Fossiel

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Een boorkern met een kokkelsoort uit het Plioceen

Fossielen zijn alle resten en sporen van planten en dieren die geconserveerd zijn in gesteente. Hoewel dat vaak wordt gedacht, hoeven fossielen niet 'versteend' te zijn. Zeer veel fossielen zijn inderdaad niet versteend. Zelfs uit zeer oude gesteenten zijn fossiele resten bekend die nauwelijks veranderd zijn. Verder denken velen dat fossielen altijd zeer oud zijn. Ook dit is niet terecht. Er zijn vele zeer jonge fossielen bekend, ontstaan in een periode waarin er al mensen op aarde waren.

De wetenschap die fossielen bestudeert heet paleontologie. Dit kennisgebied helpt bij het onderzoek naar de opeenvolging van gesteenten, een tak binnen de geologie die biostratigrafie genoemd wordt. Doordat overblijfselen van leven slechts fossiliseren onder specifieke omstandigheden is de fossiele informatie beperkt en per definitie incompleet.

Etymologie[bewerken]

Het woord fossiel is afgeleid van het Latijnse fossilis, dat opgegraven betekent.

Soorten fossielen[bewerken]

Een gefossiliseerde vis

Bij het woord fossiel denkt men vaak aan de botten van dinosauriërs of van mammoeten en het is inderdaad zo, dat de harde delen van een organisme de grootste kans maken door fossilisering geconserveerd te worden. Voor gewervelde dieren zijn dat de botten en vooral de tanden. De zachtere weefsels van het organisme blijven alleen in bijzondere gevallen bewaard en zijn daarom veel zeldzamer. Zachtere weefsels worden alleen dan bewaard als ze snel bedolven raken onder een laag die ze afschermt tegen iedere vorm van rotting of vraat. Met alleen de harde delen is het soms moeilijk zich een goed beeld te vormen van het complete organisme. Een goed voorbeeld hiervan zijn de Conodonta, die lange tijd in grote aantallen werden gevonden, maar alleen van hun tanden bekend waren. Pas toen er ook een afdruk van de rest van zo'n diertje gevonden werd, bleek dat het hier om een primitieve vorm van de stam Chordata ging. Bij andere diergroepen zijn vaak andere harde delen, zoals schelpen gefossiliseerd.

Er bestaat een aantal bijzondere vormen van fossilisering. In barnsteen worden bijvoorbeeld soms complete insecten ingesloten gevonden, doordat de hars waaruit de barnsteen ontstaan is, een goede afsluiting tegen oxidatie (en dus verdere ontbinding) van het organisch materiaal vormt. Dat geldt op grotere schaal ook voor teerputten. In de buurt van de Amerikaanse stad Los Angeles zijn een goed voorbeeld daarvan de La Brea-teerputten. Van dieren die in de teerputten gevangen raakten, bleven de botten vaak bijzonder goed bewaard. Bovendien trokken de vastzittende dieren vaak roofdieren aan, die ook weer verstrikt raakten. Op deze manier werd tijdens het Pleistoceen een bottenkerkhof gevormd. In kleien die in stilstaand, zuurstofloos water zijn afgezet worden vaak zeer goed geconserveerde fossielen aangetroffen. Door de afwezigheid van zuurstof fossiliseren planten daarin bijzonder goed. Heel vaak is niet de hele waterkolom zuurstofloos, maar alleen het onderste gedeelte. Dergelijk gelaagd water heeft dus een normaal zuurstofgehalte in de bovenste laag. In de bovenste laag gaan organismen dood die vervolgens naar beneden zakken en dan in een zuurstofloze omgeving terechtkomen waar zij bewaard blijven. Verder kunnen levende organismen onbedoeld in de onderste zuurstofloze laag terechtkomen, waardoor zij sterven en fossiliseren. In een dergelijke afzetting zijn vissen soms in een verkrampte wijze bewaard wat wijst op verstikking. Een bekend gesteente met dergelijke fossielen is de Kupferschiefer uit het Rotliegend in Midden-Duitsland. Ook komt fossilisering veel voor in snelstromende rivieren met los slib op de bodem. Dit komt doordat als er daar dieren sterven ze vaak met een rap tempo onder het slib worden gedreven deze dieren blijven dan voor altijd (of bijna altijd) in de grond verdwijnen.

Naast resten die van organismen zelf afkomstig zijn worden ook sporen die door organismen actief of passief zijn gemaakt tot de fossielen gerekend. Hiertoe behoren bijvoorbeeld coprolieten (gefossiliseerde uitwerpselen) en sporenfossielen zoals pootafdrukken en graafgangen. Van sporenfossielen is het niet altijd mogelijk om vast te stellen van welk dier ze afkomstig zijn. Ze krijgen daarom vaak hun eigen taxonomische benaming.

Fossiliseringsproces[bewerken]

Als zo'n fossiel in zo'n afsluitende materie komt wordt hij al snel deel van de aardlaag waar hij zich dan in bevindt. Door de millennia heen komen er steeds meer aardlagen bij en zal het fossiel door de grote druk steeds platter worden, bij dinosaurussen uit het trias zijn de botten nog mooi dik maar bij oudere fossielen uit bijvoorbeeld het cambrium is er weinig te herkennen aan zijn oorspronkelijke bot-doorsnede. De fossielen worden dus plat gedrukt en al het lichaamswater wordt er uit geperst, wat daarna opgenomen wordt door de omliggende grond. Daarna begint ondanks de goede conservatie toch het grootste deel van de lichaamsdelen van het fossiel te vergaan tot alleen nog maar het skelet en soms een paar veren overblijven. Bij relatief (vergeleken inclusief zoogdieren) heel oude fossielen gaat het nog een stapje verder: ook de botten vergaan en daarvoor in de plaats komen steenachtige mineralen die een duidelijke afdruk van het fossiel weergeven ook deze afdrukken worden meegeteld als fossiel.

Zo ontstaan er verschillende aardlagen met elk weer andere fossielen en worden er met elke laag dieper die bereikt wordt oudere en minder complete fossielen opgegraven.

Gidsfossielen[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Gidsfossiel voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Veelal worden fossielen gebruikt om de relatieve ouderdom van de betreffende aardlaag te bepalen. De aldus gevonden datering kan dan gebruikt worden om de ouderdom van andere fossielen in desbetreffende of geassocieerde aardlagen te bepalen. Fossielen die gebruikt worden om aardlagen en andere fossielen te dateren worden gidsfossielen genoemd.

Fossiel in de alledaagse taal[bewerken]

Van het woord 'fossiel' zijn ook overdrachtelijke betekenissen afgeleid:

  • iemand met achterhaalde, versteende ideeën;
  • een voorwerp waarvan men het bestaan (en terugvinden ervan) allang had opgegeven.
  • een bejaard iemand.

'Fossiel' wordt ook wel gebruikt als bijvoeglijk naamwoord voor onderaardse overblijfselen die niet van organische oorsprong zijn. Een voorbeeld is fossiel water. Dit is water dat gevonden wordt in een ondergrondse waterdragende laag onder wat nu een woestijn is, maar lang geleden een vochtiger gebied was.

Voorbeelden[bewerken]

Zie ook[bewerken]

Externe link[bewerken]