Regenput

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Regenbak bij een woning in ca. 1920

Een regenput, regenbak of tras is een ondergronds gelegen opslagbassin voor hemelwater, soms binnenshuis, maar vaak ook daarbuiten gelegen. Een regenput is doorgaans bedoeld voor één huishouden. Een waterkelder of cisterne is een groter bassin voor meerdere huishoudens of een hele nederzetting.

Belang[bewerken | brontekst bewerken]

In gebieden waar grondwater door bijvoorbeeld het zoutgehalte onbruikbaar was, werd regenwater gebruikt voordat waterleiding waren aangelegd. Dat was in de Lage Landen in schaars bevolkte gebieden nog tot ca. 1950 het geval. De putten waarin het water verzameld werd, hadden meestal een capaciteit van 300-500 emmers. Ook bij kerkgebouwen was vaak een waterkelder voor het bewaren van regenwater aanwezig. Deze voorraad vormde een reserve voor droge tijden. Veel kerken in Zeeland en op de Zuid-Hollandse Eilanden zijn voorzien van zo'n waterkelder. Bij langdurige droogte werd op sommige plaatsen ook water per schip aangevoerd.

Werking[bewerken | brontekst bewerken]

Regenwater werd van het dak van een gebouw door goten opgevangen en via pijpen naar de put geleid. Het werd vaak voor het in de put kwam gefilterd met behulp van turf of cokes. Ook kwam het wel voor dat in de put enige zeelten (zoetwatervis) werden gehouden die hielpen het water schoon te houden. De put heeft een stenen of houten opbouw van circa een meter hoog met een houten of metalen deksel. Deze opbouw wordt ook wel de keel genoemd.

Water putten gebeurde eeuwenlang met behulp van een putketel of aker, een kleine emmer. Ook benutte men vaak een handzuigerpomp met een zwengel die het water maximaal vijf meter verticaal kon verplaatsen.

Zie ook[bewerken | brontekst bewerken]