Gallische Oorlog

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De Gallische Oorlog was een reeks van veldtochten die gevoerd werden door de Romeinse proconsul Julius Caesar tegen verschillende Gallische stammen. Het duurde van 58 v.Chr. tot 51 v.Chr.. De Romeinen vielen ook Britannia en Germanië aan, maar deze expedities ontwikkelden zich nooit tot zeer grote invasies. De Gallische Oorlog mondde uit in de beslissende Slag bij Alesia in 52 v.Chr., waarin een complete Romeinse overwinning resulteerde in de uitbreiding van de Romeinse Republiek over heel Gallië. De oorlog maakte de weg vrij voor Julius Caesar om de enige heerser van de Romeinse Republiek te worden.

Hoewel Caesar deze invasie portretteerde als een defensieve, preventieve actie, zijn de meeste historici het eens dat de oorlog in de eerste plaats werd gevochten om Caesars politieke carrière te stimuleren en om zijn enorme schulden af te betalen. Toch was Gallië van een groot militair belang voor de Romeinen, want ze waren al verschillende keren aangevallen door inheemse stammen beiden zowel van Gallië en van verder naar het noorden. Het veroveren van Gallië stond Rome toe om de natuurlijke grens van de Rijn te beveiligen.

Deze veldtocht wordt beschreven door Julius Caesar zelf in zijn boek Commentarii de Bello Gallico, dat de belangrijkste historische bron van het conflict is. Dit boek is ook een meesterwerk van politieke propaganda, want Caesar was zeer geïnteresseerd in het manipuleren van zijn lezers in Rome om hem te steunen.

Achtergrond[bewerken]

Caesar was een van de machtigste mannen van de Romeinse Republiek: in het jaar 60 v.Chr. had hij tezamen met de gevierde veldheer Pompeius en de schatrijke financier Crassus het zogenaamde Eerste Triumviraat opgericht, een bondgenootschap van politieke zwaargewichten, die het politieke leven van de Republiek beheersten. In 58 v.Chr. beëindigde Julius Caesar zijn consulschap in Rome, en ging gebukt onder een hoge schuldenlast door zijn gewoonte om de kiezersgunst te kopen met genereuze hoeveelheden smeergeld.

Als lid van het Eerste Triumviraat had Caesar zich kunnen verzekeren van het proconsulaat van de Romeinse provincies Gallia Cisalpina en Illyrië, voor de ongebruikelijk lange periode van vijf jaar. Een jaar later volgde Caesar de overleden Metellus Celer op als gouverneur van de provincie Gallia Narbonensis. Hierdoor kreeg Caesar de strategisch belangrijke provincies in handen, die de wegen van en naar het Italische schiereiland beheersten. Gallia Narbonensis bleek voor Caesar bovendien een uitstekende springplank voor inmenging in de aangelegenheden van de nog onafhankelijke Gallische stammen.

Caesar had oorspronkelijk het gezag over vier veteranenlegioenen, waarvan hij persoonlijk de meeste, zo niet alle kende uit zijn perioden als magistraat in Hispania Ulterior. Hij had bovendien de macht om extra legioenen en hulptroepen op te roepen. Omwille van persoonlijke glorie en het verlichten van zijn schuldenlast had Caesar duidelijk plannen om enkele gebieden te veroveren, maar het is waarschijnlijk dat de onderwerping van Gallië niet in eerste instantie zijn doel was. Hij was daarentegen heel waarschijnlijk van plan om het koninkrijk Dacia binnen te vallen.[1] Ook Adrian Goldsworthy deelt deze zienswijze,[2] en refereert hierbij aan Meier.[3] Deze gedachte wordt ook ondersteund door de provincies die Caesar oorspronkelijk voor zichzelf wenste: Gallia Cisalpina en Illyria, waar zijn legioenen aanvankelijk toch al gelegerd waren. Drie legioenen waren oostelijk gelegerd in Aquileia, en slechts één in het westelijke Gallia Narbonensis.

Gallië werd rond de tijd van de inval door de Romeinse legioenen bevolkt door mogelijk rond de honderd onderling verdeelde stammen, die derhalve afzonderlijk moesten worden onderworpen. Strikt genomen zou het daarom correcter zijn te spreken van de "Gallische Oorlogen" in plaats van oorlog. De meeste van deze stammen telden - mannen, vrouwen en kinderen tezamen - slechts enkele tienduizenden leden, maar er waren er ook die ruim 100.000 zielen telden. Enkele van de grootste stammen, zoals de Helvetiërs, Aedui, Sequani en Arverni, haalden misschien zelfs een aantal van 200.000 zielen.

Deze vaak redelijk geciviliseerde en vermogende stamstaatjes waren zelfs veelal naar Romeins model ontwikkeld van tribale hoofdmanschappen tot aristocratische republieken; als er koningen waren, was hun macht niet onbeperkt. De aristocratie van grondbezitters had de meeste macht, maar moest wel rekening houden met volksvergaderingen waarin de vrije boeren - de kern van het stamleger - vertegenwoordigd waren. Een andere invloedrijke groep was de priesterklasse der druïden. De Galliërs leefden grotendeels van akkerbouw en veeteelt.

De Romeinen respecteerden en vreesden de Gallische en Germaanse stammen. In 109 v.Chr., slechts vijftig jaar eerder, waren Germaanse stammen het Italische schiereiland binnengevallen, die pas na enkele uitermate zware, bloedige veldslagen en ten koste van vele Romeinse manschappen waren overwonnen onder de Romeinse generaal Gaius Marius - oom van Julius Caesar. Zeer recentelijk waren de Germaanse Suevi Gallië binnengetrokken onder hun leider Ariovistus. Het leek er op dat de stammen zich weer gingen verplaatsen.

Het eerste oorlogsjaar[bewerken]

Tegen 61 v.Chr. ontwikkelde Orgetorix, een vooraanstaand edelman van de Keltische Helvetiërs, in het geheim en samen met leiders van de Aedui en de Sequani een plan om zijn volk uit het huidige Zwitserland naar de kust van de Atlantische Oceaan, het stamgebied van de Santones, te laten migreren. Gedrieën zouden ze de macht grijpen en over heel Gallië heersen. De Helvetiërs kwamen in 58 v Chr. achter dit plan en berechtten Orgetorix, die de dood vond. Maar ze waren nog steeds van plan naar het westen te migreren, ontevreden over hun positie tussen de Germaanse Sueven, Romeinen en Gallische Sequani. Door de Romeinse Provincia (de huidige Provence) mochten ze niet trekken, dus trokken ze door Gallisch gebied. De problemen die de verhuizing van misschien wel ruim een kwart miljoen mensen met zich meebrengt, veroorzaakten grote opschudding in het doorgangsgebied.

Zoals Caesar al had gehoopt, kwamen de Galliërs hem nu om hulp vragen. Hij versperde de Helvetiërs met een sterk leger de weg en versloeg ze volkomen. Een groot deel van het volk werd afgeslacht. De overlevenden moesten naar hun oude gebied terugkeren. Alleen een betrekkelijk kleine aan de Helvetiërs gelieerde stam, een afdeling van het grote Keltische volk der Boii in Bohemen, kreeg van Caesar toestemming om zich in Centraal-Gallië te vestigen.

Nog in hetzelfde jaar kreeg Caesar een verzoek van het Gallische volk der Aedui om hun steun te verlenen tegen hun buren en rivalen, de Sequani, die ook de leider van een Germaanse krijgsbende in dienst hadden, Ariovistus, een edelman van het Germaanse volk der Sueven. Caesar heeft in zijn verslag over de oorlog het gevaar van een dreigende Germaanse invasie in Gallië om propagandistische redenen stellig wat aangedikt, maar enige reden voor een dergelijke vrees was er zeker wel.

In elk geval slaagde Caesar erin de Sequani en hun Germaanse bondgenoten te verslaan en Ariovistus te dwingen om zich met zijn krijgers ten oosten van de Rijn terug te trekken. Het gevolg van deze twee spectaculaire overwinningen was dat een groot deel van de stammen van Centraal-Gallië zich nu genoopt zagen om “bondgenootschappen” met Caesar te sluiten, waarmee ze zich in feite aan de Romeinen onderwierpen.

Het tweede oorlogsjaar[bewerken]

In het jaar 57 v Chr. ging Caesar zich bemoeien met conflicten tussen de verschillende stammen der Belgae, een ondergroep van de Galliërs die tussen de Seine, de Marne en de Rijn woonden. Volgens Caesar waren de Belgen de dappersten van heel Gallië (Horum omnium fortissimi sunt Belgae) omdat ze het verst van de Romeinse beschaving woonden, geen contact hadden met handelaars (die luxeartikelen importeerden waarvan men verzwakt zou raken) en omdat zij regelmatig oorlog voerden met de Germanen, een buitengewoon ruig volk aan de andere kant van de Rijn.

Allereerst onderwierp Caesar enkele Zuid-Belgische stammen (de Remi, de Suessiones, de Bellovaci en de Ambiani) bij de Aisne. Daarna versloeg hij een tweede Belgisch coalitieleger tijdens de slag aan de Sabis (de Nerviërs, de Atrebates en de Viromandui).

Het derde oorlogsjaar[bewerken]

In de winter van 57 op 56 v Chr. trok Caesar, zoals dat gebruikelijk was, zijn troepen terug in winterkwartieren, die gelegen waren aan beide zijden van de Alpen. Eén legioen, onder leiding van commandant Galba, legerde hij in Octodurus, het huidige Martigny in het Zwitserse kanton Valais, om de Alpenpassen te bewaken en daarmee de verbinding tussen de provincies Gallia Narbonensis en Gallia Cisalpina open te houden. Door een felle opstand van drie bergstammen, de Seduni, Nantuates en Veragri werd het Romeinse legioen in ernstige moeilijkheden gebracht. De Romeinen slaagden erin de aanval op hun kamp af te slaan, maar Galba besloot zijn legioen toch maar naar veiliger streken terug te trekken. Caesar – handige propagandist als hij was – beschrijft het voorval alsof het een grote Romeinse overwinning was.

In zijn campagne van het jaar 56 v.Chr. richtte Caesar zijn aandacht op de stammen langs de kust van de Atlantische Oceaan, en in het bijzonder de Veneti in Armorica (het huidige Bretagne), die met een aantal buurstammen een anti-Romeinse federatie hadden gevormd. Het kustvolk der Veneti beschikte over een flink aantal tamelijk grote schepen, die een geduchte oorlogsvloot vormden, en Caesar kwam tot de conclusie dat hij hun verzet alleen zou kunnen breken als hijzelf ook over een sterke vloot zou beschikken.

Aan de monding van de Garonne liet hij deze vloot bouwen en hij slaagde erin om daarmee in een zeeslag de vloot der Veneti te vernietigen. Het volk werd zwaar gestraft. Caesar liet de hele aristocratie om het leven brengen. Een groot deel van het volk werd in slavernij afgevoerd. Bij de andere stammen in West-Gallië zat de schrik er nu goed in en zij onderwierpen zich aan Caesar. Alleen de Morini en Menapiërs, die zich in hun moerasrijke kustgebieden goed konden verschuilen, weigerden zich aan Caesar te onderwerpen.

Het vierde oorlogsjaar[bewerken]

In het vierde oorlogsjaar (55 v.Chr.) ondernam Caesar een tocht ten oosten van de Rijn om de Germanen door Romeins machtsvertoon duidelijk te maken dat zij in Gallië niets te zoeken hadden. Caesar liet daartoe een houten brug over de Rijn bouwen. Maar de Germanen trokken zich terug in hun ondoordringbare wouden en Caesar trok terug de Rijn over en liet de brug afbreken.

Datzelfde jaar nog ondernam hij een expeditie naar Britannia, om soortgelijke redenen als zijn tocht over de Rijn. De stammen in West-Gallië onderhielden namelijk nauwe contacten met de nauw aan hen verwante Keltische stammen aan de andere kant van het Kanaal. Ook hier kwam Caesar tot de conclusie dat de tijd nog niet rijp was voor een definitieve verovering van dit gebied. Caesar was nogal onder de indruk van een “geheim wapen” van de Britten (in feite een oud wapen dat in het Middellandse Zeegebied in vergetelheid was geraakt): strijdwagens met messen aan de wielen.

De campagnes van 56 v.Chr. en 55 v.Chr. zijn door de eeuwen heen nogal controversieel geweest onder de historici, en dat was eigenlijk ook het geval met Caesars tijdgenoten. Zijn politieke tegenstanders bekritiseerden de risico's die Caesar nam en het feit dat hij met de verovering vooral een versterking van zijn eigen politieke positie beoogde. Moderne historici zijn verdeeld in critici van Caesars flagrant imperialistische politiek en zij die deze verdedigen met het argument dat de Romeinse verovering veel voordelen met zich meegebracht heeft voor de Galliërs: ongeveer vier eeuwen van zelden onderbroken vrede en overname van de hogere Romeinse cultuur.

Factoren die de Romeinse verovering begunstigden[bewerken]

Het Romeinse succes in de Gallische Oorlog was voor een niet onbelangrijk deel een gevolg van het militaire en politieke talent van Julius Caesar, die op kritieke momenten altijd het hoofd koel wist te houden en er het grootste deel van de tijd in slaagde om zijn tegenstanders in voldoende mate verdeeld te houden, zodat hij steeds tegelijkertijd slechts een beperkt aantal stammen hoefde te bevechten, terwijl andere stammen hem steunden met hulptroepen en voedselvoorziening. Caesar deed aan systematische vergaring van inlichtingen over de zwakke punten van zijn vijanden, hun onderlinge verdeeldheid, enzovoorts.

Een niet onaanzienlijk deel van Caesars troepen bestond uit Galliërs van stammen die zich met hem hadden verbonden. Bovendien waren zijn 'Romeinse' troepen voor het grootste deel gerekruteerd uit de provincies Gallia Cisalpina en Gallia Narbonensis, waar een groot deel van de bevolking van Gallische oorsprong was en beide talen beheerste. Sommige historici hebben daarom wel – met enige overdrijving - de Gallische Oorlog een 'onderlinge oorlog tussen Galliërs' genoemd, tussen 'vrije Galliërs' en 'door Rome georganiseerde Galliërs'. In die omstandigheden wekt het ook geen verbazing dat Caesar nooit gebrek had aan tolken om zich voor de Galliërs verstaanbaar te maken. (Het Gallisch was geen uniforme taal, maar er bestond waarschijnlijk wel een redelijke onderlinge verstaanbaarheid tussen de verschillende dialecten. Ook het overleg tussen Caesar en de Germaanse leider Ariovistus, die vele jaren 'Gallische ervaring' had en ten minste één Gallische bijvrouw bezat, verliep probleemloos via een Gallische tolk).

Caesars Gallische tegenstanders hadden in militair opzicht ernstige tekortkomingen vergeleken met de Romeinse soldaten. De Galliërs waren in staat grote legermachten op de been te brengen, maar het ontbrak hun aan flexibiliteit in de tactiek en aan discipline. De Gallische troepen waren geen beroepssoldaten. De kwaliteit van hun bewapening liep sterk uiteen. De Gallische wapensmeden waren bekwame vaklui en de Gallische edellieden beschikten ongetwijfeld over uitstekende wapenrustingen, maar de gewone boeren waren meestal te licht bewapend om effectief weerstand te kunnen bieden aan de uitstekend bewapende en tamelijk zwaar bepantserde Romeinse legioensoldaten.

Deze tekortkomingen werden slechts zeer ten dele gecompenseerd door de grote krijgshaftigheid van de Galliërs en hun beruchte furor Gallicus (Gallische strijdwoede). Hun tactiek beperkte zich doorgaans tot een verwoede frontale aanval, die van veel krijgsgeschreeuw vergezeld ging. Menig tegenstander raakte daardoor in paniek. Als dat lukte, was deze tactiek zeer succesvol. Tegen de Romeinse 'militaire professionals' was dat echter maar zelden het geval.

Gevolgen van de oorlog[bewerken]

Hoewel de Galliërs overwonnen waren, bleven ze de Romeinen vijandig gezind. Er braken verschillende opstanden uit, bekend als Gallische Opstand. Caesar kwam persoonlijk de orde terug op zaken stellen, wat gepaard ging met grootschalige repressies. Deze actie heeft ervoor gezorgd dat er een langdurige vrede aanbrak. In die periode, de Pax Romana kwam de romanisering op gang, waaraan Gallië heel wat voordelen zou halen, vanwege de nauwere contacten met de in veel opzichten superieure Romeins-Hellenistische beschaving.

Toch werd Gallië niet snel geromaniseerd. De Gallische adel ging de Romeinse cultuur al in de eerste twee generaties omhelzen, die hierdoor de aantrekkelijke Romeinse rijkdom en weelde vergaarden. De tweede klasse die zich aanpaste, was die van de stedelingen. Voorheen kenden de Galliërs wel al oppida (vluchtburchten) maar die hadden geen grote permanente bevolking. Veel van die oppida zouden nu tot echte steden uitgroeien, die ten volle zouden deelnemen aan de Romeinse beschaving. De massa der boeren, minstens 80 % van de bevolking, nam de Romeinse cultuur veel langzamer over. Zij ontwikkelden een zogeheten Galloromaanse cultuur. Ze profiteerden wel van de gekomen vrede, maar hadden veel macht verloren ten voordelen van de adel. Hun positie leek wel veel op die van horigen.

De taalkundige romanisering ging niet van de ene dag op de andere. Binnen enkele generaties waren de aristocratie en de stadsbevolking voor het grootste deel tweetalig geworden. De boerenbevolking is echter nog heel lang Gallisch blijven spreken. Het zou na de verovering nog ongeveer vier eeuwen duren voordat de grote meerderheid van de plattelandsbevolking op het Latijn (of liever gezegd op dialecten van het vulgair Latijn) zou overgegaan.

Voor Caesar zelf betekende de oorlog een grote winst aan kapitaal (oorlogsbuit), invloed (een leger van enkele tienduizenden beproefde veteranen) en aanzien (de Romeinen hadden nog herinneringen aan het trauma van de verwoesting van Rome in 387 v.Chr. door Galliërs; de man die erin slaagde deze 'woestelingen' te onderwerpen moest dus wel een buitengewoon leider zijn). Caesar heeft tijdens zijn machtsstrijd met Pompeius hiervan buitengewoon geprofiteerd.

Wikisource Bronnen die bij dit onderwerp horen, zijn te vinden op de pagina Nederlandse vertaling van Commentarii de bello Gallico op Wikisource

Referenties[bewerken]

  1. Dat de Balkan Caesars oorspronkelijke doel was, is beargumenteerd door verschillende geleerden: Penguin Classics The conquest of Gaul: "Introduction", hoofdstuk 3 "The course of the war"
  2. In the Name of Rome, hoofdstuk 8, "Caesar in Gaul" aan het einde van de paragraaf "Early life and career up to 58 BC"
  3. Meier (1995) blz. 204-223