Slag bij het Teutoburgerwoud

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Slag bij het Teutoburgerwoud
Conflict Romeinse oorlogen
Datum september (?) van het jaar 9 n.Chr.
Plaats bij Kalkriese
Resultaat Germaanse overwinning
Strijdende partijen
Germanen
Cherusci
Bructeri
Chatti
Marsi
Angrivarii
Chauci
Sicambri ?
Romeinse Rijk
Legio XVII
Legio XVIII
Legio XIX
4 cohorten Auxilia
Leiders
Arminius (Hermann) Publius Quinctilius Varus
Troepensterkte
ca. 17.000 à 24.000 man ca. 18.000 man
Kaart van de slag bij het Teutoburgerwoud
Kaart van de slag bij het Teutoburgerwoud

De slag bij het Teutoburgerwoud (ook Varusslag of door Romeinse en latere geschiedschrijvers in het Latijn clades Variana ("varusramp") genoemd)[1] is de benaming van de veldslag in het jaar 9 n.Chr. (tijdens het bewind van keizer Augustus en mogelijk van 9 tot en met 11 september[2] volgens de huidige kalender) [3] die, zoals recent bekend is geworden,[4][5] met grote waarschijnlijkheid plaatsvond bij Kalkriese. Deze plaats ligt aan de oostkant van de huidige gemeente Bramsche (10 km ten oosten van de gelijknamige stad), ten noorden van Osnabrück. Deze veldslag - bij de mislukte Romeinse poging Germania superior te onderwerpen - werd uitgevochten tussen enerzijds drie Romeinse legioenen onder aanvoering van de veldheer Publius Quinctilius Varus en anderzijds een daartegen opgetrokken coalitie van minstens vier Germaanse stammen onder leiding van de Germaanse edelman en aanvoerder Arminius. De slag bij het Teutoburgerwoud leidde een zevenjarige oorlog in, aan het eind waarvan de Rijn gedurende ruim vier eeuwen als grens van het Romeinse Rijk werd vastgelegd.[6]

Historische achtergrond[bewerken]

De Romeinse veldheer Publius Quinctilius Varus bevond zich in 9 n.Chr. met zijn legioenen en hulptroepen in de buurt van Osnabrück (zo'n kleine honderd kilometer ten oosten van het huidige Enschede). Zijn aanwezigheid in Germania maakte deel uit van een uitgebreid strategisch project voor de uitbreiding van het Romeinse rijk ten oosten van de rivier de Rijn en ten noorden van de Alpen. Dit project was in 15 v.Chr door keizer Augustus in het leven geroepen. Hij had toen zijn stiefzonen Drusus en Tiberius aan het hoofd gesteld van een veldtocht tegen de Raeti en Vindelici. Dit nadat een jaar eerder het koninkrijk Noricum op vermoedelijk vreedzame wijze als de provincie Noricum aan het Romeinse Rijk was toegevoegd. Drusus, die vervolgens het bevel over de legioenen aan de Rijn overnam, leidde in de jaren van 12 v.Chr. tot zijn dood in 9 v.Chr. uitgebreide verkenningstochten ten oosten van de Rijn, waarbij hij onder andere de rivieren de Elbe en de Saale bereikte. Vanaf de Rijn kon de vloot over het Drususkanaal, en door het Flevomeer, de Waddenzee en de Noordzee deze militaire expedities logistiek ondersteunen.

Volgens de huidige algemene opinie van historici was het doel van de Romeinen om de gebieden tussen de Rijn en de Elbe, waar zich nederzettingen van Germaanse stammen bevonden, onder permanente Romeinse heerschappij te brengen. Daartoe bouwden zij vooral aan de Rijn (Rhenus), de Lahn (Laugona), de Lippe (Lippia) en de Eems (Amisia) en aan de Noordzeekust een aantal militair versterkte logistieke basissen en probeerden zij tevens onder de stammen bondgenoten te winnen om zo een politiek van "verdeel en heers" in gang te kunnen zetten. De legerveldtochten onder leiding van Drusus vormden de eerste fase van een continue en militaire penetratie in de rechts van de Rijn gelegen gebieden. Deze politiek werd op 1 januari van het jaar 7 v.Chr. afgesloten met een triomftocht in Rome voor Tiberius.

Totdat hij in 6 v.Chr. om dynastieke redenen in Rhodos in zelf opgelegde ballingschap ging, zette Tiberius, die in de jaren daarvoor Pannonia had veroverd, na diens dood de politiek van zijn broer voort. Verdere successen in de pacificatie van het gebied tussen Rijn en Elbe bewerkten Lucius Domitius Ahenobarbus en Tiberius, nadat hij in 4 n.Chr uit ballingschap was teruggekeerd. Als een bedreiging zagen de Romeinen de Marcomanni onder hun leider Maroboduus. Zij hadden zich ten tijde van Drusus onder druk van de Romeinen teruggetrokken in het gebied dat tegenwoordig Bohemen heet. In het jaar 4 n.Chr viel onder Tiberius een Romeins leger het Germaanse gebied pal ten oosten van de Rijn binnen en onderwierp de Cananefaten, Chattuarii en de Bructeren. Hij voerde zijn leger tot aan de Weser. Voor het jaar 6 n.Chr. stond een grote aanval tegen Maroboduus gepland. Hieraan zouden maar liefst twaalf legioenen onder leiding van Tiberius en Gaius Sentius Saturninus meedoen. De grote Illyrische opstand (6-9 n.Chr), die tegelijkertijd in Pannonia en Dalmatia was uitgebroken, noopte echter tot een verandering in de plannen. De meeste van de twaalf legioenen werden ingezet om deze opstand te bestrijden.

Publius Quinctilius Varus[bewerken]

In 7 na Christus werd Publius Quinctilius Varus tot proconsul (gouverneur) en legatus pro praetore van Germania benoemd, en tot de nieuwe Romeinse bevelhebber over minstens drie legioenen en hulptroepen aan de Rijn (het leger van Germania Inferior). Hij was een persoonlijke vriend van keizer Augustus. Eerder had Varus een gelijkaardige functie bekleed in Syrië, dat hij volgens de Romeinse geschiedschrijver Marcus Velleius Paterculus door zijn bewind arm maakte. Hij omschreef Varus als een hebzuchtig tiran, beïnvloedbaar en traag van lichaam en geest. Paterculus was ten tijde van de slag bij het Teutoburgerwoud een Romeins cavalerie-officier die vele deelnemers aan de slag persoonlijk kende, waaronder Varus. Waarschijnlijk nam hij met Arminius deel aan de Romeinse veldtochten in de Balkan. Toen Varus zijn ambt in Germania opnam was het gebied al grotendeels onder Romeins gezag. Talrijke Germaanse soldaten maakten deel uit van de hulptroepen van het Romeinse leger en de Germaanse burgers werden gedwongen hun cultuur en hun zeden en gewoonten te verruilen voor het Romeins burgerrecht (civitas Romana), en moesten zich voorbereiden op een leven in nog te bouwen steden naar Romeins voorbeeld. Keizer Augustus was van plan om Germania uit te bouwen en te organiseren als een nieuwe Romeinse provincia en de Elbe tot rijksgrens te maken. Maar van vreedzaam samenleven was niet lang sprake, want er kwam een abrupt einde aan. Volgens sommigen door de latente barbaarsheid en de onbetrouwbare inborst van het Germaanse volk, volgens anderen echter door het gebrek aan tact en respect van Varus, en door zijn hebzucht. De meeste bronnen vermelden dat hij veel te haastig en te doortastend de romanisering wilde doorvoeren. Germaanse stammen vervielen in armoede omdat er hoge belastingen opgelegd werden, en door de invoering van het Romeinse recht werden er talloze uitspraken gedaan en beslissingen genomen die tegen het traditionele eergevoel van de Germaan indruiste. In de hulptroepen van het Romeinse leger diende een vooraanstaande Germaanse aanvoerder en edelman die het vertrouwen van Varus genoot, maar die achter de schermen de aanzwellende gevoelens van opstand van zijn landgenoten kanaliseerde tot een coalitie van Germaanse stammen : Arminius.

Arminius[bewerken]

Hij werd rond het jaar 18 of 17 v.Chr. geboren in de stam van de Cherusci en was een zoon van een van de leidende Cheruskische stamhoofden, Sigimer of Segimer. Met zijn jongere broer Flavus nam hij dienst in de hulptroepen van het Romeinse leger, meer bepaald de cavalerie. Arminius[7] klom op tot bevelhebber van een ruitereenheid. Hij verwierf het Romeins burgerrecht en maakte zelfs deel uit van de Romeinse ridderstand, de Equites. Ook zijn broer Flavus bekwam het Romeins burgerrecht. Hij maakte eveneens deel uit van de Equites en bleef in tegenstelling tot Arminius trouw aan de Romeinen. Hij bevocht onder het bevel van Nero Claudius Germanicus zijn broer in de open veldslag bij Idistaviso (de slag bij de Weser) in 16 n.Chr. in het leger van keizer Tiberius Iulius Caesar Augustus, waarbij de Germanen zeer zware verliezen leden. In 7 n.Chr. keerde Arminius terug naar Germania waar hij deel uitmaakte van de militaire staf van provinciegouverneur Publius Quinctilius Varus. Hij leek een trouwe Romeinse officier, maar zijn Germaanse roots en gevoelens moeten geraakt zijn door de rampzalige gevolgen van de hoge belastingen die Varus de Germanen oplegde en door de neerbuigende en arrogante houding van de Romeinen jegens zijn landgenoten. Hij begon met de voorbereidingen van een opstand met het doel een eigen koninkrijk te kunnen stichten en legde in het geheim contacten met de aanvoerders van verschillende belangrijke stammen. Buiten zijn eigen stam, de Cherusci, waren dat de Chatti, de Chauci, de Bructeri, de Sicambri, de Marsi en de Angrivarii.

Veldslag[bewerken]

Reconstructie van de Germaanse wal

De bij de slag bij het Teutoburgerwoud betrokken legioenen van Varus - het XVIIe, XVIIIe en XIXe, zes cohorten hulptroepen en drie alae cavalerie - ongeveer 18.000 man in het totaal, waren op de terugreis naar hun winterkampen in Xanten, Anreppen en Haltern, toen ze op de derde dag van de veldslag in een door Arminius voorbereide hinderlaag liepen. Voor deze hinderlaag werd door de Germanen tussen twee stromen een van oost naar west lopende, minstens zevenhonderd meter lange zigzaggende wal aangelegd volgens de topografie van de flessenhals tussen de honderd meter hoge Kalkrieseheuvel en het großes Moor (groot moeras) waardoor de Romeinse colonnes als het ware door een 'fuik' gejaagd werden waar de legionairs te weinig bewegingsruimte hadden om hun gebruikelijke gevechtstechnieken te kunnen inzetten, waaruit ze niet konden ontsnappen en vooral in de flanken belaagd werden. Deze wal werd ontdekt op de archeologische site van Oberesch waar sinds 1989 de meeste opgravingen plaatsvonden. Maar Oberesch is niet de enige locatie waar gevechten plaats vonden. Bewijzen van gevechten werden op verschillende locaties tussen Kalkrieseheuvel en het moeras Großes Moor gevonden. De locatie van de hinderlaag was strategisch bepaald, zodanig dat de meest nabije Romeinse legerkampen, zoals Haltern, op 70 tot 100 km lagen. Deze grote afstand op het moment van de zwaarste aanvallen, die uiteindelijk op de derde dag van de veldslag tot de totale vernietiging van de drie legioenen leidde, wordt vermeld in het tweede hoofdstuk van 'Romeinse geschiedenis' van Lucius Cassius Dio - de enige geschiedschrijver die veel van de veldslag zelf beschreef - en is een belangrijk historisch argument ter ondersteuning van Kalkriese als de locatie van de veldslag. Toen op de derde dag van het gevecht de Romeinse ondergang onafwendbaar bleek, pleegde Varus zelfmoord. Slechts enige tientallen Romeinen slaagden erin aan de vijand te ontsnappen en de Romeinse legerplaatsen aan de Rijn te bereiken.

Volgens een Romeinse overlevering, vermeld door Suetonius, was keizer Augustus zo ontzet door de uitkomst van de slag dat hij zijn baard en haren maanden liet groeien als een teken van rouw en regelmatig uitriep: "Quinctili Vare, redde legiones!" ("Quinctilius Varus, geef me mijn legioenen terug!"). Ook zou hij de dag van de nederlaag voor enkele jaren tot een dag van rouw hebben uitgeroepen.

Verloop van de veldslag[bewerken]

De achtergrond en gebeurtenissen van de slag bij het Teutoburgerwoud worden in meerdere Romeinse historische bronnen beschreven (Ovidius, Marcus Manilius, Strabo, Marcus Velleius Paterculus, Tacitus, Suetonius, Florus en Lucius Cassius Dio), maar er is geen consensus over de details ; de route van Varus' leger door het woud, het aantal dagen dat de slag duurde (drie of vier) en de verschillende gebeurtenissen in dit tijdbestek. Recent (2019) is er zelfs discussie ontstaan of de wal op de voet van Kalkrieseheuvel van Germaanse (de originele opvatting) of van Romeinse oorsprong is.

In de herfst van het jaar 9 na Christus begon Varus zijn legioenen van de Weser te verplaatsen naar de winterkwartieren langs de Rijn (de legerkampen van Xanten, Anreppen en Haltern). Arminius berichtte Varus van fictieve opstanden door verschillende stammen in het westen en raadde hem mogelijk aan zijn leger door het onbekende Teutoburgerwoud te sturen om sneller op de locatie van de 'opstanden' te zijn. Segestes, een Germaans edelman en een leider van de Cherusken had weet gekregen van de grootschalige samenzwering van Arminius en waarschuwde Varus. Omdat Varus deze waarschuwing als een uiting van een persoonlijke vete tussen beide Cherusken beschouwde en de tekenen van vriendschap jegens hem hem van de loyaliteit van de Germanen hadden overtuigd, sloeg hij de waarschuwing in de wind. Voordat het leger van Varus aan de door Arminius aanbevolen marsroute door het Teutoburgerwoud begon om ten strijde te trekken tegen de vermeende opstandelingen, verlieten Arminius en de andere Germaanse samenzweerders in de staf van Varus het legerkamp onder het voorwendsel onder de Germaanse stammen meer bondgenoten te verzamelen om de Romeinen zo snel mogelijk ter hulp te snellen. Varus liet hen in volle vertrouwen vertrekken.

Dag één[bewerken]

Varus leidde zijn troepen diep in Germaans territorium. Tijdens de mars was hij zich van geen gevaar bewust omdat hij door de gebieden van zijn Germaanse bondgenoten trok. De militiare colonnes vormden een langgerekte marsformatie met tussen de eenheden de karren van de bagagetrein en kampvolgers (vrouwen, kinderen en slaven). Varus verzuimde het om verkenners uit te sturen om hinderlagen te voorkomen. Bij het betreden van het Teutoburgerwoud brak een storm los met hevige regen, waardoor in combinatie met slechte wegen en ruw terrein de marskolonne tot vierentwintig km lengte uitgerekt werd.[8] Terwijl de Romeinen zich moeizaam een weg baanden door het woud, begonnen door Arminius verzamelde Germaanse krijgers met hit-and-run[9] aanvallen op de langgerekte colonnes. Zij waren gewapend met lichte zwaarden, grote lansen en met framea, korte speren met een smal blad. Er zullen ook wel boogschutters geweest zijn. Omdat de Germanen wisten dat de Romeinen door het beboste terrein hun superieure gevechtsformaties niet konden vormen zoals op open terrein, zorgden zij ervoor de overhand te krijgen op geïsoleerde groepen legionairs door een overwicht aan manschappen. Zo verloren de Romeinen de hele dag door manschappen, maar slaagden er toch in een versterkt noodkamp voor de nacht op te richten. Volgens Cassius Dio lieten de Romeinen de bagage die zij niet nodig hadden achter en/of staken het in brand.

Dag twee[bewerken]

De volgende ochtend leedden de Romeinen weer zware verliezen voordat zij open terrein bereikten. Varus moet zich gerealiseerd hebben dat hij verraden was door Arminius en dat een groot deel van de Germaanse cohorten hulptroepen ofwel gedeserteerd was, ofwel naar Arminius overgelopen. De overblijvende loyale cavalerie was waardeloos bij gevechten in wouden waardoor de flanken van de Romeinse colonnes niet konden beschermd worden en er geen efficiënte verkenning kon gebeuren. Vele hogere officieren waren gedood of gewond en Varus kan zelf ook gewond geweest zijn. Hij begon zijn overblijvende troepen richting het Romeinse kamp te Haltern te dirigeren dat op ongeveer honderd km naar het zuidwesten gelegen was, maar om Haltern te bereiken moesten de colonnes terug door bebost terrein. Na hevige regen waardoor de al moeilijk begaanbare wegen in modderpoelen herschapen werden en voortdurende aanvallen van Germaanse krijgers ondernamen de Romeinen 's nachts een poging om te ontsnappen uit een noodkamp, met als locatie het huidige Felsenfeld. Op de avond van de tweede dag waren er nog maar achtduizend legionairs gevechtsklaar en er waren vele gewonden.

Dag drie[bewerken]

De twee kampcommandanten van het XVIIe en het XVIIIe legioen, Ceionius en Lucius Eggius, vormden twee gevechtsgroepen van vierduizend man elk. Beide commandanten worden vernoemd door de Romeinse geschiedschrijver Marcus Velleius Paterculus. De ene groep bestond uit het XVIIe legioen en de resten van het XIXe legioen onder het bevel van Eggius en de andere uit het XVIIIe legioen en de resten van de hulptroepen onder het bevel van Ceionius. Na hun ontsnapping uit het kamp van Felsenfeld kwamen de opgejaagde troepen aan een smalle doorgang, op sommige punten niet breder dan honderd meter, tussen een beboste heuvel in het zuiden (Kalkrieseheuvel) en een ontoegankelijk moeras in het noorden (großes Moor). De Germanen hadden tussen Kalkrieseheuvel en het moeras op de noordelijke flank van de heuvel een minstens zevenhonderd meter lange zigzaggende wal aangelegd waarop zij de reeds uitgedunde Romeinse colonne opwachtten. De wal werd bemand door een leger dat nog niet veel was ingezet en dat uit ongeveer vijftienduizend Germaanse krijgers bestond afkomstig van de Bructeri, de Cherusci en de nieuw aangekomen Angrivarii uit het noorden.[2] Deze laatste stam stond bekend om haar felle onafhankelijkheidsgevoelens. Een andere groep Germaanse krijgers viel ten oosten van Oberesch vanuit het woud de achterhoede en de flanken van de Romeinse soldaten aan waarbij deze langzaam maar zeker in de richting van de hinderlaag, de zigzaggende wal met daar tegenover het moeras, gedreven werden. Aangekomen te Oberesch, waar de wal begon, werd de val rond de Romeinen gesloten. Omdat ze zich in een nauwe doorgang bevonden konden de zwaar geharnaste legionairs hun wapens niet efficiënt gebruiken, noch hun gebruikelijke gevechtsformaties vormen. Geen keuze hebbend ondernamen de Romeinen verschillende aanvallen op de wal, maar ze werden keer op keer teruggeslagen door onder meer een regen van speren die de Germanen vanop de wal op de legionairs wierpen, waardoor deze in paniek raakten. Hierdoor ontstond totale chaos in de bevelvoering van het desintegrerende leger. Toen het grootste deel van de twee gevechtsgroepen van Lucius Eggius en van Ceionius vernietigd was, stelde Ceionius de overgave van de rest van de troepen voor.

De legaat Numonius Vala, leider van de Romeinse elitecavalerie, vluchtte weg met zijn ruiters. Mogelijk had Varus hem gevraagd met de ongeveer driehonderd overgebleven ruiters hulp te halen bij twee andere legioenen, nl. het Iste en het Vde gelegerd ten westen van de Rijn te Moguntiacum (het hedendaagse Mainz) en onder het bevel van Lucius Nonius Asprenas, Varus' neef. Lucius Nonius Asprenas was een Romeins senator die in 9 n.Chr. in dienst was van Varus als consulair legaat in Germania. Vala kon ook de Frisii, Germaanse bondgenoten ten noorden van de Rijn, ter hulp roepen. Maar volgens Marcus Velleius Paterculus vertrok Vala met de bedoeling te deserteren. Hij reed naar het noorden maar zijn gedecimeerde en uitgeputte cavalerie werd snel tot de laatste man vernietigd door grotere eenheden Germaanse cavalerie van de voormalige hulptroepen van Varus die mogelijk door Arminius aangevoerd werden.

Beseffend dat ontsnappen onmogelijk was, pleegde Varus zelfmoord door zich volgens Romeins voorschrift op zijn zwaard te werpen, liever dan gevangen genomen te worden. De meeste van zijn hogere officieren, waaronder Ceionius, volgden zijn voorbeeld, waardoor de overgebleven spirit van het leger gebroken werd en de overgebleven manschappen uit elkaar vluchten. Hiervan maakten de Germanen gebruik door in grote aantallen van de wal af te dalen en zich op de legionairs te storten. De veldslag ontaardde in een moordpartij en de Romeinen werden praktisch tot de laatste man gedood, waaronder ook Lucius Eggius. Sommige legionairs begroeven hun kostbaarheden en probeerden te vluchten, maar werden afgeremd door de moeilijk toegankelijke bossen ten westen en ten noordwesten van Oberesch, werden ingehaald en uiteindelijk ook gedood. Overlevenden van de moordpartij vertelden gruwelijke verhalen : de ene hakten ze de handen af, de andere werd de ogen uitgestoken (uit : Bellum Germanicum van Lucius Annaeus Florus). Volgens de annalen van Publius Cornelius Tacitus werden vele officieren aan de oorlogsgoden geofferd volgens de inheemse religieuze ceremoniën van de Germanen. Sommigen zouden in potten gekookt zijn en hun beenderen werden gebruikt voor deze rituele ceremoniën. Voor andere officieren werd losgeld gevraagd, en enkele gewone soldaten zouden tot slaaf gemaakt zijn. Toen het lichaam van Varus door de Germanen gevonden werd, werd het in stukken gehakt. Het hoofd van Varus werd afgeleverd bij koning Maroboduus van de Marcomannen die het opstuurde naar keizer Augustus. Toen Augustus het hoofd ontving zou hij de historische woorden "Vare, legiones redde !" ("Varus, geef mijn legioenen terug !") uitgesproken hebben. De slag bij het Teutoburgerwoud zou nog heel lang nazinderen in de Romeinse samenleving.

Archeologische context[bewerken]

De Germaanse wal had een sleutelfunctie in de veldslag. De totale lengte bedroeg minstens zevenhonderd meter en het verliep zigzaggend op de flank van Kalkrieseheuvel. De breedte bedroeg ongeveer viereneenhalve meter, de hoogte bijna twee meter en op de top was een palisade van bijna anderhalve meter hoogte bestaande uit palen bijeengehouden door buigzame twijgen aangebracht om de Germaanse strijders op de wal tot op borsthoogte te beschermen tegen Romeinse projectielen en dergelijke. Van achter deze palisade konden formaties Germanen een regen van speren, pijlen en stenen op de legionairs laten neerkomen. De wal was opgebouwd met materiaal dat ter plaatse gevonden werd, zoals kalksteen, zand en turf, en de locale topografie werd efficiënt benut. In de wal waren doorgangen voorzien waardoor de Germanen snelle infanterie en cavalerie aanvallen op de Romeinen konden uitvoeren en zich snel konden terugtrekken indien nodig. Hierdoor, en in combinatie met de geringe ruimte tussen de wal en het moeras, werd elke poging om de typische Romeinse gevechtsformaties te vormen in de kiem gesmoord waardoor de legionairs in paniek raakten. Achter de wal was een afwateringsgeul gegraven om wegspoelen van de wal ten gevolge van hevige regen te voorkomen. Het was tijdens de gevechten uiteindelijk ingestort en bedekte een groot gebied met artefacten die meer inzicht verschaffen in de oorlogsverrichtingen tussen de legionairs en de Germaanse krijgers, zoals een groep legionairs die, omdat ze in de val zaten, de wal bestormden maar door de Germanen verpletterd werden en teruggedreven. Door het aanleggen van de wal hadden de Germanen de perfecte locatie voor hun hinderlaag gecreëerd. De Romeinen waren omsingeld door de moerassen in het noorden, de heuvelflank met de wal in het zuiden en door dicht beboste gebieden in het oosten en in het westen, waardoor de legionairs enkel in een smal gebied konden maneuvreren en hun typische gevechtsformaties niet konden gebruiken.

Het centrum van de gevechten was gelocaliseerd op Kalkrieseheuvel nabij de Germaanse wal (site Oberesch) omdat de meeste artefacten in het gebied nabij de wal gevonden werden (6.000 fragmenten van Romeinse uitrusting). Het opgravingsgebied in de omgeving van de heuvel, dus buiten het opgravingsgebied van de wal, heeft hetzelfde oppervlak als de site van Oberesch, maar er werd een beduidend kleiner aantal artefacten gevonden, slechts ongeveer 500. Daarom moeten op de derde dag de gevechten begonnen zijn ten oosten van Oberesch. Volgens Wilbers-Rost (2009, 2010, 2013) toont de geringere hoeveelheid artefacten gerelateerd aan de eerste fase van de gevechten van de derde dag aan dat de Romeinen, naar gewoonte, hun gekwetsten met hun volledige uitrusting en wapens nog konden meenemen,[10] wat er dan weer op wijst dat de legionairs zich in deze fase met succes verdedigden. Wanneer het gevecht in volle hevigheid was in het beperkte gebied nabij en in de flessenhals gevormd door onder meer de Germaanse wal begon de strikte organisatie van de Romeinse troepen af te brokkelen. Vanaf dit moment in de veldslag worden de archeologische vondsten meer en meer geconcentreerd door de aanwezigheid van vele legionairs opeengepakt in een klein gebied en gewonden en hun uitrusting die moesten achtergelaten worden. Naargelang de gevechten in hevigheid toenamen en het middelpunt van de gevechten nabij de Germaanse wal bereikt werd, neemt de concentratie aan artefacten toe. De verspreiding van de slagveldartefacten doorheen de flessenhals in Oberesch met de wal, en in de twaalf kilometer naar het oosten en het westen verschaft inzicht in de ontwikkeling van een défilé gevecht over een relatief nauw pad, waarbij langgerekte formaties troepen afwerende gevechten leveren tegen voornamelijk gecoördineerde aanvallen in de flanken, maar zonder duidelijke strategie. Het gevolg van dit défilé gevecht was de verspreiding van duizenden slachtoffers in clusters van uiteenlopende grootte tot enkelingen over een afstand van ongeveer twintig kilometer, vanaf de eerste aanvallen op de eerste dag van de veldslag tot en met het doden van de laatste legionair in het middelpunt van het gevecht langs de Germaanse wal te Oberesch op de derde en laatste dag. Volgens sommige onderzoekers duurde de slag niet drie, maar vier dagen.

Een andere reden voor de enorme concentratie van artefacten te Oberesch is het door de Germaanse krijgers plunderen van de lichamen van de gesneuvelde Romeinse soldaten. Hierdoor braken vele fragmenten los van het pantser van de legionairs, en van hun zwaarden en schilden, onder meer haken van de maliënkolders en sluitingen van de gelaagde plaatpantsers en van de lederen gordels en banden. Er werden resten van verschillende soorten Romeinse wapens gevonden, zoals lans,- speer- en pijlpunten, loden slingerkogels, fragmenten van pila (de typische Romeinse werpsperen) en bouten van katapulten (lange afstand artillerie). Fragmenten van scheden tonen het gebruik aan van korte afstand wapens zoals het typische Romeinse legionairszwaard, de gladius, en de pugio (dolk). Resten van defensieve wapens werden, zoals reeds vermeld, ook gevonden : fragmenten van helmornamenten, fittings[11] van pantserplaten en schilden, gespen en fittings van gelaagde plaatpantsers en haken van maliënkolders. Er werden ook metalen frames gevonden die rond de grote schilden van de legionairs zaten en er afgetrokken waren. Met het oog op transport waren ze opgevouwen om later te worden gesmolten. Een aannemelijke verklaring voor deze vondsten is dat onder meer deze frames als oorlogsbuit op stapels gelegd werden om te worden verdeeld onder de overwinnaars en dat sommige op de woeste bodem van het woud over het oog gezien en/of tijdens het transport verloren werden. Resten van ruitersporen en bitten wijzen op de betrokkenheid van cavalerie tijdens de veldslag. Verder bijvoorbeeld nog piketten om tenten op te zetten, nagels van de zolen van legionairssandalen, chirurgische instrumenten en een bijzonder gezichtsmasker afkomstig van de helm van een ruiter. Acht putten bevatten de beenderen en schedels van mannen tussen de twintig en vijfenveertig jaar, waarvan vele schedels grote impactgaten vertonen. Deze putten werden gegraven door de legionairs van Nero Claudius Germanicus, de Romeinse veldheer die in 15 n.Chr. tijdens strafexpedities de plaats van de veldslag bezocht en de zes jaar eerder gesneuvelde legionairs van Varus begroef. Tot nu toe werden nog geen artefacten gevonden met de inscriptie van het XVIIe, XVIIIe of XIXe legioen, bv. op een fragment van een helm, op een genaammerkte bout van een artilleriestuk (een katapult) of op één of andere plaque. Hierdoor zijn sommige historici nog sceptisch over Kalkriese als de exacte locatie van de slag in het Teutoburgerwoud. De artefacten zouden volgens hen ook van een later gevecht afkomstig kunnen zijn. Maar de indirecte bewijzen in het voordeel van Kalkriese hebben zich in de loop van de jaren opgestapeld.

Ten westen en noordwesten van de site Oberesch worden minder Romeinse vondsten gedaan, maar de waarde ervan is veel hoger dan elders. Vluchtende legionairs verborgen hun kostbaarheden, zoals onder meer munten, door ze haastig te begraven. Geen enkele van de honderden tot nu toe gevonden munten, waaronder een cluster (Engels : hoard) van tweehonderd zilveren munten gevonden begin 2017, werd geslagen na 9 n.Chr. Dit wordt als één van de belangrijkste aanwijzingen beschouwd dat Kalkriese wel degelijk de locatie is waar de veldslag plaatsvond. Toen de Germaanse krijgers uiteindelijk de vluchtenden inhaalden en doodden, bleven hun kostbaarheden tijdens het plunderen van de lichamen onopgemerkt. Aspecten van de Germaanse zijde van de veldslag zijn moeilijker af te leiden uit zowel het archeologisch materiaal als de geschreven bronnen. Slechts één artefact is Germaans : een fragment van een ruiterspoor. Dit impliceert weinig Germaanse verliezen, maar de Germanen verwijderden meer dan waarschijnlijk de lichamen van hun gesneuvelden om ze tezamen met hun wapens te begraven. Vele duizenden Germaanse soldaten uit de hulptroepen van de legioenen van Varus waren gedeserteerd en droegen Romeinse pantsers, zodat deze in de archeologische context 'Romeins' overkomen. Germaanse krijgers droegen vergankelijk materiaal, zoals leder, en weinig metaal. Dit alles resulteert in schaarsheid in de totale archeologische context. Alle geschreven bronnen vertellen vanuit een Romeins perspectief zodat er geen aanwijzingen zijn over het Germaanse standpunt met betrekking tot de slag. Maar er kunnen wel algemene gevolgtrekkingen gemaakt worden uit de archeologische context. De aanwezigheid van de omvangrijke Germaanse wal, die sterk op een Romeinse wal leek, wijst op gemeenschappelijke leiders. De wal kon niet gebouwd worden zonder dat enkele leidinggevenden de bouw ervan, die twee tot drie weken moet geduurd hebben, door verschillende Germaanse stammen organiseerden. De locatie van de hinderlaag was zorgvuldig uitgekozen en voorbereid voor de aankomst van de opgejaagde Romeinse legercolonne, wat erop zou kunnen wijzen dat de Germanen die het hele project leidden hadden gediend in de hulptroepen van het Romeinse leger en dus hun ervaring nu uitspeelden tegen hun vroegere bondgenoten.

Een Germaanse of een Romeinse wal ?[bewerken]

Recent archeologisch onderzoek van de site te Oberesch onder leiding van professor Salvatore Ortisi, een specialist op het gebied van provinciale Romeinse archeologie aan de Universiteit van München, heeft erop gewezen dat de wal op de noordelijke flank van Kalkrieseheuvel Romeins in plaats van Germaans zou kunnen zijn.[12]

In 2016 vond men een zandlaag met fragmenten van verkoold hout dat niet van het Teutoburgerwoud afkomstig is. Dit lanceerde een theorie dat de Romeinen in de finale momenten van de veldslag onder druk van een overmacht aan Germaanse krijgers haastig een versterkt noodkamp oprichtten. De houtfragmenten werden op de eerste eeuw v.Chr. gedateerd. Volgens Ortisi zou deze ontdekking de originele vaststelling dat de wal Germaans is op losse schroeven zetten en wijzen op een Romeins kamp dat door de Germaanse krijgers onder de voet werd gelopen. Dit zou volgens hem passen in de ons bekende historische geschiedschrijving van de slag bij het Teutoburgerwoud. In de namiddag of avond van de laatste dag van de veldslag wierpen de Romeinen onder toenemende Germaanse druk in allerijl een noodkamp op dat echter door de Germanen ingenomen werd en waardoor de overblijvende legionairs door de noordelijke moerassen probeerden te vluchten. Opgravingen van het terrein achter de palisade had een grote concentratie Romeinse artefacten opgeleverd, waarvan men aanvankelijk dacht dat het de resten zijn van een verzamelplaats van oorlogsbuit vergaard door Germaanse krijgers. Maar volgens Ortisi wijzen deze artefacten op de verdediging van een Romeins kamp, waarbij hij zich dus baseert op de associatie van deze artefacten met de gevonden houtfragmenten in de zandlaag. Een ernstige tegenwerping tegen Ortisi's theorie is dat de reconstructie van een versterkt kamp tijdens een gevecht dat meerdere dagen in beslag neemt (zoals de slag bij het Teutoburgerwoud) enkel mogelijk is op de eerste en/of op de tweede dag van de veldslag. Het is bekend dat het Romeinse leger in de legertros ook hout in karren meevoerden als aanvulling op hout dat zij in de omgeving vonden. De aanhoudende druk van aanvallen met dus tijdsgebrek als gevolg maakt het moeilijk, zoniet onmogelijk voldoende hout uit een versterkt kamp terug mee te voeren als aanvulling om er eventueel een volgend kamp mee op te richten. Hoe langer de Romeinse colonne onder druk stond, hoe meer materiaal achtergelaten moest worden.

In 15 n.Chr. bezocht Germanicus het slagveld tijdens zijn strafexpedities tegen de Germanen. Indien de theorie dat de wal Romeins is stand houdt, is het meer plausibel dat ze gebouwd werd door de troepen van Germanicus.

Plaats van de strijd[bewerken]

De plek waar de veldslag zich afspeelde was bijna 2000 jaar niet bekend. De belangrijkste aanwijzing voor de locatie was een toespeling op de Saltus Teutoburgiensis in sectie i.60-62 van Tacitus zijn Annalen, een gebied "niet ver" van het land tussen de bovenlopen van de Lippe en de Eems in het midden van Westfalen. Het gebrek aan geografische nauwkeurigheid bij Tacitus en de rekbaarheid van de Latijnse taal maakten het moeilijk de plaats van de slag te lokaliseren. Zo kan 'saltus' betekenen : woudgebergte, begroeid dal, bergpas en zelfs hachelijke positie.[13]

Gedurende de 19e eeuw deden vele theorieën over de werkelijke locatie van de slag de ronde. Een theorie pleitte met succes voor een lange beboste heuvelrug, de Osning, in de nabijheid van Bielefeld. Deze heuvelrug werd vervolgens omgedoopt tot het Teutoburgerwoud en werd de plaats waar het monument voor Hermann (het Hermannsdenkmal) werd opgericht.

De Duitse historicus Theodor Mommsen vermoedde in 1885, op grond van muntvondsten dat de slag in de buurt van Kalkriese had plaatsgevonden. Deze stelling kwam hem destijds op veel kritiek te staan, maar al in 1789 schreef Johann Eberhart Stüve in zijn geschiedenis van de stad Osnabrück dat de plaats van de veldslag in de buurt van deze stad moet hebben gelegen. Hij baseerde zich hierbij eveneens op zogenoemde Gaius-Lucius munten uit de verzameling van Heinrich Sigismund von Bar.

Het onderzoek en de opgravingen die in Kalkriese (52° 26′ 29″ NB, 8° 8′ 26″ OL) vanaf begin jaren negentig hebben plaatsgevonden, werden in gang gezet door de ontdekkingen vanaf einde jaren tachtig door de Britse amateurarcheoloog Majoor Tony Clunn van Romeinse munten uit de regeerperiode van Augustus (en geen enkele munt uit latere periodes) en enkele ovaalvormige loden slingerkogels. Clunn was met zijn metaaldetector aan het zoeken in de hoop een paar Romeinse munten te vinden.[14] De opgravingen brachten al snel resten van wapens en uitrusting aan het licht. Ook werd een helm-masker van een Romeinse officier gevonden, vond men putten gevuld met beenderen en overblijfselen van de Germaanse versterkingen. Als gevolg hiervan wordt Kalkriese nu gezien als de plaats waar een deel van de slag, waarschijnlijk de beslissende fase, zich heeft afgespeeld. Kalkriese is een dorp, dat administratief deel uitmaakt van de stad Bramsche. Het ligt ten noorden van Osnabrück aan de uitlopers van de noordhelling van het Wiehengebergte, een kam-achtige heuvelrug in de Duitse deelstaat Nedersaksen.

Kalkriese ligt ongeveer 60 kilometer ten noordwesten van het Hermannsdenkmal, de plaats waar men in de negentiende eeuw dacht dat de slag bij het Teutoburgerveld had plaatsgevonden.

Romeinse vergelding[bewerken]

Germanicus' campagne in het jaar 14 n.Chr.[bewerken]

Hoewel de schok van de Romeinse nederlaag enorm was, begonnen de Romeinen onmiddellijk met een langzame, systematische voorbereiding voor de herovering van het land. In 14 n.Chr., vlak na de dood van Augustus en de troonsbestijging van zijn erfgenaam en stiefzoon Tiberius, werd een massale inval uitgevoerd door de neef van de nieuwe keizer, de vooraanstaande veldheer Nero Claudius Germanicus. Hij voerde een verrassingsaanval op de Marsi uit. De Bructeri, Tubanti en Usipeti schoten deze stam te hulp en legden een hinderlaag voor Germanicus' troepen, toen deze op weg waren naar hun winterkwartieren; deze coalitie van Germaanse stammen werd echter verslagen. Hierbij leden de Germanen zware verliezen.[15][16]

Campagnes in het jaar 15 n.Chr[bewerken]

Het volgende jaar werd gekenmerkt door twee grote campagnes en een aantal kleinere gevechten. De Romeinen beschikten nu over een groot leger van naar schatting 55.000-70.000 man. Dit leger werd gesteund door zeestrijdkrachten. In het voorjaar van 15 n.Chr. viel de legatus Augusta pro praetore Aulus Caecina Severus de Marsi voor een tweede keer aan. Hij had een troepenmacht van ongeveer 25.000-30.000 mannen tot zijn beschikking. Hiermee veroorzaakte hij opnieuw een grote ravage in het land van de Marsen. Ondertussen hadden Germanicus' troepen een fort gebouwd op de berg Taunus. Vandaar trok hij met ongeveer 30.000-35.000 legionairs op tegen de Chatti. Veel van de Germanen vluchtten over een rivier en verspreidden zich in de bossen. Germanicus marcheerde nu op naar Mattium, de oude 'hoofdstad' of hoofdnederzetting (Latijn : caput gentis) van de Chatti. Volgens de beschrijving in de annalen van Publius Cornelius Tacitus lag Mattium in de ruimere omgeving van de huidige stad Fritzlar in de deelstaat Hessen. Weer volgens Tacitus brandde Germanicus Mattium af onmiddellijk nadat zijn leger de rivier de Eder overgestoken was.[17][18]

Na aanvankelijke succesvolle schermutselingen in de zomer van 15 n.Chr., met inbegrip van de gevangenneming van Arminius' vrouw Thusnelda, stuurde Germanicus als onderdeel van de strafexpedities ook een legeronderdeel onder het bevel van Caecina naar de Bructeri die medeverantwoordelijk waren voor het uitmoorden van de Varuslegioenen. Volgens Tacitus vond de legionair Lucius Stertinius de adelaar (het veldteken) van legio XIX (het XIXe legioen) terug die zes jaar eerder door de Bructeri tijdens de slag bij het Teutoburgerwoud veroverd werd. Toen het Romeinse leger het woongebied van de Bructeri plunderde, naderden de troepen het gebied van de veldslag van 9 n.Chr. Zij passeerden eerst de resten van het legerkamp van waaruit Varus in 9 n.Chr. (waarschijnlijk in de maand september) richting het Teutoburgerwoud vertrokken was. De afmetingen van dit kamp kwamen overeen met de omvang van drie legioenen, minstens 18.000 manschappen (inclusief vier cohorten of ongeveer tweeduizend man hulptroepen). Verderop vonden Germanicus' troepen duizenden beenderen van de gesneuvelde legionairs van Varus op de plaats waar zij gesneuveld waren, in clusters of afzonderlijk. Het was bekend dat de Germanen de stoffelijke overschotten van de gesneuvelde Romeinen onbegraven in de open lucht hadden achtergelaten. Tussen de skeletten lagen delen van wapens en paardentuig. Tegen de bomen waren ingeslagen schedels vastgespijkerd en ooggetuigen (veteranen en voormalige krijgsgevangenen) die de veldslag hadden meegemaakt wezen de open plaatsen in het bos aan waar de Germanen altaren hadden opgericht waarop de hoge officieren en de centurio's gemarteld en gedood werden, de plaatsen waar soldaten waren opgehangen, de adelaars waren buitgemaakt en andere veldtekens waren vertrapt, en ook de plaats waar Varus zelfmoord pleegde. Germanicus' legionairs verzamelden de beenderen van hun gesneuvelde en vermoorde collega's die na een rituele begrafenis met een grafheuvel bedekt werden. Germanicus betuigde de gesneuvelden militaire eer en deelde in het verdriet en de woede van zijn soldaten. Tacitus schreef : "... zij zagen allen als verwanten en als van hun eigen bloed ...".

Strijd in 16 n.Chr.[bewerken]

In 16 n.Chr. trokken de Romeinen onder leiding van Germanicus samen met geallieerde Germaanse hulptroepen, weer op in Germania superior. In de buurt van het moderne Minden trokken zij de Weser over. Daarbij leden de Romeinen lichte verliezen. Germanicus wist de Germanen tot een open veldslag bij Idistaviso (de slag bij de Weser) te dwingen. Germanicus' legioenen brachten in deze slag enorme verliezen toe aan de geallieerde Germaanse legers. Zelf leden zij slechts lichte verliezen. Een laatste slag werd uitgevochten bij de Angrivarische muur ten westen van het moderne Hannover. Het patroon van hoge aantallen Germaanse dodelijke slachtoffers herhaalde zich ook hier. De overlevende Germanen sloegen op de vlucht. In de zomer van 16 n.Chr. trok Caius Silius tegen de Chatten op met 33.000 mannen. Germanicus ten slotte viel de Marsi voor een derde keer aan en verwoestte hun land voor de derde keer.[19] Tijdens deze campagne werd de adelaar van het XVIIe of het XVIIIe legioen teruggevonden.

Invloed op de Romeinse expansie[bewerken]

De 19e-eeuwse Britse historicus Edward Creasy rekende het verlies van de Romeinse legioenen onder zijn vijftien meest beslissende veldslagen in de wereld. Hij stond daarbij in een zekere traditie. Vanaf het moment van de herontdekking van de Romeinse bronnen in de 15e eeuw, werd de slag bij het Teutoburgerwoud als een cruciale veldslag gezien, die een einde had gemaakt aan de Romeinse expansie in Noord-Europa. Deze gedachte werd vooral in de 19e eeuw dominant. Daar vormde deze notie een integraal onderdeel van de mythologie van het Duitse nationalisme.

Meer recent hebben sommige wetenschappers deze interpretatie ter discussie gesteld. Zij hebben op diverse redenen gewezen waarom de Rijn een veel praktischere grens voor het Romeinse Rijk zou hebben gevormd dan enige andere rivier in Germania.[20] Logistiek konden aan de Rijn gelegerde legioenen vanuit het Middellandse Zee-gebied worden bevoorraad via de Rhône, Saône en Moezel, met een slechts korte route van enkele tientallen kilometers over land. Een aan de Elbe gelegerd Romeins leger zou daarentegen door een veel te lange route over land of over de toen nog zeer gevaarlijke zuidelijke Noordzee bevoorraad moeten worden. Ook was het Rijngebied op het moment van de Gallische verovering economisch gezien al zo ontwikkeld dat er steden en grote dorpen aan gelegen waren. Noord-Germania was daarentegen veel minder ontwikkeld; er waren minder dorpen en ook bestond er geen noemenswaardig voedselsurplus. De Rijn was dus vanuit Romeins perspectief een significant betere optie, want veel beter in staat om omvangrijke garnizoenen logistiek te ondersteunen dan andere Germaanse regio's ten noordoosten ervan. Het waren dus vooral praktische redenen om na de expansie in 47 n.Chr. nu definitief terug te vallen op de Rijngrens. (zie Limes).

Romeinse bronnen[bewerken]

Cenotaaf voor Marcus Caelius, centurio van het 18e legioen uit Bononia van de tribus Lemonia, 53 jaar, die viel in de bello variano, lange tijd het enige archeologisch bewijs voor de veldslag[21]

Onderstaande lijst geeft alle bekende verwijzingen naar de strijd in de literaire bronnen uit de klassieke oudheid. Hoewel de beschrijving in Dio Cassius' Romeinse geschiedenis het meest gedetailleerd is, werd dit werk bijna twee eeuwen na de gebeurtenis geschreven en wijzen sommige nieuwe details, die niet vermeld worden door eerdere auteurs, er zeer waarschijnlijk op dat zijn werk eerder als een literaire bewerking van de gebeurtenissen moet worden gezien, dan als een echt betrouwbare historische beschrijving.

Literatuur[bewerken]

  • Murdoch, A., 2008. Rome's Greatest Defeat: Massacre in the Teutoburg Forest. Sutton Series. History Press (reprint). ISBN 0750940166, 9780750940160. 234 pp.
  • Clunn,T., 2009. Quest For The Lost Roman Legions : Discovering The Varus Battlefield. Savas Beatie, New York and California (eds.), 978-1-932714-08-1, 414 pp.
  • Moosbauer, G.S., Wilbers-Rost, 2009. Kalkriese und die Varusschlacht, Multidisziplinäre Forschungen zu einem militärischer Konflikt, in S. Burmeister/H. Derks (eds.), 2000 Jahre Varusschlacht Konflikt, p.56-67.
  • Rost, A.S., Wilbers-Rost, 2010. Weapons at the battlefield of Kalkriese, Gladius XXX, p.118-135.
  • Rost, A.S. Wilbers-Rost, 2013. Conflict landscape, Denkmalpflege in Niedersachsen, 33, p.148-150.

Externe links[bewerken]

Romeinse oorlogen

Oorlogen van de Romeinse Republiek · Romeins-Etruskische Oorlogen · Romeins-Aequische Oorlogen · Latijnse Oorlog · Romeins-Hernicische Oorlogen · Romeins-Volscische Oorlogen · Samnitische oorlogen · Pyrrhische Oorlog · Punische oorlogen (Eerste, Tweede, Derde) · Illyrische Oorlogen (Eerste, Tweede, Derde) · Macedonische Oorlogen (Eerste, Tweede, Derde, Vierde) · Romeins-Seleucidische Oorlog · Aetolische Oorlog · Galatische Oorlog · Romeinse Verovering van Hispania (Eerste Celtiberische Oorlog, Lusitanische Oorlog, Numantische Oorlog, Sertorische Oorlog, Cantabrische Oorlogen) · Achaeïsche Oorlog · Oorlog tegen Jugurtha · Cimbrische Oorlog · Servilische Oorlogen (Eerste, Tweede, Derde) · Bondgenotenoorlog · Sulla's Burgeroorlogen (Eerste, Tweede) · Mithridatische oorlogen (Eerste, Tweede, Derde) · Gallische Oorlog · Romeinse expedities naar Britannia · Burgeroorlog tussen Pompeius en Caesar · Einde van de Republiek (Slag bij Mutina, Burgeroorlog tegen Brutus en Cassius, Siciliaanse Opstand, Perusiaanse Oorlog, Burgeroorlog tussen Antonius en Octavianus)

Oorlogen van het Romeinse Keizerrijk · Germaanse Oorlogen (Teutoburgerwoud, Marcomannenoorlog, Alemannische Oorlogen, Gotische Oorlog, Visigotische Oorlogen) · Romeinse verovering van Britannia · Boudicca · Armenische Oorlog · Vierkeizerjaar · Joodse Oorlog · Dacische Oorlogen · Romeins-Parthische oorlog · Romeins-Perzische oorlogen · Burgeroorlogen van de derde eeuw · Val van het West-Romeinse Rijk