Modernisme

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Zie het artikel Voor het Modernisme Català (Catalaanse Art Nouveau / Jugendstil), zie: Catalaans modernisme. Voor de designstroming, zie Modernisme (design). Voor het rooms-katholiek modernisme, zie Modernisme (rooms-katholiek).
'Portret van Picasso', schilderij van Juan Gris, 1912, olieverf op doek

Het modernisme is een verzamelnaam voor vernieuwende stromingen in de kunsten en de westerse maatschappij vanaf het eind van de 19e eeuw tot en met de eerste helft van de 20e eeuw. De term wordt gebruikt voor een culturele beweging die vooral na de Eerste Wereldoorlog in verzet komt tegen de traditionele opvattingen en vormen van kunst, architectuur, literatuur, geloof, sociale organisatie en het dagelijks leven. De moderne roman, het moderne toneel, de architectuur en de poëzie moesten vernieuwd worden zodat zij de moderne geïndustrialiseerde maatschappij beter weerspiegelden.

De term modernisme werd, in de Spaanse vorm modernismo, voor het eerst gebruikt door de Nicaraguaanse dichter Rubén Darío in een Guatemalteeks literair tijdschrift, in 1890.[1] Darío wilde met de nieuwe, modernistische school literaire onafhankelijkheid van Spanje bewerkstelligen; hij leunde hierbij vooral op de Franse stromingen van zijn tijd.

Deelgebieden[bewerken]

Modernisme heeft vele betekenissen die elkaar soms zelfs min of meer uitsluiten, maar als geest van moderniteit die kunst, architectuur en literatuur vernieuwde heeft het specifiek betrekking op het volgende:

Doelstellingen van de beweging[bewerken]

IBM building in Chicago. Mies van der Rohe

Veel modernisten waren van mening dat de verwerping van de traditie mogelijkheden zou opleveren om nieuwe manieren voor het maken van kunst te ontdekken. Zo wees Arnold Schönberg de traditionele tonale harmonie in de muziek af, een georganiseerde manier van componeren die de muziek minstens 150 jaar had gedomineerd. Hij geloofde dat hij een geheel nieuwe manier had gevonden om geluiden te organiseren, met gebruikmaking van de twaalftoontechniek. Abstracte kunstenaars, geïnspireerd door het voorbeeld van de impressionisten, alsook door Paul Cezanne en Edvard Munch, begonnen met de veronderstelling dat kleur en vorm de essentie van kunst uitmaakten, en niet de nabootsing van de natuur. Wassily Kandinsky, Piet Mondriaan en Kazimir Malevich geloofden allen in het herdefiniëren van kunst als een arrangement van pure kleur. De fotografie had feitelijk de uitbeeldende, mimetische functie van de beeldende kunst overgenomen. Kunstenaars geloofden ook dat een afwijzing van de uitbeelding van de materie de kunst op een hoger niveau bracht, van een materialistische naar een spiritualistische fase.

Andere modernisten, met name degenen die betrokken waren bij design, hadden een meer pragmatische visie. Modernistische architecten en ontwerpers waren van mening dat de nieuwe technologie de traditionele bouwstijlen van het gebouw verouderd maakte. Le Corbusier dacht dat een gebouw diende te fungeren als "een machine om in te wonen", analoog aan auto's, die hij zag als machines om te reizen. Designers die deze 'machine-esthetiek' volgden, verwierpen bijna elke vorm van decoratie en gaven de voorkeur aan het benadrukken van geometrische vormen. De wolkenkrabber, zoals de Seagram Building van Ludwig Mies van der Rohe in New York (1956-1958), werd het archetype van het modernistische gebouw. Ook het ontwerp van modernistische huizen en meubels benadrukte eenvoud en duidelijkheid van vorm, een sober en ruimtelijk ogend interieur, en de afwezigheid van rommel.

In andere kunsten waren pragmatische overwegingen minder belangrijk. In de literatuur en de beeldende kunsten trachtten de kunstenaars de traditie te doorbreken door de lezer/beschouwer te verrassen en zijn verwachtingspatroon te doorbreken. Het is alsof ze ermee willen bereiken dat de consument de moeite zou nemen om zichzelf over zijn eigen vooroordelen te bevragen. De kunstcriticus Clement Greenberg zette zijn theorie van het modernisme uiteen in zijn essay 'Avant-Garde and Kitsch'. Daarin noemt Greenberg de producten van de consumentencultuur '"kitsch", omdat het ontwerp gewoon gericht was op behagen, en daaraan werden alle andere 'functies' van het kunstwerk opgeofferd.

Van eensgezindheid in standpunten was eigenlijk onder de modernisten geen sprake. Sommige modernisten zagen zichzelf als onderdeel van een revolutionaire cultuur, maar de meesten waren apolitiek. Anderen, zoals T.S. Eliot, wezen gewoon de massacultuur af vanuit een conservatief standpunt. Sommigen stelden dan weer dat het modernisme in de literatuur en de kunst functioneerde ten behoeve van een elitecultuur die de rest van de bevolking uitsloot.

Modernisme in de literatuur[bewerken]

Ezra Pound in 1913

Belangrijke kenmerken van de modernistische literatuur zijn[2]:

In de eerder genoemde betekenis is de term modernisme – als hyperoniem voor allerlei destijds nieuwe kunstzinnige stromingen zoals het futurisme, kubisme, expressionisme, dadaïsme. surrealisme – feitelijk een synoniem van wat ook wel de "historische avant-garde" heet. In de jaren '80 van de 20e eeuw kreeg de term modernisme binnen de literatuurwetenschap een ietwat andere betekenis; er werd nu mee verwezen naar afzonderlijke schrijvers uit de jaren 20-30 van de 20e eeuw die twijfelden aan het vermogen van de mens om de wereld te kennen en dat van de taal om de werkelijkheid te beschrijven. Deze schrijvers maakten in het algemeen geen deel uit van een van de radicale bewegingen die in de traditionele zin modernistisch genoemd worden en keerden zich hier soms zelfs van af. Zo zijn James Joyce, Virginia Woolf, T.S. Eliot, Marcel Proust, André Gide, Thomas Mann en Robert Musil typisch modernistische schrijvers in de laatstgenoemde betekenis. Ook de dichter Martinus Nijhoff is wel eens een 'niet-spectaculair' modernist genoemd.[3]"

Modernistische schrijvers doen aan zelfreflectie, ook in hun creatieve werk. Ze zijn er zich van bewust dat alle waarneming en kennis afhankelijk is van het ingenomen standpunt (perspectivisme). Daarom zetten ze conventionele denkkaders op de helling en doorprikken ze graag vertrouwde gedrags- en waarnemingspatronen. Toch zijn ze nog vaak op zoek naar een nieuwe, alomvattende verklaring van de verschijnselen, naar een andere zingeving - ook al beseffen ze dat die nooit definitief zal zijn. Het postmodernisme daarentegen voelt die behoefte aan zingeving niet meer.

Modernisme in de schilderkunst[bewerken]

Is een brede avant-gardistische beweging van de eerste helft van de 20e eeuw. Men zocht antwoorden over de aard van de kunst en het leven.

Kenmerken van het modernisme zijn: experimenteel, radicaal, readymade, primitief, internationaal, expressieve waarheid, kunst en kunstnijverheid en het onderbewustzijn.

Schilderstijlen[bewerken]

Schilderstijlen die onder het modernisme vallen zijn:

Modernisme in muziek[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Modernisme (muziek) voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Net als in de schilderkunst werd er in de eerste helft van de 20e eeuw op muzikaal gebied veel onderzoek gedaan naar experimentele nieuwe vormen. Bekende componisten die nieuwe stromingen ontwikkelden zijn Igor Stravinsky, Béla Bartók, Arnold Schönberg, John Cage, Harry Partch en La Monte Young. Maar er zijn nog talloze anderen.

Modernisme in de architectuur[bewerken]

Modernistische stromingen in de architectuur zijn:

Bronvermelding[bewerken]