Naar inhoud springen

Lodewijk XV van Frankrijk

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Lodewijk XV
1710-1774
Portret van Lodewijk XV door Hyacinthe Rigaud (1730)
Portret van Lodewijk XV door Hyacinthe Rigaud (1730)
Koning van Frankrijk en Navarra
Periode 1715-1774
Voorganger Lodewijk XIV
Opvolger Lodewijk XVI
Dauphin van Frankrijk
8 maart 1712 - 1 september 1715
Voorganger Lodewijk van Frankrijk
Opvolger Lodewijk Ferdinand van Frankrijk
Familie
Geboren 15 februari 1710
Kasteel van Versailles,
Koninkrijk Frankrijk
Overleden 10 mei 1774 (64)
Kasteel van Versailles,
Koninkrijk Frankrijk
Vader Lodewijk
Moeder Maria Adelheid van Savoye
Dynastie Huis Bourbon
Broers/zussen Lodewijk (1704-1705)
Lodewijk (1707-1712)
Partner Maria Leszczyńska
Kinderen Louise Elisabeth,
Henriëtte Anne,
Marie Louise,
Lodewijk Ferdinand,
Philippe Lodewijk,
Marie Adélaïde,
Victoire Louise,
Sophie Philippine,
Thérèse Félicia,
Louise Marie

Lodewijk XV (Versailles, 15 februari 1710 — aldaar, 10 mei 1774) regeerde als koning van Frankrijk en van Navarra van 1 september 1715 tot zijn dood. Hij besteeg de troon toen hij vijf jaar was en stond tot zijn meerderjarigheid in 1723 onder regentschap van zijn oudoom, Filips van Orléans. André Hercule de Fleury was zijn belangrijkste minister van 1726 tot diens dood in 1743, waarna de koning zelf de leiding over de Franse staat nam.[1] Lodewijk XV was een lid van het huis Bourbon en de achterkleinzoon van Lodewijk XIV.

Lodewijk genoot aan het begin van zijn regering een gunstige reputatie en kreeg in 1744 de bijnaam "le Bien-Aimé" ("de Geliefde").[2] Na verloop van tijd maakten de losbandigheid van zijn hof, de teruggave van de veroverde Oostenrijkse Nederlanden (die hij had verkregen na de Slag bij Fontenoy) bij de Vrede van Aken en de overdracht van Nieuw-Frankrijk aan het koninkrijk Groot-Brittannië aan het einde van de Zevenjarige Oorlog van Lodewijk een van de impopulairste koningen in de geschiedenis van Frankrijk. Hij werd opgevolgd door zijn kleinzoon Lodewijk XVI.

Het onvermogen van Lodewijk XV om de oplopende staatsuitgaven fiscaal te dekken beschadigde de militaire macht van Frankrijk, verzwakte de schatkist en bracht de monarchie in diskrediet. Het droeg bij aan het verval van het koninklijk gezag dat uitmondde in de Franse Revolutie, die vijftien jaar na zijn dood uitbrak.[1][3]

Jeugd (1710-1715)

[bewerken | brontekst bewerken]
Lodewijk XV in kroningsgewaad, door Hyacinthe Rigaud (1715)

Lodewijk XV, in zijn jongere jaren bekend als Lodewijk, hertog van Anjou, was de derde zoon van Lodewijk van Frankrijk, hertog van Bourgondië, en Maria Adelheid van Savoye. Hij had twee oudere broers, die allebei Lodewijk heetten: de eerste leefde van 1704 tot 1705, de tweede, Lodewijk, van 1707 tot 1712. Hij werd op 15 februari 1710 geboren in het Kasteel van Versailles, toen zijn overgrootvader Lodewijk XIV nog altijd koning was.[1] De toenmalige troonopvolger was de enige zoon van Lodewijk XIV: Lodewijk, le Grand Dauphin, die drie zonen had: Lodewijks vader (de oudste zoon), Filips, hertog van Anjou (sinds 1700 koning van Spanje), en Karel, hertog van Berry. Zijn moeder, Maria Adelheid, was een levendige vrouw die de koning dierbaar was, en het jonge paar was erg verliefd (wat ongewoon was in de toenmalige adelcultuur en al helemaal aan het hof van Versailles). Maria Adelheid verjongde het hof van de oude koning en stond in het middelpunt van de belangstelling in Versailles.

Lodewijk XV op vierjarige leeftijd, door Pierre Gobert (1714)

Lodewijks grootouders aan vaderskant waren Lodewijk, le Grand Dauphin, en de in 1690 overleden prinses Maria Anna Victoria van Beieren. Zijn grootouders aan moederskant waren koning Victor Amadeus II van Sardinië en koningin Anne Marie van Orléans. Lodewijks grootvader stierf op 14 april 1711, waardoor zijn vader de nieuwe dauphin werd, beter bekend als le Petit Dauphin. In 1712 trof een zware mazelenepidemie de koninklijke familie: Lodewijk verloor eerst zijn moeder op 12 februari, daarna zijn vader op 18 februari en ten slotte zijn oudere broer Lodewijk op 8 maart.[1][4] Daarmee werd de tweejarige Lodewijk de nieuwe dauphin. Zijn eigen leven werd waarschijnlijk gered door zijn gouvernante, madame de Ventadour, die hem beschermde tegen de aderlatingen die de koninklijke artsen hem wilden toedienen.[4] Op 1 september 1715 stierf de Zonnekoning op 76-jarige leeftijd en zo werd de vijfjarige Lodewijk koning van Frankrijk.[1] Omdat hij al op zo jonge leeftijd koning werd, zijn er van hem talrijke staatsieportretten uit zijn kinderjaren gemaakt en bewaard.

Regentschap en huwelijk (1715-1726)

[bewerken | brontekst bewerken]
Lodewijk XV in 1719, door Jean Ranc

Tot 1723 stond Lodewijk onder het regentschap van Filips van Orléans, een neef van koning Lodewijk XIV. Het Parlement van Parijs liet op 2 september 1715 het testament van Lodewijk XIV ongeldig verklaren en gaf de regent volledige macht; in ruil daarvoor kreeg het Parlement zijn recht van remontrance (het recht om bezwaar te maken tegen koninklijke wetgeving) terug.[2] De opvoeding van de jonge koning werd geleid door zijn gouverneur, maarschalk de Villeroy, en zijn preceptor, de latere kardinaal de Fleury; zij wekte zijn belangstelling voor de exacte wetenschappen, plantkunde, geneeskunde, sterrenkunde, aardrijkskunde en geschiedenis.[3]

In 1721 werd Lodewijk verloofd met zijn nicht, de Spaanse infante Marianne Victoria van Bourbon, dochter van koning Filips V van Spanje en diens tweede echtgenote koningin Elisabetta. De hertog van Saint-Simon had als buitengewoon gezant in Madrid over het huwelijk onderhandeld.[5] De elfjarige koning stemde slechts met tegenzin in met de verloving.[6] De jonge infante kwam in 1722 naar Frankrijk om aan het hof te worden opgevoed.[7] In juni 1722 keerde de jonge koning met zijn hof terug naar Versailles.[3] Op 25 oktober van hetzelfde jaar werd Lodewijk gekroond in de kathedraal Notre-Dame van Reims.[8] Kort nadat hij op 15 februari 1723 dertien jaar was geworden, werd hij op 22 februari 1723 in een lit de justice voor het Parlement van Parijs meerderjarig verklaard, waarmee het regentschap ten einde kwam.[9] De hertog van Orléans werd in augustus 1723, na de dood van kardinaal Dubois, eerste minister, maar stierf op 2 december van datzelfde jaar.[2] Op advies van Fleury wees Lodewijk Lodewijk Hendrik, hertog van Bourbon, aan als opvolger van de hertog van Orléans.[2]

De hertog van Bourbon was bezorgd over de gezondheid van de koning. Niet zozeer om de koning zelf of om de toekomst van de dynastie, maar vooral vanwege de familie van wijlen de regent, het huis Orléans, dat op de troon zou komen als de koning zou sterven; de hertog van Bourbon zag het huis Orléans als zijn vijand. De koning had een zwakke gezondheid en er werd enkele malen voor zijn leven gevreesd. Toen hij in februari 1725 ziek werd, besloot men dat er dringend een erfgenaam moest komen. De infante was met haar zeven jaar nog veel te jong om kinderen te krijgen en werd teruggestuurd naar Spanje.[7] De keuze viel nu op de 21-jarige Poolse prinses Maria Leszczyńska, de dochter van de in 1709 verdreven Poolse koning Stanislaus Leszczyński, die door de Saksische keurvorst August de Sterke was opgevolgd. Het paar trouwde op 5 september 1725; de bruid was zeven jaar ouder dan de koning.[6][3] De jonge koning was aanvankelijk zeer op haar gesteld. Velen vonden het huwelijk van Europa's machtigste koning met een prinses uit een onttroond geslacht beneden zijn stand. In 1729 werd de eerste zoon geboren, Lodewijk, die net als zijn grootvader en overgrootvader als dauphin zou overlijden.

Het bewind van Fleury (1726-1743)

[bewerken | brontekst bewerken]
Kardinaal André Hercule de Fleury, atelier van Hyacinthe Rigaud
Koningin Maria Leszczyńska met haar oudste zoon Lodewijk Ferdinand (ca. 1730)

In 1726 werd de koning zestien. Hij was nu veel gezonder en straalde meer gezag uit. Op 11 juni 1726 ontsloeg hij de hertog van Bourbon, die zeer impopulair was.[6] Het bewind van de hertog werd gekenmerkt door vervolging van protestanten (de koninklijke verklaring van 14 mei 1724 bevestigde de strenge wetten van Lodewijk XIV tegen hen[10]), muntmanipulaties, nieuwe belastingen zoals de cinquantième (1725) en hoge graanprijzen; bovendien overwoog hij een oorlog met Spanje en Oostenrijk.[2] Als opvolger van de hertog van Bourbon koos Lodewijk zijn oude leraar Fleury, die minister van Staat en kardinaal werd. Anders dan kardinaal de Richelieu en kardinaal Jules Mazarin in de 17e eeuw voerde Fleury nooit de titel van eerste minister, maar feitelijk leidde hij tot zijn dood de regering.[11]

Fleury bracht orde en rust. Hij stabiliseerde in 1726 de munt en wist in 1738 de begroting in evenwicht te brengen. De pauselijke bul Unigenitus, die paus Clemens XI in 1713 op verzoek van Lodewijk XIV tegen het jansenisme had uitgevaardigd, verdeelde het land diep.[12] In 1730 dwong Fleury het Parlement van Parijs de bul te registreren; na de verbanning van 139 magistraten moest het Parlement aanvaarden dat het zich niet meer met godsdienstzaken zou bemoeien.[2] Toen Rusland en Oostenrijk na de dood van August de Sterke (1733) verhinderden dat Lodewijks schoonvader Stanislaus Leszczyński opnieuw de Poolse troon besteeg, raakte Frankrijk betrokken bij de Poolse Successieoorlog (1733-1738). Fleury wist de oorlog te beperken: hij verzekerde zich van de neutraliteit van Groot-Brittannië en Franse troepen bezetten Lotharingen.[11] Bij het Verdrag van Wenen (1738) deed Stanislaus afstand van de Poolse troon en kreeg hij de hertogdommen Lotharingen en Bar, op voorwaarde dat deze na zijn dood bij Frankrijk zouden worden gevoegd. Dat gebeurde in 1766.[11][2]

Oostenrijkse Successieoorlog (1741-1748)

[bewerken | brontekst bewerken]
De slag bij Fontenoy (11 mei 1745), door Pierre Lenfant (1747)

Na de dood van keizer Karel VI in 1740 erkende Fleury diens dochter Maria Theresia als erfgename van de Oostenrijkse erflanden, maar hij streefde tegelijk naar de verkiezing van de keurvorst van Beieren, Karel Albert, tot keizer. In 1741 ging maarschalk Belle-Isle tegen de wil van Fleury in een bondgenootschap aan met Pruisen, waarmee Frankrijk in de Oostenrijkse Successieoorlog belandde.[11] Na de dood van Fleury op 29 januari 1743 besloot Lodewijk zonder eerste minister te regeren.[11][2] Op 15 maart 1744 verklaarde Frankrijk formeel de oorlog aan Groot-Brittannië.[13] In mei 1744 vertrok de koning zelf naar het leger.[6] Toen een Oostenrijks leger onder Karel van Lotharingen de Elzas bedreigde, trok Lodewijk met de hertog van Noailles naar de Rijn en dwong de Oostenrijkers terug over de rivier.[14] In augustus 1744 werd hij in Metz ernstig ziek. In heel Frankrijk werd voor zijn herstel gebeden en sindsdien werd hij "le Bien-Aimé" genoemd.[2] In de verwachting te sterven deed hij publiekelijk boete, vroeg de koningin om vergiffenis en zond zijn maîtresse, de hertogin van Châteauroux, weg.[6]

Op 11 mei 1745 behaalde maarschalk Maurits van Saksen, in aanwezigheid van de koning en de dauphin, de overwinning bij Fontenoy.[6][15] Daarna veroverden de Fransen de Oostenrijkse Nederlanden en volgden de overwinningen bij Rocourt (1746) en Lafelt (1747).[2] Bij de Vrede van Aken van 18 oktober 1748 gaf Lodewijk echter, tot verbazing van de Fransen, al zijn veroveringen terug.[2] Omdat hij de militaire successen niet wilde omzetten in gebiedsuitbreiding, ontstond in Frankrijk de uitdrukking "bête comme la paix" ("zo dom als de vrede") en begon de ontevredenheid te groeien.[16]

Zevenjarige Oorlog (1756-1763)

[bewerken | brontekst bewerken]
Lodewijk XV in harnas, replica naar Louis-Michel van Loo

Vanaf ongeveer 1748 voerde Lodewijk naast de officiële buitenlandse politiek een geheime diplomatie, het Secret du Roi, met eigen agenten in de belangrijkste Europese hoofdsteden; zijn ministers wisten daar niets van.[1] In januari 1756 sloten Groot-Brittannië en Pruisen het Verdrag van Westminster, dat in Versailles als verraad werd ervaren.[17] Op 1 mei 1756 sloot Lodewijk het Verdrag van Versailles met Maria Theresia (de "omkering van de allianties"), een manoeuvre die de Franse politiek sinds kardinaal de Richelieu omkeerde.[2] De aartsvijand Oostenrijk werd nu een bondgenoot. Madame de Pompadour had dat bondgenootschap gesteund,[1] maar de koning had zelf ook al eerder een toenadering tot Wenen overwogen.[6] Kort daarop viel Frederik II van Pruisen het keurvorstendom Saksen binnen en kwam Frankrijk zijn nieuwe bondgenoot te hulp. Groot-Brittannië had in 1755 al zonder oorlogsverklaring honderden Franse schepen in beslag genomen.[17] Doordat Frankrijk zich op het Europese vasteland aan Oostenrijk had verbonden, kon het zijn middelen niet concentreren op de koloniale strijd met het maritiem sterkere Groot-Brittannië.[1]

Na de zware nederlaag bij Roßbach (5 november 1757) keerden de krijgskansen. In 1759 werd de Franse vloot bij Lagos en Quiberon verslagen en viel Québec; in januari 1761 volgde de val van Pondichéry.[17] Toen Frederik II er in 1761 bijna verslagen voorstond, stierf op 5 januari 1762 tsarina Elisabeth van Rusland, bondgenote van Frankrijk en Oostenrijk. Haar neef en opvolger, tsaar Peter III, een groot bewonderaar van Frederik, sloot vrede met Pruisen.[17][18] Had Frankrijk onder Fleury met de Poolse Successieoorlog nog Lotharingen weten te verwerven, nu moest Choiseul, een gunsteling van Madame de Pompadour en van 1758 tot 1770 de leidende minister, aan het einde van de Zevenjarige Oorlog de belangrijkste Franse koloniën prijsgeven.[1][2]

Bij de Vrede van Parijs van 10 februari 1763 stond Frankrijk Canada, de eilanden in de Sint-Laurensrivier en het deel van Louisiana ten oosten van de Mississippi af aan Groot-Brittannië. In Noord-Amerika behield het alleen Saint-Pierre en Miquelon en het visrecht bij Newfoundland; in India deed het afstand van alle veroveringen sinds 1749 en hield het slechts vijf handelsposten over (Pondichéry, Karikal, Yanaon, Mahé en Chandernagor). In Senegal behield het alleen Gorée, maar het kreeg Guadeloupe, Martinique en Sainte-Lucie terug. Spanje kreeg de rest van Louisiana, ten westen van de Mississippi, als compensatie.[19] Het eerste Franse koloniale rijk was daarmee grotendeels verloren; de vrede wordt vaak gezien als een van de vernederendste episodes van de Franse monarchie.[20] Daartegenover stonden de inlijving van Lotharingen en Bar (1766) en de verwerving van Corsica. Bij het Verdrag van Versailles van 15 mei 1768 nam Frankrijk de pacificatie van het eiland op zich; de republiek Genua zou het alleen terugkrijgen als zij de Franse militaire en bestuurlijke kosten vergoedde, wat nooit gebeurde. Formeel was het dus geen verkoop of definitieve overdracht.[21] Choiseul bouwde na de oorlog de Franse strijdkrachten, vooral de vloot, weer op.[1][19]

Binnenlandse politiek en impopulariteit

[bewerken | brontekst bewerken]
Madame de Pompadour in haar werkkamer, door Maurice-Quentin de La Tour (ca. 1750)

Aanvankelijk genoot Lodewijk XV een grote populariteit, maar door zijn levenswijze, militaire tegenslagen en zijn moderniseringspolitiek verspeelde hij die geheel. Volgens de Larousse sloeg de populariteit om in vijandigheid door de financiële verspilling van de koning, de rol van zijn maîtresses en vooral de schijnbare leegte van de troon.[2]

Het conflict rond Unigenitus laaide in de jaren 1750 weer op, toen geestelijken de sacramenten weigerden aan vermeende jansenisten.[22][2] Het Parlement van Parijs gebruikte zijn herwonnen recht van remontrance om koninklijke maatregelen te blokkeren. De koning joeg de bevoorrechte standen tegen zich in het harnas met pogingen om het land te moderniseren: het vereenvoudigen van de wetgeving, het bestrijden van juridische misstanden, pogingen om adel en geestelijkheid belasting te laten betalen (in plaats van de belastingen op de rug van het gewone volk te leggen) en het opzetten van een efficiënt bestuur en een wegennet. In 1749 voerde minister Machault d'Arnouville, met steun van de koning, de vingtième in, een belasting van vijf procent op alle inkomens. Na protesten van de bevoorrechten werd de geestelijkheid in 1751 echter vrijgesteld, waardoor de belasting grotendeels een aanvulling op de taille van het gewone volk werd.[2] Ook latere fiscale hervormingen, zoals die van Silhouette (1759) en Bertin (1760), stuitten op verzet van de parlementen.[2][1]

Het adellijke Parlement werd vanaf het midden van de eeuw een broeihaard van juridische obstructie en lastercampagnes tegen de koning. Leugens, roddel en verwijten werden verspreid in illegaal gedrukte pamfletten, affiches en kranten, en de politie slaagde er niet in de clandestiene drukpersen te vinden en te ontmantelen. Ook de hoge adel was erbij betrokken: de prins van Conti, die na 1756 een van de belangrijkste tegenstanders van de koning werd, beschermde schrijvers en pamflettisten,[23] en maakte van het enclos du Temple in Parijs, waar ook clandestiene drukpersen werkten, een centrum van oppositie.[24]

Vanaf 1745 kwam er een nieuw mikpunt van spot en laster bij: de niet-adellijke maîtresse Madame de Pompadour, geboren als Jeanne-Antoinette Poisson. De schotschriften tegen haar werden poissonnades genoemd. Madame de Pompadour bemoeide zich met de benoeming en het ontslag van ministers en maakte zich daardoor veel vijanden.[2] De koninklijke familie, de vrome partij aan het hof en hovelingen als minister Maurepas werkten mee aan de laster.[25] Hoe diep het wantrouwen zat, bleek in 1750. Na honderden arrestaties van kinderen en jongeren door de Parijse politie tussen november 1749 en mei 1750 braken rellen uit, en het gerucht ging dat de koning aan lepra leed en baden in kinderbloed nam om te genezen.[26]

Madame de Pompadour behoorde tot de vele vijanden van de jezuïeten, die haar de absolutie hadden geweigerd.[27] De aanleiding tot hun ondergang in Frankrijk was het faillissement van pater Antoine Lavalette, overste van de jezuïetenmissie op Martinique, nadat de Britse vloot vanaf 1755 schepen met zijn handelswaar had gekaapt. Zijn schuldeisers spanden een proces aan, dat in 1761 bij het Parlement van Parijs terechtkwam. Daarbij werden de constituties (regels) van de orde onderzocht en openbaar besproken.[27][28] Alle tegenstanders verlangden van Lodewijk XV maatregelen tegen de orde. Het Franse hof stelde voor dat de Franse jezuïeten een eigen vicaris-generaal kregen, maar dat werd afgewezen met de woorden "Sint ut sunt aut non sint" ("Laat ze zijn zoals ze zijn, of laat ze niet zijn"). Die worden toegeschreven aan de generaal van de orde, Lorenzo Ricci, maar ook aan paus Clemens XIII.[27][29] Op 6 augustus 1762 verklaarde het Parlement van Parijs de orde "inadmissible par nature dans tout État policé". Met tegenzin ondertekende de koning in november 1764 een edict dat de orde in zijn rijk ophief, en in mei 1767 werden de jezuïeten uit het koninkrijk verbannen.[27][28] Op 2 april 1767 verdreef ook koning Karel III van Spanje de orde uit al zijn gebieden, en in 1773 hief paus Clemens XIV de orde zelfs helemaal op.[27]

De aanslag (1757)

[bewerken | brontekst bewerken]
De terechtstelling van Damiens op de Place de Grève op 28 maart 1757 (anonieme prent, ca. 1757)

De ruzies met de parlementen en de aanhoudende kritiek van deze bevoorrechten op de koning lagen wellicht aan de basis van de aanslag van Robert François Damiens op de koning. Op 5 januari 1757 was het hof voor de winter in het Grand Trianon ondergebracht, en de koning had in het kasteel zijn dochter bezocht. Rond zes uur 's avonds, toen het al donker was, wilde hij terugkeren naar het Trianon. Vergezeld door de dauphin en enkele hoge officieren liep hij door de met fakkels verlichte wachtzaal naar zijn rijtuig, dat wachtte in de overdekte doorgang tussen de Cour royale en het noordelijke parterre. Plotseling drong Damiens naar voren en stak de koning met een mes in zijn rechterzij.[30][6] Het mes kwam tussen de vierde en de vijfde rib het lichaam binnen, maar de wond bleek lang en oppervlakkig, waarschijnlijk omdat het korte lemmet nauwelijks door de dikke winterkleding van de koning drong. De koning bloedde hevig en dacht dat hij zou sterven. Hij liet een priester komen, vertrouwde het koninkrijk toe aan de dauphin en vroeg de koningin om vergiffenis voor het verdriet dat hij haar had aangedaan. Na acht dagen was de wond genezen, maar de aanslag liet blijvende sporen na.[30]

Damiens, een 42-jarige bediende uit Arras met een beïnvloedbaar en overspannen karakter, had verschillende raadsheren van het Parlement gediend die zeer kritisch waren over de koning en Madame de Pompadour.[30] In zijn verhoren noemde hij op verwarde wijze politieke grieven: de armoede van het volk, de weigering van de sacramenten aan vermeende jansenisten en zijn steun voor de parlementsleden die zich tegen de koning verzetten.[22] Anderen menen dat Damiens de koning niet wilde doden, maar hem alleen wilde waarschuwen om zijn gedrag te veranderen. Het was hoe dan ook de eerste aanslag op een Franse koning sinds de moord op Hendrik IV door François Ravaillac in 1610.[30] De koning riep direct na de aanslag dat men de dader moest arresteren maar hem geen kwaad mocht doen,[6] maar hij kon een proces wegens koningsmoord niet voorkomen. Damiens werd gefolterd om eventuele medeplichtigen te vinden en tussen 12 februari en 26 maart 1757 door het Parlement van Parijs berecht.[30] Hij werd ter dood veroordeeld en op 28 maart 1757 na een reeks martelingen gevierendeeld op de Place de Grève, de huidige Place de l'Hôtel-de-Ville. Het was de laatste vierendeling in Frankrijk.[22]

Hof, maîtresses en kunsten

[bewerken | brontekst bewerken]
Madame du Barry, door François-Hubert Drouais

Na de dood van Lodewijk XIV had het hof Versailles verlaten. Vanaf 1722 tot zijn dood in 1774 hield Lodewijk XV zijn hof weer in het zo'n 20 km ten westen van Parijs gelegen Kasteel van Versailles. Hij gebruikte de staatsievertrekken van zijn overgrootvader voor het openbare hofleven, maar liet daarnaast private vertrekken inrichten waar hij zich aan de drukte en de pracht van het hof kon onttrekken.[3] Ook onder het bewind van Lodewijk XV gaf Frankrijk op cultureel gebied de toon aan in Europa.

Uit het huwelijk van Lodewijk met Maria Leszczyńska werden tussen 1727 en 1737 tien kinderen geboren.[3] De koningin, uitgeput door de voortdurende zwangerschappen, weigerde de koning in 1738, na de geboorte van haar jongste dochter Louise, de toegang tot haar slaapkamer.[31][6] De koning was hierna voortdurend en openlijk ontrouw. Dat werd van een koning min of meer verwacht: de losbandigheid van de vorst gold als een soort statusbevestiging. Toch werd het vertrouwen in de monarchie geschokt door de schandalen van Lodewijk en zijn hovelingen. Vier van de vijf zussen De Mailly-Nesle waren achtereenvolgens zijn maîtresse: Louise Julie, gravin van Mailly, Pauline Félicité, markiezin van Vintimille, Diane Adélaïde, hertogin van Lauraguais, en Marie-Anne, hertogin van Châteauroux. Alleen Hortense weigerde.[31] Van september 1745 tot haar dood in 1764 was Madame de Pompadour de officiële maîtresse (maîtresse en titre), later vooral vriendin en raadgeefster van de koning.[1][3] Daarnaast had de koning kortere relaties, onder meer met Marie-Louise O’Murphy (1753-1755), die werd ondergebracht in een huisje in de wijk Parc-aux-Cerfs in Versailles. Dat huisje was van 1755 tot 1771 in gebruik voor zulke kortstondige verhoudingen. De verhalen over grote aantallen vrouwen en enorme kosten zijn volgens Fresne de Beaucourt sterk overdreven.[6] Van 1768 tot zijn dood was Madame du Barry zijn laatste favoriete.[3] Sommige van zijn maîtresses, zoals Madame de Pompadour en Madame du Barry, zijn bijna even bekend als de koning zelf. Hem worden ongeveer tien buitenechtelijke kinderen toegeschreven.[31] Omdat hun opvoeding aan het hof te duur werd gevonden, werden de vier jongste dochters vanaf 1738 opgevoed in de abdij van Fontevraud.[32]

Een populaire legende wil dat Lodewijk ooit gezegd zou hebben: "Après moi, le déluge" ("Na mij de zondvloed"). Al in de 19e eeuw werd erop gewezen dat de uitspraak hem ten onrechte werd toegeschreven.[6] Meestal wordt de variant "Après nous, le déluge" toegeschreven aan Madame de Pompadour, die de koning na de nederlaag bij Roßbach (1757) zo zou hebben getroost. Het is echter niet zeker dat zij het werkelijk gezegd heeft: de vroegste schriftelijke vermelding van de uitdrukking die de taalkundige Alain Rey vond, dateert pas van 1789.[33]

De verspilling die de publieke opinie de koning verweet, moet in verhouding worden gezien. In 1755 voerde Lodewijk XV op de uitgaven van het hof een bezuiniging van 12 à 13 miljoen livres door.[34] Volgens een overzicht dat een secretaris op basis van haar eigen aantekeningen opstelde, kostte Madame de Pompadour tussen september 1745 en april 1764 in totaal ruim 36,9 miljoen livres, gemiddeld minder dan twee miljoen per jaar. Dat bedrag omvat al haar uitgaven, van gebouwen, schilderijen en beeldhouwwerk (ruim 9 miljoen) en de feesten, reizen en toneelvoorstellingen voor de koning (ongeveer 4 miljoen) tot haar huishouding, paarden, geschenken en liefdadigheid.[35] Ook later bleef het hof een relatief kleine post: in de begroting van 1787, onder Lodewijk XVI, kostte het 36 miljoen livres op een totale uitgave van 591 miljoen, ongeveer 6 procent. Het waren vooral de oorlogen, en niet het hof, die de monarchie in financiële problemen brachten.[36]

Het hof van Lodewijk XV steunde vele Franse kunstenaars en ambachtslieden en hun families. Madame de Pompadour had grote invloed op de kunsten: zij beschermde onder anderen de schilder François Boucher en de beeldhouwer Jean-Baptiste Pigalle, en op haar aandringen liet de koning vanaf 1763 het Petit Trianon bouwen.[3] De koning zelf had een uitgesproken belangstelling voor wetenschap en plantkunde. In 1746 liet abbé Nollet in Versailles voor hem experimenten met de leidse fles uitvoeren, en in de botanische tuin van het Trianon liet hij de planten volgens het systeem van Linnaeus indelen.[3] Franse kunstenaars werden in heel Europa bewonderd en nagevolgd. Tot op de dag van vandaag is de naar hem genoemde stijl, de Louis Quinze, wereldwijd populair.

Laatste jaren en overlijden (1770-1774)

[bewerken | brontekst bewerken]
Lodewijk XV, atelier van Louis-Michel van Loo, naar een werk uit 1763

Aan het einde van zijn regering trad de koning krachtiger op tegen de parlementen. In 1768 benoemde hij Maupeou, een beschermeling van Madame du Barry, tot kanselier, en in december 1769 werd abbé Terray op voordracht van Maupeou contrôleur général des finances.[37] Op 24 december 1770 viel Choiseul in ongenade. Hem werden zijn toegeeflijkheid tegenover de magistraten verweten en een buitenlandse politiek die Frankrijk in een oorlog met Engeland dreigde te betrekken.[2][37] In de nacht van 19 op 20 januari 1771 werden de weerspannige parlementsleden verbannen. Bij edict van 23 februari 1771 schafte Maupeou de koopbaarheid van de rechterlijke ambten af, maakte hij de rechtspraak kosteloos en verving hij het oude Parlement van Parijs door een nieuw parlement en vijf conseils supérieurs met door de staat betaalde rechters.[37] De hervorming werd fel aangevallen door de adel, de salons en talloze pamfletten tegen het "parlement Maupeou", maar de nieuwe rechtbanken functioneerden tot de dood van de koning.[37][1] Ook de kwistige uitgaven van 's konings laatste maîtresse, Madame du Barry, gaven nieuwe stof voor pamfletten.

Terray bracht de staatsfinanciën gedeeltelijk op orde, maar op grove wijze: hij erkende een deel van de staatsschuld niet meer, schortte rentebetalingen op staatsobligaties op en legde gedwongen leningen op. Daarnaast maakte hij de inning van de vingtième minder willekeurig en sloot hij voordeligere contracten met de belastingpachters, waardoor de staatsinkomsten sterk stegen.[38] In het buitenland mislukte de geheime diplomatie in Polen: de eerste deling van Polen (1772) maakte vrijwel een einde aan de Franse invloed in Midden-Europa.[1]

Eind april 1774 werd de koning ziek; al snel bleek dat hij pokken had. Op 4 mei zond hij Madame du Barry weg, op 7 mei ontving hij de laatste sacramenten en op 10 mei 1774 overleed hij in Versailles.[6][2] Vanwege het besmettingsgevaar werd zijn lichaam niet geopend en niet gebalsemd, en werd, tegen de traditie in, ook het hart niet verwijderd.[39] Het lichaam werd in een loden kist met ongebluste kalk gelegd[40] en in de nacht, zonder enig ceremonieel, in zijn jachtrijtuig naar de basiliek van Saint-Denis gebracht. Daar werd het op 12 mei in de grafkelder bijgezet.[39][6]

Tijdens de Franse Revolutie werden in oktober 1793 de lichamen van de Bourbons uit hun loden kisten gehaald, omdat het lood nodig was voor kogels.[41] De kist van Lodewijk XV werd op 16 oktober 1793 uit de grafkelder gehaald en zijn lichaam werd op een laag ongebluste kalk in een massagraf geworpen,[42] bij zijn voorouders die in de voorgaande dagen hetzelfde lot hadden ondergaan. In 1817 liet Lodewijk XVIII de vermengde resten van de vorsten opgraven en bijzetten in een ossuarium in de crypte van de basiliek. Die is sinds 1966 een kathedraal.[41]

Bij de dood van Lodewijk was de Franse monarchie op een dieptepunt beland, met politieke, financiële en morele problemen. Lodewijks zoon, de dauphin Lodewijk, was al in 1765 gestorven, waardoor Lodewijks kleinzoon Lodewijk Auguste als Lodewijk XVI de nieuwe koning werd. Hij erfde een gedeeltelijk hersteld, maar verzwakt en ontevreden koninkrijk.[3] Lodewijk XVI ontsloeg Maupeou in augustus 1774 en riep op 12 november 1774 de oude parlementen terug, waarmee de hervorming van zijn grootvader ongedaan werd gemaakt.[37]

Lodewijk XIV had Frankrijk achtergelaten met ernstige financiële problemen en in een internationale wurggreep. De regent had de vrede hersteld, maar de parlementen, die onder Lodewijk XIV gemuilkorfd waren, weer ruimte gegeven.[2] Na de aanvankelijk gunstige periode onder kardinaal de Fleury nam Lodewijk XV het heft zelf in handen. Volgens de Encyclopaedia Britannica was hij te gemakzuchtig en te onzeker om zijn ministers te coördineren, en verviel zijn regering tot gekonkel tussen facties.[1] Na de Vrede van Aken (1748) werd hij als een zwakkeling gezien, en de militaire en politieke tegenslagen stapelden zich op. Zijn hervormingspogingen, vooral het verdelen van de belastingdruk over geestelijkheid en adel, bezorgden hem bij de adellijke parlementen de reputatie van despoot, terwijl hun verzet verhinderde dat de staatsfinanciën op orde kwamen.[1][2]

De koning die in 1744 le Bien-Aimé werd genoemd, was bij het einde van zijn regering le Mal-Aimé.[30] Volgens de Britannica werd hij aan het einde van zijn leven even sterk gehaat als Lodewijk XIV bij diens dood.[1] Anders dan zijn overgrootvader had Lodewijk XV weinig gevoel voor public relations en deed hij weinig om zich tegen de lastercampagnes te verdedigen. Die klinken tot vandaag door: de koning gaat nog steeds door voor onbekwaam en frivool, volgens historici als Michel Antoine en Jean-Christian Petitfils ten onrechte.[43][20] Al in 1867 schreef Fresne de Beaucourt dat Lodewijk XV "te streng beoordeeld" was, al bleef ook zijn eindoordeel kritisch: de koning zag alles, maar wist niets te verhinderen.[6]

Het beeld van de koning in literatuur, geschiedschrijving en schoolboeken werd in de 19e en 20e eeuw steeds negatiever, naarmate de politieke agenda (de afkeer van de monarchie) en het voortschrijdende antiklerikalisme dat vereisten.[44] Het schoolboek van Lavisse (de "Petit Lavisse") schreef rond 1900: "Hij was de slechtste koning uit onze hele geschiedenis. Het volstaat niet de herinnering aan hem te verafschuwen, men moet hem verfoeien!"[45] In het interbellum begon een eerherstel, met historici als Jacques Bainville (Histoire de France, 1924) en Pierre Gaxotte (Le Siècle de Louis XV, 1933).[46] Dat eerherstel werd voortgezet door Michel Antoine (1989) en Jean-Christian Petitfils (2014), wiens biografie volgens Le Figaro de nagedachtenis van een man die "niet zoveel smaad verdiende" gedeeltelijk rehabiliteert.[47]

Het huwelijk met prinses Maria Leszczyńska van Polen bracht tien kinderen voort:[32][6]

NaamAfbeeldingGeborenOverledenHuwelijk
Louise Elisabeth
Madame Première
Hertogin van Parma en Piacenza
14 augustus 17276 december 1759Huwde in 1739 met Filips, infant van Spanje en later hertog van Parma.
Zij werd moeder van hertog Ferdinand en koningin Maria Louisa van Spanje.
Henriëtte Anne
Madame Seconde
Prinses van Frankrijk
14 augustus 172710 februari 1752Bleef ongehuwd.
Een huwelijk met haar neef Lodewijk Filips, hertog van Chartres, op wie zij verliefd was, ging niet door.
Marie Louise
Madame Troisième
Prinses van Frankrijk
28 juli 172819 februari 1733Stierf jong, ongehuwd.
Lodewijk Ferdinand
Dauphin
Kroonprins van Frankrijk
4 september 172920 december 1765Huwde 1e: Maria Theresia van Spanje. Huwde 2e: Maria Josepha van Saksen.
Werd vader van Lodewijk XVI, Lodewijk XVIII, Karel X en koningin Clothilde van Sardinië.
Philippe Lodewijk
Hertog van Anjou
Prins van Frankrijk
30 augustus 17307 april 1733Stierf jong, ongehuwd.
Marie Adélaïde
Madame Adélaïde
Prinses van Frankrijk
23 maart 173227 februari 1800Bleef ongehuwd.
Victoire Louise
Madame Quatrième
Prinses van Frankrijk
11 mei 17337 juni 1799Bleef ongehuwd.
Sophie Philippine
Madame Sophie
Prinses van Frankrijk
27 juli 17343 maart 1782Bleef ongehuwd.
Thérèse Félicia
Madame Sixième
Prinses van Frankrijk
16 mei 173628 september 1744Stierf jong, ongehuwd.
Louise Marie
Madame Dernière
Prinses van Frankrijk
15 juli 173723 december 1787Bleef ongehuwd.
Trad in 1770 toe tot de orde van de karmelieten.

Kwartierstaat (voorouders)

[bewerken | brontekst bewerken]

Lodewijk XIV van Frankrijk
(1638-1715)

Maria Theresia van Oostenrijk
(1638-1683)
 

Ferdinand Maria van Beieren)
(1636-1679)

Henriëtte Adelheid van Savoye
(1636-1676)
 

Karel Emanuel II van Savoye
(1634-1675)

Maria Johanna van Savoye-Nemours
(1644-1724)
 

Filips van Orléans
(1640-1701)

Henriëtta Anne van Engeland
(1644-1670)
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

Lodewijk van Frankrijk
(1661-1711)
 
 
 

Maria Anna Victoria van Beieren
(1660-1690)
 
 
 
 
 

Victor Amadeus II van Sardinië
(1666-1732)
 
 
 

Anne Marie van Orléans
(1669-1728)
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

Lodewijk van Frankrijk
(1682-1712)
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

Maria Adelheid van Savoye
(1685-1712)
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

Lodewijk van Frankrijk
(1704-1705)
 
 

Lodewijk van Frankrijk (1707-1712)
 
 

Lodewijk XV van Frankrijk
(1710-1774)
Mediabestanden die bij dit onderwerp horen, zijn te vinden op de pagina Louis XV de France op Wikimedia Commons.
Voorganger:
Lodewijk
Dauphin van Frankrijk
1712-1715
Opvolger:
Lodewijk Ferdinand