Godsvredebeweging

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

De Godsvredebeweging (Pax Dei) was een campagne van de kerk die uitging van de Abdij van Cluny tegen geweld van vooral de lokale feodale heren tot tota multitudo universae plebis.

Vanaf de 11e eeuw nam de rust in Europa weer toe. Nu de kerstening in het noordwesten van Europa voltooid was en de Noormannen niet meer op plundertocht gingen, kon de kerk zich richten op de zonden in de maatschappij. Het grootste geweldsprobleem vormden edelen die zich gedroegen als 'warlords'. Daarom drong de kerk er bijvoorbeeld bij de edelen op aan om een eed af te leggen, waarin men zwoer zich te zullen onthouden van geweld tegen geestelijken en later ook vrouwen, kinderen, pelgrims, kooplieden, reizigers en boeren. Ook zag de kerk zich meer als bemiddelaar tussen oorlogvoerende landen. De invloed van deze campagne is van grote waarde, zo beïnvloedde het de handel: handelaren werden niet meer beroofd door de lokale heren. Deze campagne wordt historisch beschouwd als een van de fundamenten van het humanisme.

In de literatuur wordt een verband gelegd tussen de opkomst van de Godsvredebeweging en het ontstaan van de pelgrimages naar Santiago. Tijdens massale volksbijeenkomsten beloofde men elkaar om onenigheid niet langer uit te vechten maar voor te leggen aan een vredesgericht. ‘Van degenen die zich daar niet aan hielden werd boetedoening verwacht. Die kon bestaan in giften en nalatenschappen, maar ook in een pelgrimage.’ Een pelgrimage was zo bezien, toen al niet een op zichzelf staand fenomeen voor wie het alleen om zijn of haar zielenheil ging, de persoonlijke innerlijke weg of het avontuur; het fenomeen stond ook toen in wisselwerking met een specifieke context. Zo kunnen ze worden geïnterpreteerd als de oudste kerkelijke vredesbeweging van Europa.

Kritiek op de beweging kwam van Adalbero van Laon, die haar zag als een poging van de abten van Cluny om de wereldlijke taken van de koning over te nemen. Deze bisschop gold als een trouwe aanhanger van het Karolingische koningshuis.

Onder ede[bewerken | brontekst bewerken]

De landheren of ridders hadden weinig keuze. Als men aan de macht wilde blijven hadden zij eenmaal steun nodig van de kerk. Weigeren kon bijna niet, want dan liep de heer het risico om als een afvallige beschouwd te worden. En dat hield in dat zijn volk hem niet meer hoefde te erkennen als hun heer. Mocht hij de eed opeens verbreken dan werd de heer zogenoemd te midden van de demonen geworpen.

Wanneer de heer zo'n overeenkomst sloot moest hij zich aan het volgende houden:

  • Het was verboden om een geestelijke of monnik aan te vallen.
  • Het was verboden om een ongewapend persoon te overvallen.
  • Het was verboden om zomaar vee af te nemen.
  • Het was verboden om kooplieden of boeren gevangen te nemen.
  • Het was verboden om bezit als huizen en geld af te pakken, ook onder voorwendsel van oorlog.

Zie ook[bewerken | brontekst bewerken]