwoordelijk gehouden voor het handhaven van de kosmologische orde en vruchtbaarheid van het land. Koning en brahmanen vormden in de late Vedische maatschappij de bovenklasse en waren voor behoud van hun dominante positie wederzijds afhankelijk van elkaar. In koninkrijken als Magadha of Koshala was het koningschap in principe erfelijk. De leider kwam echter vaak aan de macht als gevolg van een machtsstrijd binnen de belangrijkste families. Voor zijn legitimiteit was hij afhankelijk van de brahmanen, die door de koningen beloond werden met patronage, land en goederen. Als onderdeel van de machtsovername was de koning verplicht rituele bezoeken aan de belangrijkste familiehoofden te brengen voordat hij de troon kon bestijgen. De gewone bevolking had echter niets in te brengen en was slechts getuige bij de "rajasuya" waaraan de heerser zijn macht ontleende.[42]

Staatjes bestuurd door een raad van leiders ("gana-sangha's") waren rond 500 v.Chr. op hun retour, hoewel dergelijke "republiekjes" tot ver na de Vedische periode voor bleven komen: de Licchhavi's in het oosten van de Gangesvlakte en het tegenwoordige Nepal zijn daarvan een bekend voorbeeld.

Ontstaan van boeddhisme en jainisme[bewerken]

In de 6e en 5e eeuw v.Chr. ontwikkelde zich uit de mystici en asceten van de Upanishaden en Aryanka's een religieuze stroming tegen het brahmanisme. Deze "sramanabeweging" of "sramanisme" verwierp het rigide kastenstelsel, de offercultus en de dominante rol van de brahmanen bij de uitoefening van religie. Uit de beweging ontstonden een aantal nieuwe religies die gingen concurreren met de brahmaanse priesters. Belangrijkste exponenten van de beweging waren Gautama Boeddha, de stichter van het boeddhisme en Mahavira, de stichter van het jainisme. Beide preekten een in essentie atheïstische, ascetische filosofie, die door gemeenschappen van monniken werd vastgelegd en verspreid.

De boeddhistische en jainistische geschriften geven als historische bronnen voor het eerst een duidelijk overzicht over de politieke situatie in het noorden van India. De Boeddha zelf wordt daarom wel als de eerste historische persoon in de Indiase geschiedenis beschouwd. De genoemde gebeurtenissen kunnen bovendien vaak gestaafd worden met passages uit de latere Vedische bronnen zoals de Purana's of de Mahabharata.

De eerste keizerrijken[bewerken]

Dankzij de boeddhistische teksten is veel meer bekend over de politieke gebeurtenissen van de 6e en 5e eeuwen v.Chr. dan over eerdere ontwikkelingen. Tijdens het leven van de Boeddha vonden gebeurtenissen plaats die de aanloop vormden voor het ontstaan van de eerste keizerrijken - staten die door gebiedsuitbreiding zo groot werden dat hun invloed de eigen regio ontsteeg. Dit wordt gezien als het einde van de Vedische en begin van de klassieke (imperialistische) periode. Uit de boeddhistische geschriften is bekend dat aan het einde van de 6e eeuw v.Chr. een koning met de naam Bimbisara in het koninkrijk Magadha aan de macht was, ten zuiden van de Ganges. Bimbisara ontving de Boeddha een paar maal persoonlijk, en bekeerde zich later tot het boeddhisme. Met een agressief expansionistische politiek onderwierp hij zijn buurstaten. In de legers van Magadha werden nieuwe krijgsmachines zoals katapulten en gepantserde strijdwagens ingezet.

Ook Koshala voerde een op gebiedsuitbreiding gerichte oorlog tegen kleinere rijkjes in het noorden, waaronder Shakya, waar de Boeddha vandaan kwam. Door een huwelijk werden Koshala en Magadha verbonden. Bimbisara's opvolgers zetten de expansionistische politiek voort, en binnen een halve eeuw tijd was gebied van Anga in het oosten tot Avanti in het zuidwesten onder dezelfde heerser verenigd. Magadha was uitgegroeid tot het eerste keizerrijk uit de Indische geschiedenis. Een voor de brahmanen schokkende gebeurtenis was de machtsovername door Mahapadma Nanda, de stichter van de kortdurende Nandadynastie, rond 380 v.Chr.. Mahapadma was een "laaggeboren" shudra en zijn koningschap werd door de brahmanen gezien als een slecht voorteken en een gevolg van het begin van de Kali Yuga, de era van moreel verval. De macht van de kshatriya's was echter doorbroken en de Vedische wereldorde werd niet langer gevolgd. Mahapadma wordt soms als de eerste Indiase keizer beschouwd. Hij veroverde het hele noorden van India en zelfs verder gelegen gebieden als Kalinga aan de oostkust van het Indisch Schiereiland.

Het enorme rijk van de Nanda's kon alleen onder de duim worden gehouden en tegen invallen beschermd door een groot staand leger, dat op elk moment ingezet kon worden. De kosten hiervoor maakten het noodzakelijk steeds nieuwe gebieden te veroveren om buit te vergaren. De expansionistische machtspolitiek die hiervoor noodzakelijk was werd door de schrijver Kautalya beschreven in de Arthashastra. Kautalya leefde in de 4e eeuw v.Chr. en wordt wel de "Indiase Machiavelli" genoemd. De Nandadynastie werd rond 320 v.Chr. opgevolgd door de Mauryadynastie, die een nog groter gebied bestuurde.[46]