Moedertaal

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Een moedertaal (of T1) is een taal die tijdens de jeugd, zonder formeel taalonderwijs, wordt verworven. Kenmerkend voor moedertaalsprekers van een taal zijn de intuïties die zij hebben over wat in hun taal al dan niet gezegd kan worden.

Het vermogen een taal zonder formeel onderwijs op een hoog niveau te verwerven vermindert naarmate een persoon ouder wordt. In de moderne taalkunde wordt het intreden van de puberteit doorgaans als afsluiting beschouwd van de zogenaamde kritische periode, waarin moedertaalverwerving mogelijk is.

Bij voldoende blootstelling in hun jeugd kunnen sprekers een groot aantal T1's verwerven. Tweetaligheid en "meertaligheid" zijn in grote delen van de wereld de norm. In de westerse landen verdringen de nationale standaardtalen de regionale variëteiten, en tendeert de bevolking naar eentaligheid.

Een taal die niet als moedertaal wordt beheerst, wordt meestal een tweede taal (T2) genoemd. Het verwerven van T2's gaat veel moeizamer dan van T1's en voor het op niveau houden van de kennis ervan is doorgaans een veelvuldig gebruik noodzakelijk. Onder taalkundigen is het gebruikelijk, bij T1's van 'verwerven' en bij T2's van '(aan)leren' te spreken. Vooral bij T2's die verwant zijn met de moedertaal is de passieve kennis, het begrijpen, meestal beter dan de actieve kennis, het zelf gebruiken van de taal. Zelfs al kan iemand een T2 perfect en zonder moeite spreken, dan nog is vaak te merken dat deze niet de moedertaal van de spreker is vanwege een vreemd accent.

De bestudering van de eigenschappen van moedertalen (in tegenstelling tot tweede talen) vormt de kern van de psycholinguïstiek, zoals in de Chomskiaanse taalkunde.

Trivia[bewerken]

Zie ook[bewerken]