Neanderthaler

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Neanderthaler
Fossiel voorkomen: laat Midden Pleistoceen / Laat Pleistoceen
Reconstructie van een neanderthaler (rechts) naast het skelet van een moderne mens (links).
Reconstructie van een neanderthaler (rechts) naast het skelet van een moderne mens (links).
Taxonomische indeling
Rijk: Animalia (Dieren)
Stam: Chordata (Chordadieren)
Klasse: Mammalia (Zoogdieren)
Orde: Primates (Primaten)
Familie: Hominidae (Mensachtigen)
Geslacht: Homo (Mensen)
Soort
Homo neanderthalensis
King, 1864
Afbeeldingen Neanderthaler op Wikimedia Commons Wikimedia Commons
Neanderthaler op Wikispecies Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Zoogdieren

De neanderthaler (Homo neanderthalensis, ook wel Homo sapiens neanderthalensis) is een uitgestorven mensensoort. In een periode van honderdduizenden jaren ontwikkelde ze zich geleidelijk aan uit Homo heidelbergensis.

Vondsten van skeletdelen van neanderthalers komen voor in Europa, het Midden-Oosten en Centraal-Azië tot aan de Altaj. Uit Afrika en Oost-Azië zijn geen vondsten bekend.

Ontdekkingsgeschiedenis[bewerken]

In 1856 ontdekte men in een dal van de rivier de Düssel (het Neandertal, genoemd naar Joachim Neander, een geestelijke uit de 17e eeuw), tussen Düsseldorf en Elberfeld menselijke overblijfselen. Het ging om een schedeldak, een spaakbeen, twee dijbeenderen, een opperarmbeen, een ellepijp en nog enkele brokstukken.

Johann Carl Fuhlrott beschouwde de gevonden beenderen als de resten van een primitieve mens uit de 'ijstijd'. Maar de toen wereldvermaarde anatoom Rudolf Virchow oordeelde er anders over en beweerde dat het schedeldak afkomstig was van een recente mensenschedel, die echter pathologisch misvormd was en derhalve wel toebehoord kon hebben aan "een idioot". Virchow was gekant tegen de interpretatie van de neanderthaler als prehistorische mens. Tot aan zijn dood wilde hij de vondst uit het Neandertal niet aanvaarden als bewijs voor het bestaan van andere mensensoorten in het verleden.[1]

De vindplaats in Engis

Het eerste neanderthalerskelet werd, achteraf beschouwd, ontdekt door Schmerling in Engis te Luik in 1829. Weldra vond men echter talrijke andere zogenaamde 'idiotenschedels' in Gibraltar, Spy (bij Namen), La Chapelle-aux-Saints, Peyzac-le-Moustier en in oude grindlagen bij Maastricht.[2] Zelfs hele geraamtes van deze voorhistorische mens werden ontdekt en op grond van 100 vondsten werd het mogelijk een betrouwbaar beeld te verkrijgen van Homo neanderthalensis of de 'Neanderthalmens' die niet groter was dan 1,60 m, maar volkomen rechtop liep en niet gebogen zoals te zien is op oudere afbeeldingen ontworpen volgens de vondst van de "bejaarde van La-Chapelle-aux-Saints".[3] Tegenwoordig zijn botten van ongeveer 400 individuen bekend.

De neanderthaler komt opmerkelijk genoeg niet voor in Darwins On The Origin of Species (1859). Dit is begrijpelijk omdat Darwin hoe dan ook de oorsprong van de mens niet in dat werk behandelde. In 1864 lieten twee vrienden hem een neanderthalerschedel zien.[4] In The Descent of Man (1871) noemt Darwin de neanderthaler één keer: "Nevertheless, it must be admitted that some skulls of very high antiquity, such as the famous one of Neanderthal, are well developed and capacious".[5] Darwin accepteert dus dat de schedel van de neanderthaler relatief groot is (zonder afmetingen of datering te geven), maar daarmee past deze vondst niet zo goed in zijn betoog dat 'primitieve' mensen kleinere schedels en hersenen dan de moderne mens gehad zouden moeten hebben. Geplaatst in de context van zijn tijd is het niet verwonderlijk dat Darwin in 1859 niets over de Neanderthalvondst schreef, omdat het toen de enige vondst was en er zeer tegenstrijdige interpretaties gegeven werden.

Ontstaan[bewerken]

De neanderthaler ontwikkelde zich rond 200.000 jaar geleden uit Homo heidelbergensis. Overgangsvormen zoals de steinheim-mens, meestal gezien als Europese varianten van Homo heidelbergensis, worden ook wel als "proto-neanderthaler" beschouwd.

De eerste onomstreden vondsten van skeletresten die de klassieke neanderthalerkarakteristieken vertonen dateren van 180.000 en 176.000 jaar geleden.[6] Vondsten uit die tijd, midden in het Saalien, zijn weliswaar zeer zeldzaam, maar dit betekent niet dat er al niet eerder neanderthalers hebben rondgelopen. Pas zo rond 130.000 jaar geleden, tegen het einde van het Saalien en tijdens het voorlaatste interglaciaal, het Eemien (van 128.000 tot 116.000 jaar geleden), worden de vondsten talrijker. Een belangrijke vondst die van rond de 130.000 jaar geleden dateert werd in 1899 in de nabijheid van de Kroatische stad Krapina gedaan.[7]

In Europa verdween de neanderthaler ongeveer 32-34.000 jaar geleden. Aan de zuidelijke randen van het Iberisch schiereiland, waaronder Gibraltar, wist de neanderthaler zich mogelijk nog enige duizenden jaren langer te handhaven.[8] Dat Gibraltar de laatste plek was waar neanderthalers zich konden handhaven wordt echter betwijfeld door andere archeologen. Zij vermoeden dat de vondsten eerder het gevolg zijn van het zeer intensieve archeologische onderzoek dat de Engelsen op een zo klein oppervlak verrichten.[9]

In Byzovaja in de republiek Komi heeft een team van wetenschappers onder leiding van Ludovic Slimak de meest recente vindplaats van de neanderthaler gevonden.[10][11] Tot circa 26.000-20.000 jaar geleden moeten neanderthalers in deze streek hebben gewoond. Het is niet alleen de jongste, maar ook het noordelijkst gelegen leefgebied van de neanderthaler. Byzovaja bevindt zich op dezelfde breedtegraad als IJsland.

Algemeen wordt aangenomen dat zij niet de directe voorouders van de moderne mens zijn, hoewel recent onderzoek aantoont dat ze genetisch wel bijgedragen hebben. De neanderthalers leefden enige tijd gelijktijdig met de cro-magnonmens, die geldt als eerste anatomisch moderne mens en dienovereenkomstig wordt aangeduid als Homo sapiens sapiens.

Door de meeste geleerden wordt aangenomen dat de moderne mens ongeveer 200.000 jaar geleden in Afrika onafhankelijk van de neanderthaler uit een andere Afrikaanse ondersoort van Homo heidelbergensis is ontstaan.

Lichaamsbouw[bewerken]

Schedel van een neanderthaler gevonden in Spy. Let op het lage voorhoofd, de langgerekte schedel en het bolvormig achterhoofd en het gat tussen de laatste kies en de kaak. Typische kenmerken van een neanderthaler.
Schedel van een neanderthaler gevonden in La Ferrassie.

De evolutie heeft ervoor gezorgd dat de neanderthalers iets kleiner waren dan de moderne mens, zo'n 1,50 m tot 1,60 m, maar zwaarder gebouwd en mogelijk sterker. De neanderthaler overleefde minstens twee glacialen.

De anatomie van de schedel van een neanderthaler.
De linkerschedel is van Homo sapiens, die aan de rechterzijde is van een neanderthaler.

Neanderthalers waren anatomisch duidelijk te onderscheiden van de moderne mens door de langwerpige vorm van hun schedel, hun zware wenkbrauwboog (de torus supraorbitalis, een benen rand die de oogkassen omspant), hun grote neus en terugwijkende kin. Mannelijke neanderthalers waren gemiddeld 165 centimeter lang (vrouwen waren 10 centimeter korter) en hun ruggengraat vertoont dezelfde welving als die van de moderne mens. Hun onderbenen waren kleiner, waardoor ze geen efficiënte renners waren.

De algehele robuustheid van de schedel was waarschijnlijk een gevolg van sterk ontwikkelde kaakspieren. Er wordt aangenomen dat hun grote neus diende om koude lucht voor te verwarmen. Robert Winston poneert echter de stelling in de BBC-documentaire "Walking with Cavemen" dat hun neus juist diende om af te koelen bij inspanning zodat ze niet zweetten, want dit zou in de koude bevriezen.

Recent genetisch onderzoek toont aan dat in ieder geval sommige neanderthalers een lichte huid en rossig haar hadden.[12] Wegens het gunstiger klimaat waren neanderthalers in het oosten vermoedelijk slanker dan hun verwanten in het westen, maar nog steeds forser gebouwd dan de hedendaagse mens.

Een neanderthalerkind heeft zich waarschijnlijk wat sneller ontwikkeld dan de moderne mens: een kind van acht verkeerde in een overeenkomstig ontwikkelingsstadium als een moderne twaalfjarige.

Gebit[bewerken]

Onderzoekers hebben ontdekt dat de snijtanden sneller doorkwamen dan bij de huidige mens en oudere mensensoorten. De tandgroei hangt samen met de lengte van de jeugd. Waarschijnlijk was dus de neanderthaler sneller volwassen dan de huidige mens. Met zijn 15e jaar zou hij al volgroeid zijn. Aan de hand van karakteristieke slijtage aan de voortanden kon men besluiten dat hun gebit gebruikt werd als 'derde hand' om dingen mee te bewerken en vast te houden. De benodigde sterke kaakspieren zouden ook de robuuste schedel verklaren.

Hersenen[bewerken]

Hun herseninhoud (gem. 1650 cc) was groter dan die van de gemiddelde moderne mens (gem. 1500 cc). Een andere bron geeft een gemiddelde van 1520 cc met een spreiding van 1245 tot 1740 cc en het gemiddelde van de mens als 1400 cc.[13] In beide gevallen heeft de neanderthaler grotere hersenen dan de moderne mens. Dit is opmerkelijk, want hun lichaamslengte was kleiner en daarom zou men iets kleinere hersenen verwachten. Andere auteurs zeggen dat de hersengrootte juist perfect past bij het zwaardere lichaam. In moderne evolutiehandboeken wordt óf zonder commentaar gemeld dat de hersenen van de neanderthaler 10% groter waren dan moderne mensen, óf dat dit perfect in overeenstemming is met hun groter lichaamsgewicht.[14]

Uit een onderzoek van een neanderthalerbaby en drie kinderen is gebleken, dat net na de geboorte de hersenen van de neanderthaler vrijwel identiek waren aan die van baby’s van de moderne mens, dat wil zeggen langwerpig.[15][16] Gedurende hun ontwikkeling naar volwassenheid blijft deze vorm grotendeels onveranderd, terwijl bij de kinderen van de moderne mens de hersenen zich ontwikkelen in de ronde volwassen vorm.

Taalvaardigheid[bewerken]

Het is onwaarschijnlijk dat mensen die anatomisch zo dicht bij de moderne mens stonden, in groepen leefden en bij de jacht samenwerkten geen gevorderde communicatiemethoden zouden hebben gehad.[17] Een gevonden tongbeen laat zien dat dat deel van hun strottenhoofd, het enige dat kan fossiliseren, niet te onderscheiden was van dat van de moderne mens.[18] Ook de ligging van de larynx bevestigt dat de neanderthaler over de technische vaardigheid beschikte om te spreken. Hij komt sterk overeen met die van een volwassen mens.[19] Ook een computersimulatie uit 2013 op de beweging van het tongbeen suggereert dat neanderthalers de mogelijkheid hadden om te spreken.[20]

Door paleogenetische studies in oktober 2007 bleek dat het FOXP2-gen van neanderthalers hetzelfde was als van de moderne mens.[21][22] Svante Pääbo, co-auteur van de FOXP2-genstudie stelt vast dat er geen reden is om aan te nemen dat ze niet konden spreken, maar er nog meer genen betrokken moeten zijn bij hun spraak dan we tot nu toe kennen.[23]

Cultuur[bewerken]

Schedel van neanderthaler
1rightarrow blue.svg Zie ook: Midden-paleolithicum

Omdat we met zeer oude vondsten te maken krijgen, zal vooral het stenen (lithisch) materiaal bewaard blijven. Het organisch materiaal is meestal vergaan. Soms worden botten en kiezen aangetroffen en vaak is er ook houtskool aanwezig van kampvuurtjes. In Italië, Kroatië en Syrië zijn sporen en resten van werpsperen gevonden.[24][25] Bij neanderthalerskeletten zijn ook sporen van grafrituelen aangetroffen, zoals rode oker die over het lijk werd gestrooid, en dierenbotten die mee werden gegeven.

Kunstuitingen (zoals gegraveerde stenen, beeldjes) die met zekerheid aan neanderthalers kunnen worden toegeschreven zijn, zoals bij de cro-magnonmens, niet bekend. Mogelijk zijn recent gevonden rotstekeningen in de Nerja-grotten bij Málaga door neanderthalers gemaakt, maar daarover is nog geen zekerheid.[bron?] Ook voor handel door neanderthalers is het bewijs veel beperkter. Vuurstenen werktuigen zijn niet altijd gemaakt van lokaal aanwezige vuursteen. Dit hoeft echter niet op handel te wijzen maar kan ook op een trekkende levenswijze duiden.

Werktuigen[bewerken]

Uit opgravingen blijkt dat de neanderthaler de beschikking heeft gehad over werktuigen van diverse aard. Het merendeel van de vondsten bestaat uit stenen werktuigen, zoals vuistbijlen en schrapers. Voorwerpen en werktuigen gemaakt uit andere materialen, zoals hout of bot, zijn nauwelijks gevonden.[26]

Een studie van de Franse archeoloog J.M. Geneste heeft aangetoond dat vuursteen over grote afstanden vervoerd kon worden.[27][28] Afstanden van meer dan 100 kilometer kwamen voor, maar waren zeldzaam en alleen als het ging om zeer goede grondstof. Volgens Geneste moet er bij de neanderthalers dan ook sprake zijn geweest van een handelsnetwerk.

De vondsten van stenen werktuigen over de gehele neanderthalerperiode laten een technologische ontwikkeling zien, die duidelijk maakt dat deze mensensoort in staat was te veranderen. Er zijn twee grote afslagtechnieken bekend die door de neanderthaler werden gebruikt: enerzijds de Levalloistechniek die resulteerde in het voor de meeste neanderthalervondsten karakteristieke Moustérien. Late neanderthalers namen echter ook de klingentechniek van het door de moderne mens ontwikkelde Aurignacien over.

Moustérien[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Moustérien voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Het Moustérien, genoemd naar de eerste vindplaats Le Moustier in Frankrijk, is veel verfijnder dan het voorafgaande Acheuléen en kenmerkt zich door een afname in het gebruik van grote, zware handbijlen ten gunste van lichte bijlen, fijnere schrapers en messen.

Een doorontwikkeling van de Levalloistechniek vond plaats in het laat-Mousterien als een voorloper van de klingentechniek uit de perioden daarna, waarbij splinters (klingen) van een voorbereide kern werden afgeslagen, die vlijmscherpe snijkanten hebben waardoor ze uitermate geschikt zijn om als mes te gebruiken. Daarnaast was het door deze techniek ook mogelijk om meer werktuigen uit een stuk vuursteen te halen. De bron, het brok (vuur)steen waar de afslagen vanaf werden gehaald, werd eerst voorbewerkt zodat een goed slagvlak ontstond. De neanderthaler was door nauwkeuriger voorbewerking van het uitgangsmateriaal steeds beter in staat de uiteindelijk gewenste vorm van de afslag te bepalen, waarna ook vaak minder nabewerking nodig was voor het maken van het gewenste werktuig.

Stenen werktuigen met een (houten) handvat worden voor het eerst aangetroffen tijdens het Mousterien.[29] De neanderthalers ontwikkelden een techniek waarbij ze stenen punten door middel van hars en dierenpezen aan een steel bevestigden. Zij vervaardigden op deze manier hakbijlen en mogelijk ook (werp)speren.

Rond 75.000 jaar geleden introduceerde de neanderthaler een grotere vuistbijl en leerde werktuigen te maken van been, gewei en ivoor. Vanwege de gelijkenis met een veel ouder Aucheulisch "ontwerp", wordt deze Moustérien of Aucheulean Tradition (MAT of MTA) genoemd.[30] Deze naamgeving suggereert een teruggrijpen op werktuigen van 225.000 jaar eerder, maar een nieuwe analyse van de betrokken afslagtechniek heeft aangetoond dat de MAT ten opzichte van het Moustérien een sprong vooruit was en op zichzelf weer de basis voor een hele serie technische vernieuwingen in vuursteenbewerking.

Binnen de Moustérientechnologie bestaat een groot verschil tussen die van de neanderthalers uit Zuid-Europa en die uit het oosten. Dit wijst op mogelijke technologische en cultuurverschillen tussen de verschillende neanderthalergroepen.[31]

Châtelperronien[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Châtelperronien voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Bij Châtelperron in de Périgord werd vuurstenen gereedschap gevonden dat gedeeltelijk leek op de oudere Moustérien-werktuigen van de neanderthaler maar ook op het Aurignacien-gereedschap van de moderne mens.[32][33] Er lagen werktuigen bij van been, gewei en ivoor. Eveneens zijn er eenvoudige sieraden aangetroffen. In Frankrijk en Noord-Spanje, Midden-Europa en Italië werden soortgelijke vondsten gedaan.[34] De eerste voorbeelden van Châtelperronien-werktuigen dateren van ongeveer 32.000 jaar geleden.[35] Deze nieuwe, geavanceerdere werktuigen worden voornamelijk in Zuid-Frankrijk en Spanje aangetroffen.

In eerste instantie werd het Châtelperronien door de overeenkomsten met het Aurignacien toegeschreven aan de eerste anatomisch moderne mensen die Europa binnen trokken.[36][37] Uit latere vondsten bleek dat het neanderthalers waren die deze werktuigen maakten.[38] In 1979 groef men te Saint-Césaire het skelet op van een neanderthaler te midden van Châtelperron-gereedschap.[33] Niet Homo sapiens, maar de neanderthaler bleek dus verantwoordelijk voor deze technologische vooruitgang.

Vuur[bewerken]

Door de neanderthaler werd het vuur niet alleen gebruikt om voedsel mee te bereiden of ruimten te verwarmen, maar ook als een middel om werktuigen te maken en te verfijnen.[39] Er zijn ook aanwijzingen dat de neanderthaler pek uit bast maakte. De bast werd in de grond begraven, aangestoken en vervolgens toegedekt met grond. Door het langzame smeulen ontstaat een soort pek. Hiermee werden bijvoorbeeld speer- en pijlpunten vastgelijmd. Daarnaast werd vuur ook gebruikt als bescherming, om wilde dieren weg te houden.

Ze waren waarschijnlijk al in staat om het vuur eigenhandig te ontsteken.

Kunst[bewerken]

In de Spaanse grotten van Nerja hebben Spaanse wetenschappers naar hun mening mogelijk de eerste rotstekeningen gevonden die zijn gemaakt door neanderthalers.[40] Het gaat om zes eenvoudige roodbruine tekeningen die zeehonden afbeelden, die wellicht door de neanderthalers werden gegeten. De onderzoekers denken dat de tekeningen zo'n 43.000 jaar oud zijn. Daarmee zijn ze 13.000 jaar ouder dan de rotstekeningen in de Franse grotten van Chauvet, die tot nu toe tot de oudste kunst uit de prehistorie golden. Dit is echter niet de eerste vondst die aangeeft dat de de neanderthaler kunstzinnig was. In 2003 hebben wetenschappers een stuk steen dat een eenvoudig gezicht laat zien gevonden.[41] Ook de ontdekking in 2008 van door neanderthalers beschilderde schelpen bevestigt deze mening.[42]

Voeding[bewerken]

De neanderthalers aten veel vlees en waren goede jagers, die onder andere oeros, wisent, hert, rendier en muskusos bejaagden. Hierbij werden waarschijnlijk stootsperen gebruikt. Uit een analyse van verwondingen van neanderthalskeletten blijkt een overeenkomst met het soort kwetsuren dat tegenwoordig door rodeorijders wordt opgelopen, met veel verwondingen van nek en hoofd, wijzend op contactgevechten. Een aantal skeletten heeft ernstige maar genezen verwondingen, wijzend op verzorging door anderen.

Om het kleine maar sterke lichaam van een volwassen neanderthaler te voeden moesten ze meer dan 4.000 kilocalorieën per dag eten. In de winter kon dit stijgen tot 7.000 kilocalorieën, bijna drie keer zoveel als de moderne mens.

Er zijn vier methodes om het voedsel van neanderthalers te achterhalen:

Uit isotoopanalyse blijkt dat ze carnivoren waren. Door middel van het analyseren van gemalen stukken neanderthalerbot is te zien dat er extreme hoge gehaltes aan stikstof en koolstof in zitten. Dat bevestigt dat hun dieet voor het grootste gedeelte uit vlees bestond.

Deze theorie wordt bevestigd door de coprolieten, die voor bijna 100% bestaan uit verwerkt vlees. Dit vlees is helemaal verteerd, wat er op wijst dat de spijsvertering van de neanderthalers goed geschikt was om zoveel vlees te verteren.

Wetenschappers stellen vast dat 85% van hun dieet uit vlees bestond, net zoveel als bij carnivoren zoals wolven. Voor moderne Europeanen bestaat het dieet voor slechts 12% uit vlees. Zoals bij andere carnivoren bevond zich bij neanderthalers in de maag een speciale combinatie van enzymen, die ervoor zorgen dat zij rauw vlees konden eten. Gegaard vlees is echter beter verteerbaar en voedingsrijker. De hitte van het vuur breekt de proteïne- en vetmoleculen, wat ervoor zorgt dat het lichaam ze makkelijker opneemt. Ook doodt de hitte parasieten en schadelijke bacteriën. Daarnaast is het makkelijker om dan het beenmerg uit de botten te krijgen. De vaardigheid om vlees te koken gaf ze een voordeel op andere roofdieren.

Uit de analyse van botten van prooidieren blijkt dat ze op grote herbivoren zoals rendieren en mammoeten jaagden, en in veel mindere mate op kleinere dieren zoals vogels of vissen.[43] In twee grotten in Gibraltar waar neanderthalers bivakkeerden zijn resten van schelpdieren, jonge zeehonden en dolfijnen gevonden.[44] Tevens zijn er aanwijzingen dat ze herten, wilde zwijnen en beren gegeten hebben.

De neanderthalers kookten ook planten en noten.[45] Toch was het neanderthalerdieet waarschijnlijk minder flexibel en minder gevarieerd dan dat van de moderne mens, die behalve groot wild ook vogels en vis at. Dat minder flexibele dieet was een probleem in tijden wanneer de jacht niet veel opleverde en kan ook de oorzaak zijn voor de geringere bevolkingsdichtheid en verdringing door de moderne mens. Er zijn echter ook aanwijzingen dat de neanderthaler toch gevarieerder at dan vaak vermoed wordt.[46]

Kannibalisme of ontvlezing[bewerken]

Kannibalisme kan een substantiële eiwitbron voor mensen zijn geweest.[47][48] Kannibalisme was een verschijnsel dat ook bij andere hominiden voorkwam. Analyse van de craniale en postcraniale overblijfselen van Homo antecessor, waarvan de oudste gevonden zijn in Gran Dolina (Sierra de Atapuerca, Burgos), en geschat worden op meer dan 800.000 jaar geleden, laten menselijke wijzigingen zien, waaronder inkepingen, groeven en botbreuken, die verband houden met het slachten van karkassen. De menselijke botresten waren vermengd met skeletdelen van dieren. Deze dierlijke resten vertonen dezelfde verwerkingskenmerken. Deze gegevens suggereren dan ook dat naast dieren ook mensen door deze mensensoort geconsumeerd werden. In Krapina (Kroatië) werden beenderen van neanderthalers aangetroffen die waren opengebroken en waar het beenmerg was uitgehaald, wat waarschijnlijk op kannibalisme duidt. Andere botten tonen inkepingen waar met een vuurstenen gereedschap systematisch vlees van de beenderen is weggehaald.

Een ander mogelijk bewijs voor kannibalisme bij neanderthalers werd in 1999 gevonden in een Franse grot.[49] De 100.000 tot 120.000 jaar oude beenderen die in de Moula-Guercy-grot ten westen van de Rhône werden gevonden indiceren dat een groep neanderthalers de botten van zeker zes anderen van vlees ontdeden en daarna met stenen werktuigen kapot sloegen om bij het merg en de hersenen te komen. Menselijk vlees werd mogelijkerwijs als een waardevolle voedselbron gezien. Overigens hoeven de sporen op de botten niet te wijzen op kannibalisme, maar op een begrafenisrite waarbij het vlees van de doden om religieuze redenen werd verwijderd.

Krapina in het huidige Kroatië is een van de eerste en een van de belangrijkste vindplaatsen en beroemd (berucht) om zijn neanderthalerfossielen, die de aanleiding waren voor het vermoeden, dat Homo neanderthalensis mogelijkerwijs aan kannibalisme deed. Het onderzoek door Mary D. Russell, waarbij de snijsporen op de fossiele overblijfselen van 22 neanderthalers vergeleken werden met die gevonden op door neanderthalers gejaagd en geslachte overblijfselen van prooidieren, laten verschillen zien.[50] De snijtekens zijn ontstaan door een postmortale verwerking van de lichamen waarschijnlijk ter voorbereiding op een begrafenis, waarbij de beenderen van het vlees werd ontdaan.[50] Deze bevinding wordt niet gedeeld door andere onderzoekers. Het bewijsmateriaal voor een begrafenisrite is volgens het Paola Villa Research Associate niet overtuigend en onvoldoende.[51] Hetzelfde geldt voor kannibalisme.

Ondubbelzinnig bewijs van de door de neanderthaler veroorzaakte modificatie van menselijke botten is eveneens waargenomen bij relatief jonge fossielen van een negental neanderthalers, die opgegraven zijn in de grot van El Sidrón (Spanje).[52][53] Onvolwassen frontale, temporale, pariëtale schedelbeenderen laten een hogere frequentie van snijsporen zien. Er zijn vilsporen aangetroffen. Lange botten (opperarmbeen, ellepijp, spaakbeen en scheenbeen) tonen korte en diepe uitsnijdingen, die wijzen op amputaties. Verder zijn vele botten op een zodanige wijze gebroken, die gerelateerd zijn aan de verwerking van het beenmerg en de hersenen. Deze fossielen stammen uit een tijd van ongeveer 43.000 jaar geleden. Hoe deze mensen gestorven zijn (gedood of op een natuurlijke wijze overleden) staat nog ter discussie.

Het verwerken van mensen als voedselbron kan wat betreft voedselverwerving een evolutionair voordeel geweest zijn, maar kannibalisme kan een bron van ziekten zijn. Dit is vooral treffend voor dieren die niet individueel maar in groepsverband hun eigen soortgenoten verorberen.[54][55][56]

Daarnaast zijn er ook andere evolutionaire nadelen aan kannibalisme verbonden.[57] De jacht op soortgenoten is gevaarlijk. Ze riskeren verwondingen door de verdedigings-mechanismen van de aangevallenen. Het intraspecifiek (binnen één soort) roofdiergedrag kan voor de eigen soort negatieve consequenties hebben. Het sociaal gedrag dat bevorderlijk is voor bijvoorbeeld de gezamenlijke zorg voor het nageslacht, zijn "inclusive fitness", komt onder druk te staan.

Begrafeniscultuur[bewerken]

Neanderthalerbegrafenis in Kebara-grot (Israël). Het is een skelet van een volwassen man (25-35 jaar oud, lengte circa 1,70 m.)

Er zijn redenen om aan te nemen dat rituelen met betrekking tot dood en leven na de dood al tot de tijd van de neanderthaler teruggaan.

Fossielen van neanderthalers worden vaak in grotten gevonden, soms in omstandigheden die een begrafenis suggereren, zoals bij de grot van Kebara in Israël. Overledenen zijn in foetushouding en naar het oosten gericht aangetroffen. Veelal zijn de duim of wijsvinger bij de mond gevonden. Ze werden met rode oker besprenkeld.

De uitgravingen bij Chapelle-Aux-Saints toonden een 40.000 jaar oud skelet van een eenjarig kind dat blijkbaar in een ondiepe geul lag. Op zijn borst was een bot van een bizon geplaatst, en de geul was opgevuld met beenderen, werktuigen, en andere overblijfsels, die wellicht gediend hebben als grafgiften.

In de grot van La Ferrassie is een neanderthalerbegraafplaats gevonden, waar een man, een vrouw, twee kinderen, en twee zuigelingen begraven zijn. Een platte steen was op de borst van de man gelegd. De man en vrouw waren in foetushouding en naar het oosten gericht bijgezet. Achterin de grot waren de schedel en het skelet van een van de kinderen ongeveer 1 meter diep apart in afzonderlijke "graven" bijgezet.[58]

Er zijn ook aanwijzingen dat bloemen als grafgift dienden. De bodemmonsters van de Shanidargrot (Noord-Irak), die dicht bij het lichaam van een neanderthaler (Shanidar IV) werden genomen, bevatten grote hoeveelheden stuifmeelkorrels van 28 plantensoorten. Dit bewijsmateriaal heeft de onderzoeker Ralph Solecki er toe gebracht te menen, dat het skelet met bloemslingers op een bed van houtachtige takken ergens in de bloeimaanden mei tot en met juli bewust en ritueel was begraven.[59] Niet alle onderzoekers delen deze mening. Op de begraafplaats zijn er resten van holen van knaagdieren van de species Meriones persicus aangetroffen. Deze dieren leven in grote koloniën en doen aan voorraadvorming. Zij verzamelen zaden, planten, waaronder bloemen, en slaan deze ondergronds in hun holen op. In de buurt van Shanidar IV heeft men vele van deze holen gevonden met eenzelfde verdeling van plantenresten.

Opvallend is dat in verschillende grotten – bijvoorbeeld Shanidar - een grote verzameling skeletten aangetroffen is. Dit duidt op een begrafenisfunctie van de grot, een begrafeniscentrum.[60]

In 1938 ontdekte een team onder leiding van Sovjetgeleerde Aleksej Okladnikov de fossielen van een negenjarige jongen in Teshik-Tash. Teshik-Tash is een kleine grot, ongeveer 350 kilometer ten zuidwesten van de Oezbeekse hoofdstad Tashkent. De grot ligt in een bergachtig gebied op een hoogte van 1500 meter boven zeeniveau. De locatie van deze vindplaats geeft eens te meer aan dat de neanderthalers in de meest onherbergzame gebieden konden overleven. Hoewel het om een kind gaat zijn de neanderthalerkenmerken al duidelijk te zien. Het kind was duidelijk begraven. Okladnikov vond zes paar hoorns van steenbokken die in een kring om het lijk stonden. Het heeft er alle schijn van dat deze hoorns hier opzettelijk waren geplaatst. De vondst van een dergelijke begrafenis is een van de beste bewijzen dat neanderthalers rituelen kenden en rouwden om hun doden.

Vele andere voorbeelden worden beschreven in de literatuur, vaak met de veronderstelling dat de begrafenis weloverwogen was en met rituele praktijk associeerde. Ook aanwijzingen die wijzen op kannibalisme kunnen ritueel verklaard worden.[61] Het ontvlezen en onthoofden van lichamen kunnen deel vormen van een begrafenisrite.

Enkele "begrafenissen" kunnen waarschijnlijk verklaard worden door natuurlijke gebeurtenissen, zoals de instorting van grotten, die de bewoners begroeven.[62] Er zijn echter te veel neanderthalers samen met werktuigen gevonden, in een bepaalde houding alleen of liggend in groepsverband, om een begrafenisrite uit te sluiten. Geen enkele vroegere hominide heeft ooit dit verfijnde en symbolische gedrag vertoond. Dat de neanderthalers hun doden begroeven is waarschijnlijk één verklaring waarom er relaief veel neanderthalerskeletten zijn ontdekt.[63]

De aangetroffen graven van de neanderthaler beperken zich voornamelijk tot twee regio's.[64] Ten eerste de Dordognestreek in Zuid-Frankrijk (bijvoorbeeld La Ferrassie, La Chapelle-aux-Saints, Le Moustier en Le Regourdou) en ten tweede het Midden-Oosten, vooral Israël (Tabun, Kebara, Amud) en Noord-Irak (Shanidar). Verspreid zijn graven gevonden in Oekraïne, de Krim (Kiik-Koba) en Oezbekistan (Teshik Tash). In andere regionen van het Midden-paleolithicum van Midden-Europa zijn wel individuele skeletdelen aangetroffen, maar geen aanwijzingen, dat het hier om begrafenissen gaat.

Opmerkelijk is dat alle bekende graven slechts in grotten of schuilplaatsen in de rotsen gevonden zijn.[64] Graven in het open veld zijn niet gevonden.

Geloof[bewerken]

Er is een skelet van een neanderthaler gevonden met een berenklauw in zijn hand geklemd, wat een aanwijzing is over het geloof van de neanderthalers, namelijk dat ze geloofden in een leven na de dood, en dat ze in het hiernamaals ook eten nodig hadden. Het lijkt er ook opdat ze de beer (zie holenbeer) als god beschouwden. In Duitsland werd een 'kist' aangetroffen (bestaand uit op elkaar gestapelde stenen) in een grot die zonder twijfel ooit eens door neanderthalers bewoond was. Hij bevatte de resten van berenkoppen.

De neanderthaler en de komst van de moderne mens[bewerken]

Omstreeks 40.000 jaar geleden zette de anatomisch moderne mens, in Europa en West-Azië meestal cro-magnonmens genoemd, voor het eerst voet op Europese grond. Deze bracht de cultuur van het Aurignacien met zich mee.

De moderne mens en de neanderthaler leefden daarna nog enkele duizenden jaren gelijktijdig in dezelfde gebieden, waarbij de neanderthaler geleidelijk naar de randgebieden verdrongen werd, zoals ten zuiden van de Ebro (Spanje).[65] De recentste neanderthalervondsten zijn ca. 28.000 jaar oud en werden aangetroffen te Gibraltar. Een andere late vindplaats is Byzovaja in Noord-Rusland.

Dat er tussen de cro-magnonmensen en neanderthalers soms gewelddaden plaatsvonden blijkt uit fossiele aanwijzingen.[66][67] Het kaakbeen van een neanderthalerkind gevonden in een nederzetting van mensen uit de Aurignaciencultuur nabij de Franse plaats Les Rois toont meerdere kerven en inkepingen.[68][69] De sporen wijzen volgens wetenschappers van het "Centre national de la recherche scientifique" in Parijs op een "slagerstechniek" waarmee mensen in het steentijdperk dieren, zoals herten, slachtten. Het laat duidelijk sporen van het verwijderen van de tong en het merg zien. De tanden zijn uit de kaak verwijderd en doorboord. De cro-magnonmensen hebben blijkbaar hiervan een halsketting gemaakt, een gebruik dat ook bij andere Aurignacien-nederzettingen uit deze regio voorkwam. De teamleider Fernando Rozzi ziet dit als een duidelijk bewijs dat de mens de neanderthalers als prooi zag en deze als voedselbron gebruikte. Mede daardoor zou de neanderthaler uitgestorven zijn. Niet iedereen van zijn team deelt echter deze mening. Zo meent Francesco d'Errico: "De vondst van een snijspoor is nog geen bewijs voor kannibalisme... Het is mogelijk dat de kaak door mensen is gevonden en de tanden als sieraad zijn gebruikt". Op andere botresten zijn eveneens sporen aangetroffen die duiden op geweld door de moderne mens.

Deze geweldsuitspattingen moeten echter sporadisch zijn geweest. Zij dienden wellicht als een soort van waarschuwing: blijf uit mijn territorium. Nochtans zijn er geen massagraven van neanderthalers en ander bewijs van "genocide" en oorlogsvoering gevonden.[70] Alle vondsten die geweld tegen de neanderthaler door de moderne mens kunnen aantonen zijn incidenteel en sporadisch van aard. Alleen al de geringe bevolkingsdichtheid in Europa maakte de kans op een "oorlog" tussen beide soorten hoogst onwaarschijnlijk.

Anderzijds lijkt er ook een culturele uitwisseling plaatsgevonden te hebben, die zichtbaar is in het Châtelperronien. Tevens is aangetoond dat de cro-magnonmensen een niet onbelangrijk aandeel neanderthalergenen bezaten, zoals bijvoorbeeld het dijbeen van Oest-Isjim laat zien. Dit geeft aan dat zij neanderthalers in hun gemeenschap opnamen en zich met hun nakomelingen vermengden.

Uitsterven[bewerken]

De oorzaak voor het uitsterven van de neanderthalers is onbekend. De vraag is waarom de neanderthalers ondanks hun grote hersenen, hun vermogen grote en gevaarlijke prooidieren te bejagen en na minstens twee glacialen overleefd te hebben, uiteindelijk zijn uitgestorven.

Misschien heeft dit met een geringe voortplantingsdrift te maken, wat gevolgen zou kunnen hebben bij zogenoemde bevolkingsknelpunten. Deze waren niet ongebruikelijk in de geschiedenis van de mensheid, en zullen mogelijk ook van invloed zijn geweest op de neanderthalers.[71] De moderne mens was eerder seksueel volwassen en had meer nakomelingen.[72] Onderzoekers schatten dat een vrouwelijke neanderthaler alleen om de vier jaar het leven schonk aan een kind. Dit was mogelijk een van de redenen waarom misschien niet meer dan een paar duizend neanderthalers tezelfdertijd hebben geleefd. Statistische populatiemodellen laten zien dat kleine procentuele verschillen in geboorte en sterfte genoeg zijn om een kleine groep in een paar duizend jaar te laten uitsterven.

In 2009 publiceerde een internationaal team van onderzoekers van het Max Planckinstituut voor Antropologie een genetisch vergelijkingsonderzoek van neanderthalers. Voorheen werd aangenomen dat 30.000 jaar geleden ongeveer 50.000 neanderthalers leefden in Europa, nu wordt aangenomen dat het er slechts ongeveer 10.000 waren. Een dergelijke kleine populatie kan gemakkelijk worden weggevaagd door ziekte of voedseltekorten.[73]

Daarnaast kan ook zijn voedselkeuze een oorzaak zijn geweest. Als vleeseter at hij voornamelijk vlees van grote prooidieren. Tegen het einde van de laatste ijstijd stierven echter vele diersoorten uit, waaronder bijvoorbeeld de wolharige mammoet, wolharige neushoorn, reuzenhert en holenbeer.[74]

Een ander model houdt verband met vulkaanuitbarstingen die rond 40.000 jaar geleden plaatsvonden. Een onderzoek geleid door Ljoebov Vitaljeva Golovanova en Vladimir Borisovitsj Doronitsjev van het ANO Laboratorium voor Prehistorie in Sint-Petersburg, suggereert dat de neanderthaler mede ten gevolge van een vulkaanuitbarsting is uitgestorven.[75] De effecten van deze vulkaanuitbarstingen op de ecologie van grote delen van Europa waren vernietigend.[75][76][77] De aardlagen waarin de as werd aangetroffen bevatten aanwijzingen voor een plotselinge en potentieel verwoestende klimaatverandering. In vergelijking met omliggende lagen bevatten de sedimentmonsters van de twee lagen sterk verminderde pollenconcentraties. Dat is een indicatie van een plotselinge verschuiving naar een koeler en/of droger klimaat.

De tweede van de twee uitbarstingen lijkt het einde te betekenen van de neanderthaleraanwezigheid in de Grot van Mezmaj (noordelijke Kaukasus). Tal van neanderthalerbotten, stenen werktuigen en beenderen van prooidieren zijn gevonden in de aardlagen onder de tweede aslaag, maar niet erboven. De aslagen komen chronologisch overeen met wat bekendstaat als de Napolitaanse Ignimbritesuperuitbarsting (de Napolitaanse Ignimbrite betreft een enorme caldera genaamd Campi Flegrei, ook bekend als de Flegreïsche Velden), die ongeveer 40.000 jaar geleden plaatsvond in het hedendaagse Italië, en een kleinere uitbarsting gebeurde rond dezelfde tijd in het Kaukasusgebergte. De onderzoekers stellen dat deze uitbarstingen een "vulkanische winter" veroorzaakte toen aswolken jarenlang de zon verduisterden. De klimatologische verschuiving ontregelde de regionale ecosystemen, waardoor prooidieren, roofdieren en hominiden massaal stierven.

De opvatting dat de neanderthaler uitstierf omdat hij in vergelijking met de moderne mens een lagere levensverwachting had, is door de antropoloog Erik Trinkaus weerlegd.[78] In zijn studie toont hij aan dat de neanderthaler en de moderne mens ongeveer even oud werden. Bij beide mensensoorten worden bijna geen individuen aangetroffen die ouder dan 40 zijn.

Tussen de anatomisch moderne mens en de neanderthaler bestond wellicht een directe concurrentie voor ruimte en de middelen.[79] Daarbij beschikte de anatomisch moderne mens ten opzichte van de neanderthalers over een sterk concurrentievoordeel: hij kon gebruik maken van een aantoonbaar meer complexe technologie en organisatie. Deze concurrentiedruk nam wellicht toe door de sterke toename van de populatie van de moderne mens, die volgens een studie van Paul Mellars en zijn collega's zo'n 40.000 jaar geleden optrad.[80] Deze bevolkingstoename droeg dan ook bij tot het verdringen van de neanderthalers.

Een onderzoeksteam van genetici, paleontologen en statistici stelde in 2011 vast dat de moderne mens niet de hoofdrol heeft gespeeld bij het uitsterven van de neanderthaler.[81][82] Toen de moderne mens 40.000 tot 30.000 jaar geleden uit het Midden-Oosten naar Europa trok, ontmoette hij hier een neanderthalerbevolking die al aan het verdwijnen was. Deze vaststelling is afgeleid uit het vergelijkend onderzoek van het mtDNA van neanderthalerbeenderen van 13 personen uit heel Europa. Het mtDNA wordt overgeërfd door de moeder. Hiermee valt de stamboom in de moederlijke lijn te reconstrueren. Terwijl de 55.000 jaar oude neanderthalerbotten aangeven dat er sprake was van een grote verscheidenheid aan genetische voorouders, laten de botten van jongere datum zien dat er een genetische verarming heeft opgetreden. Een verschijnsel dat optreedt bij het uitsterven van een soort. De onderzoekers wijzen erop dat de neanderthalers door de klimaatverandering tijdens de laatste ijstijd zijn gedecimeerd. Bij het uitsterven speelde het lage geboortecijfer kennelijk ook een rol.

Genoomonderzoek en relatie tot de huidige mens[bewerken]

Onderzoek van erfelijk materiaal toonde aan dat het volgens vrouwelijke lijn overerfbare mitochondriaal DNA (MtDNA) niet van de neanderthaler afkomstig kan zijn geweest.[83] Echter, genetische simulaties suggereerden dat 5% van het menselijke genoom niet kan worden verklaard uit een overerving volgens rechte lijn, en kan worden opgevat als een wezenlijke bijdrage van de neanderthaler aan de Europese genenpoel die tot 25% kan hebben bedragen.[84]

Begin mei 2010 meldde Svante Pääbo, hoofd van de afdeling Evolutionaire Genetica van het Max Planck Instituut te Leipzig, dat de eerste ruwe schets van het genoom van de neanderthaler gereed was. De meest opvallende conclusie die hij trok, was dat nagenoeg alle moderne mensen buiten Afrika delen van aan neanderthaler gelieerd DNA bezitten. Dat lijkt aan te tonen dat de moderne mens op zijn tocht vanuit Afrika de neanderthaler heeft ontmoet en dat er wel degelijk sprake is geweest van vermenging.[85][86] Later genoomonderzoek van een vrouwelijke neanderthaler uit de Okladnikovgrot in het Altajgebergte wees op uitwisseling van genen tussen neanderthalers, moderne mensen en Denisova-mens.[87] Genoomanalyse van het dijbeen van Oest-Isjim, afkomstig van een "moderne" mens van circa 45.000 jaar geleden, wijst op een hybridisatie tussen 7.000 en 13.000 jaar eerder.[88]

Van het erfelijk materiaal van de Aziatische en Europese inwoners blijkt tussen 1 en 4 % van neanderthaleroorsprong te zijn. Bij mensen ten zuiden van de Sahara zijn geen genetische sporen van de neanderthaler aangetroffen.[89] Contacten tussen mens en neanderthaler vonden dan ook buiten Afrika plaats.

Een reden voor het relatief geringe aandeel van neanderthalergenen zou het sporadisch voorkomen van vermenging kunnen zijn.[90] Assimilatie heeft in dit verklaringsmodel dan ook niet plaatsgevonden. Echter een andere verklaring kan de geringe omvang van de neanderthalerbevolking zijn. Als groep A uit een gering aantal individuen bestaat en door groep B van een grote populatie geassimileerd wordt, zal het aandeel A in de menggroep klein zijn. Er heeft wel volledige assimilatie plaatsgevonden, maar dit is niet of nauwelijks te merken in de huidige genenpoel.

Bescherming tegen lokale ziekten[bewerken]

Dat er vermenging heeft plaatsgevonden staat vast. Deze uitwisseling van genen heeft voor de moderne mens onder andere een groot voordeel gehad: bescherming tegen ziekten, die in de gebieden buiten Afrika voorkwamen.

Onderzoeker Peter Parham van de Stanford University in Californië bestudeerde 200 genen die van belang zijn voor het immuunsysteem van de mens. Deze genen zijn er in verschillende varianten (allelen) en stellen ons in staat om adequaat op tal van ziektes te reageren. Parham vergeleek de genen van mensen uit verschillende delen van de wereld met die van de neanderthaler en Homo denisova.[91]

Parham ontdekte dat een allel zowel bij Europeanen als Aziaten voorkomt, maar ontbreekt bij Afrikanen. Ook de neanderthaler bleek in bezit te zijn van dit ene allel. Voor een andere allel gold dat een deel van de moderne mensheid het van de Denisova-mens had geerfd. Het bewijst dat de moderne mens nuttige genen aan de vermenging met andere mensachtigen overhield. Deze nuttige genen zorgden voor een natuurlijke weerstand en bescherming tegen lokale ziekten, dwz. ziekten die niet in Afrika voorkwamen.

Vindplaatsen[bewerken]

Vindplaatsen van pre-neanderthaler en vroege neanderthaler
Vindplaatsen van "klassieke" neanderthaler

De verspreiding van de tot hiertoe bekende vindplaatsen wijst erop dat er twee bewoningsconcentraties waren waarbij er meer leefgrotten en woonplaatsen in openlucht te vinden zijn; één in Zuidwest-Frankrijk en één in Israël. Een lijst van enkele vindplaatsen van neanderthaler(s), gerangschikt per land wordt hieronder gegeven. Niet op alle plaatsen zijn skeletresten gevonden, er zijn soms alleen artefacten aangetroffen die aan neanderthalers worden toegeschreven:

Neanderthalers in Nederland[bewerken]

Recente archeologische opgravingen van neanderthalerkampen vonden vanaf 1998 tot en met 2003 plaats te Veldwezelt-Hezerwater in België, bij Colmont in Nederlands Limburg in 2001[92]; en bij Assen in 2012. De belangrijkste opgraving in Nederland werd verricht tijdens de jaren 80 en begin jaren 90 van de twintigste eeuw in de groeve bij Belvédère bij Maastricht. Plekken waar concentraties van artefacten van neanderthalers aan het maaiveld in Nederland zijn gevonden, liggen bij Mander te Overijssel, nabij Assen in Drente[93], in het Corversbos-Hilversum in het Gooi en op diverse plekken in Limburg (onder andere St. Geertruid en Colmont[92]). Ook in het Gooi zijn losse vondsten van artefacten van neanderthalers gedaan.[94]

Een meer dan 40.000 jaar oud voor de Zeeuwse kust gevonden schedelfragment, bekend onder de naam "Krijn" is te zien in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden.[95][96][97][98]

Enkele-oorsprongshypothese en multiregionale theorie[bewerken]

Sinds men resten van neanderthalers gevonden heeft, bestaat er discussie in wetenschappelijke kringen of wij afstammen van de neanderthaler, of dat dit een uitgestorven zijtak van Homo sapiens is. Veelal wordt aangenomen dat de neanderthaler wel onze directe voorganger in de evolutie is, maar niet onze voorouder. Echter, aanwijzingen naar het bestaan van archaïsch genetisch materiaal in Europese en West-Afrikaanse populaties en nieuwe projecten ter ontrafeling van het neanderthalergenoom, maken dat er hoop is op een definitief antwoord op de vraag of er menging heeft plaatsgevonden. De eerste volledige analyse van het mitochondriaal genoom van een neanderthaler plaatste dit "onbetwistbaar buiten de variabiliteit van modern menselijk mitochondriaal DNA, met een geschatte divergentiedatum van 660 000 - 140 000 jaar geleden".[99]

Het debat over de vraag of de neanderthaler een menselijke ondersoort was die zich kon mengen met de moderne mens, of een heel aparte en inmiddels geheel uitgestorven mensachtige, duurt nog steeds voort. In 1864 doopte William King deze mens Homo neanderthalensis, waarmee hij aangaf de neanderthaler als een aparte soort te zien. Berucht is Marcellin Boules reconstructie van "de man van La Chapelle-aux-Saints", waarin hij deze neerzet als een zwakbegaafde aapmens.[3] Vanaf 1930 wordt het beeld genuanceerd door antropologen als Kleinschmidt, Coon, Weidenreich en von Koenigswald. Een nieuwe reconstructie van Coon liet een aangeklede en geschoren neanderthaler zien die in moderne tijden nauwelijks zou opvallen op straat.[100] Voor het eerst komt dan ook de naamgeving Homo sapiens neanderthalensis in zwang, om aan te geven dat de neanderthaler geen soort was maar een ondersoort.[100]

In het debat kwam al spoedig naar voren dat het onmogelijk is dat de moderne mens direct van de neanderthaler afstamt. Daarvoor waren de verschillen te groot en was duidelijk dat beide soorten zelfs enige tijd naast elkaar hebben bestaan. Echter, onderzoekers als Milford Wolpoff wezen op hybride kenmerken en aangezien volgens de biologische definitie verschillende soorten geen vruchtbaar nageslacht kunnen verwekken verwierpen zij dat de neanderthaler een aparte soort kon zijn.[100] Zij blijven bij de naam Homo sapiens neanderthalensis, ondanks dat veel anatomen (waaronder Katerina Harvati[101]) de verschillen ook te groot vinden om de neanderthaler als een ondersoort te kunnen classificeren. Zij blijven uitdrukkelijk bij de naam Homo neanderthalensis en stellen dat er geen menging noodzakelijk is geweest om bepaalde overeenkomsten te verklaren. Anderzijds worden een aantal kenmerken die de neanderthalers met de cro-magnonmens gemeen hadden nog steeds onderzocht (door onderzoekers als Erik Trinkaus[102]) en gezien als bewijs dat er wel vermenging heeft plaatsgevonden.

Waar de een wijst op de spiritueel menselijke eigenschappen in de neanderthalercultuur,[103] vindt de ander géén bewijs voor culturele interactie.[104]

De twee stromingen die twisten over de naamgeving van de neanderthaler, zijn "Out of Africa II", die de neanderthaler beschouwt als een soort, en de multiregionale theorie, die uitgaat van regionale invloed op de moderne mens van andere menselijke ondersoorten zoals de neanderthaler door menging.

Enkele-oorspronghypothese[bewerken]

De meest aangehangen theorie, de enkele-oorsprongshypothese, beschouwt de neanderthaler als een aparte soort. Speculaties over het eventuele primitieve gedrag - ondanks bewijzen voor begrafenisrituelen met bloemen - en een over duizenden jaren stagnerende cultuur die het intellectuele onvermogen om zich aan te passen zouden aantonen, hebben al vroeg stemmen doen opgaan om de neanderthaler als voorouder van de moderne mens uit te sluiten. Aangetroffen skeletten die het resultaat zijn van kruisingen tussen een neanderthaler en de cro-magnonmens geven geen uitsluitsel over de vruchtbaarheid van de nakomelingen en het doorwerken van de vermenging op latere generaties. Ook van enkele typische overeenkomsten tussen de cro-magnonmens en de neanderthaler - zoals het zwaar aangezette puntige achterhoofd - is het onduidelijk of deze berusten op toeval, een gemeenschappelijke afkomst of onderlinge verwantschap.

Deze theorie gaat ervan uit dat de moderne mens in Afrika is ontstaan en van daaruit de wereld heeft gekoloniseerd. Daarbij zou hij groepen die zich in een eerder stadium eveneens vanuit Afrika over de wereld hadden verspreid, waaronder de neanderthaler, vervangen hebben. Deze stelling werd in 1987 bevestigd door een artikel van Rebecca Cann en Mark Stoneking.[105] Door analyse van de basenvolgorde van mitochondriaal DNA (MtDNA) hebben de onderzoekers een hypothese kunnen opstellen over de plaats van oorsprong en de verspreiding van de moderne mens, en de tijdschaal waarin dit zich heeft afgespeeld, door het construeren van een 'parsimonious tree', een zo eenvoudig mogelijke afstammingsconstructie die de verschillen verklaart.

Uit de mate van variatie in het mitochondriaal DNA bij de huidige menselijke bevolking hebben zij geconcludeerd dat het oorsprongspunt van de moderne mens zich in Afrika bevindt. Zij komen tot deze conclusie omdat de variatie in het mitochondriaal DNA onder bevolkingsgroepen in Afrika het grootst is. Een van de belangrijkere aanhangers van de enkele-oorspronghypothese is Paul Mellars, hoogleraar aan de universiteit van Cambridge.

Multiregionaal model[bewerken]

De voorstanders van het multiregionale model menen dat een neanderthaler een voorouder was van de moderne mens. Ook als de neanderthaler niet de voorouder was van de moderne mens is het misschien wel mogelijk dat er toch incidenteel kruisingen zijn voorgekomen en dat er nog Neanderthalgenen in de huidige mensenpopulatie rondzwerven. Het skelet van een Homo sapiens kind van ongeveer 24.500 jaar geleden in Portugal, te Lagar Velho, niet ver van Lissabon, vertoonde Neanderthal-kenmerken die zouden kunnen wijzen op vermenging.[106] Daarnaast heeft het paleontologische onderzoek naar mogelijke vermenging zich verplaatst naar de biologie en chronologie van de eerste morfologisch moderne mensen in westelijk Eurazië van vóór 28 000 jaar geleden. Vondsten in Peștera cu Oase, Roemenië, leveren groeiende aanwijzingen dat deze vroege Homo sapiens een variabel mozaïek vertegenwoordigt waarin kenmerken van de afgeleide moderne mens, archaïsche Homo sapiens en Homo neanderthalensis verenigd zijn.[107][108] Het onderzoek van mitochondriaal DNA lijkt deze hypothese niet te steunen - de verschillen tussen mitochondriaal DNA van de neanderthaler en de moderne mens zijn aanzienlijk, veel groter dan die tussen moderne mensen onderling (enkele neanderthalresten waren zo goed bewaard dat daaruit nog DNA ter vergelijking te winnen was). Mitochondriaal DNA wordt echter alleen langs rechte vrouwelijke lijn overgeërfd in een proces dat, net als voor DNA op het Y-chromosoom, vooral bij kleinere populaties zeer gevoelig is voor genetische drift. Het kan over een aantal generaties gemakkelijk spoorloos verdwijnen, zodat het mogelijk is om uitgaande van dezelfde variaties in DNA, duizenden andere mogelijke afstammingsbomen te construeren.

Nieuw onderzoek suggereert dat minstens 5% van het genetische materiaal van moderne Europeanen en West-Afrikanen een archaïsche oorsprong heeft die het gevolg kan zijn van menging met neanderthalers respectievelijk een nog onbekende archaïsche Afrikaanse populatie.[84] Zij kwamen tot dit resultaat door eerst een "nulmodel" te berekenen met genetische kenmerken waaraan een afstamming in rechte lijn van een voorouderlijke Homo sapiens zou moeten voldoen en dit naast de huidige distributie van genetische polymorfismen te leggen. De onderzoekers wisten aan te tonen dat dit nulmodel belangrijk afwijkt van de geconstateerde genetische variëteit. Genetische simulaties geven aan dat deze 5% aan afwijkend DNA, overeenkomt met een substantiële bijdrage aan de Europese genenpoel door archaïsche populaties zoals neanderthalers, waarbij de vermengingsfactor kan oplopen tot 25%. Het is de verwachting dat toekomstig onderzoek een overvloed aan informatie over genetische polymorfismen zal opleveren, die als basis kan dienen voor nader onderzoek. Een genoomproject rond de neanderthaler is onderweg. In tegenstelling tot het onderzoek op mtDNA, heeft onderzoek naar afwijkingen in de vorm van mutaties die aantoonbaar zijn overgeërfd van neanderthalers de potentie van bewijskracht.[109]

Trivia[bewerken]

  • De boeken van Jean Marie Auel, de romanserie De Aardkinderen, gaan over de periode waarin de moderne mens en de neanderthaler naast elkaar voorkwamen. Hoewel de schrijfster voor haar boeken veel onderzoek heeft gedaan, moeten de geromantiseerde verhalen wat betreft wetenschappelijke juistheid met een korrel zout worden genomen.
  • In de naam neanderthaler vindt men een h (in thal). Deze letter staat wel in de Latijnse naam, maar is door spellingwijzigingen in het Duits en in navolging daarvan in andere moderne talen vaak verdwenen.
  • Neander was het Griekse pseudoniem van Joachim Neumann (neos andros = nieuwe man = Neu Mann), de predikant-componist die hier gewoond had. De neanderthaler is dus letterlijk vertaald een 'bewoner van het dal van de nieuwe man'.
  • De Belgische auteur Dirk Bracke schreef een jeugdroman over de neanderthaler Steen[110]