Acmeïsme

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Het acmeïsme (Russisch: aкмеизм) was een beweging in de Russische dichtkunst die ontstond in het tweede decennium van de twintigste eeuw. Zij was een reactie op het Russische symbolisme. De aanhangers streefden naar eenvoud en helderheid van hun teksten. Ze vermeden metafysische, mystieke en occulte termen ten faveure van aardse en concrete.

Verklaring van de term acmeïsme[bewerken]

Nikolaj Goemiljov, theoreticus en initiatiefnemer van het acmeïsme

De term is afgeleid van het Griekse woord 'άχμή' (spreek uit als: akmé). Dat betekent 'hoogtepunt', 'bloei'.

De stroming was ook bekend onder de namen adamisme (Russisch: Адамизм) en clarisme (Russisch: кларизмом). Het adamisme staat volgens Nikolaj Goemiljov voor manhaftigheid, onwankelbaarheid en duidelijkheid [1]. De term clarisme werd aan Michail Koezmin ontleent. Hij drong aan op helder en spaarzaam woordgebruik.

Positie ten opzichte van andere literaire stromingen in die tijd[bewerken]

De acmeïstische positie ten opzichte van het Russisch symbolisme wordt geïllustreerd in het manifest (zie onder) van Goemiljov. Goemiljov geeft daarin als voorbeeld een retorische vraag van François Villon: 'Ou sont les neiges d'antan?' (Waar is de sneeuw van vroeger?),[2] die ons meer beweegt dan een antwoord dat ons vertelt aan welke kant van de maan zielen van overledenen verblijven.

De acmeïstische positie ten opzichte van de avant garde (futuristen, constructivisten) was dat zij de bestaande wereld in haar harmonie zichtbaar wilden maken, waar de avant garde deze wilde herscheppen. Of, zij probeerden zorgvuldig te formuleren, waar de avant garde eerder neologismen bedacht.

De acmeïsten waren bescheiden. Zij organiseerden 'workshops' waarin ze technieken leerden. Deze waren anders dan de esoterisch aandoende bijeenkomsten van symbolisten. De acmeïst was ziener (symbolisme) noch schepper (avant garde), maar eerder een noeste werker die door zorgvuldig taalgebruik de werkelijkheid zelf liet spreken. Om dat te bereiken gebruikten zij woorden vooral in hun primaire, alledaagse betekenis. Dus een roos bijvoorbeeld is mooi om haar bladeren, haar kleur, haar geur en niet om haar denkbeeldige overeenkomst met liefde.[3]

Historische ontwikkeling[bewerken]

Michail Koezmin heeft de geest van het acmeïsme voor het eerst tot uitdrukking gebracht in zijn essay Over harmonieuze helderheid (О прекрасной ясности)[4]. Dit werd gepubliceerd in 1909 (nr. 4) in het tijdschrift Apollon. Koezmin bekritiseerde hierin de 'valkuilen van onbegrijpelijkheid en kosmische duisterheid' en spoorde hij schrijvers aan tot 'logica van voorstelling, constructie, syntaxis (...), liefde voor het woord, zoals bij Gustave Flaubert (...)' en hij adviseerde: 'wees economisch in het gebruik van middelen en spaarzaam met woorden, wees precies en zuiver - en je zult het geheim ontdekken van iets verbazingwekkends - harmonieuze helderheid - wat ik 'clarisme' zou willen noemen.

In het laatste halfjaar van 2011 werd het Dichtersgilde (Цех поэтов) opgericht. Leidende schrijvers waren Nikolaj Goemiljov en Sergej Gorodetski. Het gezelschap zocht een ‘dichterlijk vakmanschap en culturele continuïteit'. Naast Innokenti Annenski beschouwde het Alexander Pope, Théophile Gautier, Rudyard Kipling, en de Franse Parnassiaanse dichters als voorlopers.[5]

Logo verdwaalde hond uit werk van М. Dobitsjinski. 1912

Zij kwamen bijeen bij leden thuis en in literair-artistiek Café De Verdwaalde Hond (Бродя́чая соба́ка) in Sint-Petersburg. Anna Achmatova memoreert[6] dat op de derde bijeenkomst bij haar thuis in Tsarkoje Selo het acmeïsme werd geproclameerd. Dat zou einde 2011 of begin 2012 moeten zijn geweest.

Er werd een manifest opgesteld door Goemiljov: Het symbolistisch erfgoed en het acmeïsme (Наследие символизма и акмеизм).[7] Blijkens het colofon putte hij uit daarvoor ook uit bijdragen van Osip Mandelstam[8] en Gorodetski.[9] Dit werd gepubliceerd in het eerste nummer van Apollon in 2013.

Naast Apollon verscheen (oktober 2012 tot december 2013) nog een literair blad waarin acmeïsten publiceerden: Hyperborée (Гиперборей). Bij beide bladen was Michail Lozinski betrokken, bij de eerste was hij secretaris en de tweede gaf hij zelf uit.

De acmeïsten kregen te maken met stevige kritiek van de gevestigde literaire orde, de symbolisten. Hun naam werd een scheldwoord. De eerste positieve kritiek kwam in december 1916 van Viktor Zjirmoenski: 'Zij die het symbolisme overwonnen hebben'.[10]

Osip Mandelstam was in de begintijd de meest opvallende dichter. In 1913 publiceerde hij de dichtbundel Steen (Камень). Het valt op dat Камень bijna een anagram is van: aкмеи. Verder is een steen bij uitstek concreet en aards. En je kunt er iets bestaands (ruit, vijver) mee verstoren. Verder dienden ideeën uit zijn manifest Dageraad van het acmeïsme, geschreven in 1913 en gepubliceerd in 1919, als bijdragen voor het baanbrekende manifest van Goemiljov in 1913.

Vaktechnische bijdragen van Achmatova en Mandelstam[bewerken]

Van Anna Achmatova is bekend dat zij een voorkeur had voor het metoniem boven de metafoor. Een metoniem, zoals 'de neuzen tellen', is gebaseerd op een relatie tussen het genoemde (de neuzen) en het bedoelde (de personen). Bij een metafoor gaat het om de overeenkomst tussen het genoemde en bedoelde. Bijvoorbeeld 'hij kwam als een dief in de nacht' heeft als overeenkomst de onopvallendheid van de genoemde dief met de onopvallendheid van de bedoelde persoon. Het voordeel van het gebruik van een metoniem is dat het minder snel tot bovenzinnelijke onbegrijpelijkheden leidt.

In zijn bundel Steen van Mandelstam staat een gedicht uit 1914 met onder meer de volgende regels:[11]

Kan ik er wat aan doen dat ik geen maan
maar een verlichte wijzerplaat zie staan,
............................................

Ik heb een hekel aan hooghartigheid:
toen Batjoesjkov gevraagd werd naar de tijd,
gaf hij 'het is nu eeuwigheid' te antwoord.

Volgens Goemiljov maakt Mandelstam hierin de weg vrij voor de behandeling van verschijnselen die zich voordoen in de tijd en neemt hij afstand van de beperking van de dichtkunst tot slechts verschijnselen die zich voordoen op een moment of in de eeuwigheid.[12]

Joseph Brodsky noemt[13] het gedicht Het woud kent wielwalen en ...[14] (uit 1916) als een voorbeeld waarin Mandelstam de zijn nieuwe tijdsbeleving zowel theoretisch beschrijft als praktisch toepast. Belangrijk hierin is de cesuur (rustpunt in een dichtregel), die een hele dag met gebeurtenissen lijkt te bevatten:

............................................
........................ een cesuur is deze dag
die kalm begint en eindeloos lijkt voort te duren.
Er grazen ossen, ................................

Let wel, er staat 'eindeloos' na een kalm begin en niet 'oneindig' of 'eeuwig'. 'Eindeloos' betekent dat er nog geen einde is aan de mogelijkheid dat de dag voortduurt. 'Oneindig' of 'eeuwig' zou betekenen dat een einde van de dag niet mogelijk is.

Deelnemers[bewerken]

Behalve Goemiljov, Gorodetski, Achmatova en Mandelstam worden onder meer de volgende schrijvers genoemd: Georgi Adamovisj, N. Broeni, Georgi Ivanov, Jelizaveta Koezmin-Karavajeva, Michail Lozinski, Vladimir Narboet, Tsjernjavski, M. Zenkjevitsj.[15]

Relativering[bewerken]

Hierbij zij aangetekend dat:

1. Goemiljov erkent dat, met name het Franse symbolisme, meer vrijheid in de versbouw heeft geschapen en symbolistische metaforen hebben gestimuleerd de gedachten langs onverwacht paden te leiden. Verder meent hij dat het Russische symbolisme uit evenwicht is geraakt. Engelen en demonen maken weliswaar deel uit van het materiaal van de dichter, maar horen niet 'met hun aardse zwaarte' de andere beelden die hij kiest te verpletteren. [16]

Achmatova laat in haar gedicht Voronezj, over de verbannen dichter Mandelstam, met 'Muze' zien hoe dat op een acmeïstische manier kan. [17] over de verbannen Mandelstam:

...........................................
Maar in de kamer van de verbannen dichter
Houden angst en Muze beurtelings de wacht,
...........................................

2. het symbolisme in Rusland, in aanvang een respectabele literaire stroming, in het begin van de twintigste eeuw leidde tot steeds hoogdravender en zweveriger taalgebruik. Joseph Brodsky meent dat het symbolisme daarbij zoveel niet getalenteerde navolgers kreeg dat het ontspoorde.[18]

3. volgens Brodsky iemand als Mandelstam een zodanige geestelijke autonomie bezat dat hij zich juist van iedere vorm van linguïstische massaproductie of -isme verwijderde.[19] Dit blijkt wellicht ook uit het feit dat Mandelstam Batjoesjkov (zie hierboven) elders 'deel van mijn leven noemt'.

Vergelijkbare ontwikkelingen in dezelfde tijd elders[bewerken]

Opvallend is dat de filosoof Ludwig Wittgenstein in het tweede decennium van de twintigste eeuw stelt dat het ondenkbare niet kan worden gedacht en dat het onzegbare niet kan worden uitgesproken.[20] En verder dat door een helder woordgebruik, dat wil zeggen door het vermijden van woorden zonder een verwijzing naar de werkelijkheid, hetgeen onzegbaar is zich als het ware door de tekst heen toch toont.

Opvallend ook is de verwerping van het bewijs uit het ongerijmde in de wiskunde door L.E.J. Brouwer in het begin van de twintigste eeuw. Bewijzen uit het ongerijmde leverden soms bewijzen op van stellingen op die meer op metafysica lijken dan dat zij praktische betekenis hebben. De verwerping ervan door Brouwer komt voort uit zijn fundamenteel andere opvatting over verzamelingen met een oneindig aantal elementen. Volgens hem is zo'n verzameling niet vooraf zonder menselijke tussenkomst aanwezig, zoals sterrenstelsels, maar kan alleen over haar bestaan worden gesproken als bekend is hoe zij te construeren is, zoals een handwerksman kan spreken over nog te maken producten die hij aan zijn voorraad zal toevoegen. Je zou kunnen zeggen dat een sterrenstelsel een actueel oneindig aantal sterren bevat en de productie van een handwerksman een potentieel oneindig aantal producten. Wiskundige verzamelingen, zoals die van de Natuurlijke getallen, worden door Brouwer gezien als menselijke constructies en daarom als potentieel oneindig. Zo kan deze verzameling worden geconstrueerd door er vanaf 1 steeds weer 1 op te tellen. Bij ieder eindig getal dat zo geconstrueerd wordt, is het voorstelbaar dat daar weer 1 bij wordt opgeteld. Het is daardoor niet mogelijk aan te geven uit hoeveel (eindige) elementen deze verzameling bestaat.[21]

Een bewijs uit het ongerijmde verondersteld een actuele verzameling. Daarvan kun je, in principe, van ieder element vaststellen of het in de verzameling aanwezig is of niet. Is een element niet niet aanwezig dan is het aanwezig. In een verzameling met een potentieel oneindig aantal elementen is de betekenis van ‘element x is aanwezig’ weliswaar duidelijk, want het zegt dat x geconstrueerd kan worden, maar de betekenis van ‘element x is niet aanwezig’ kan twee dingen betekenen:

  1. Er is een constructie waaruit blijkt dat x niet kan bestaan: de constructie van x leidt tot een contradictie;
  2. Er is geen constructie van x bekend, maar niet uitgesloten is dat zo'n constructie in de toekomst gevonden wordt.[22]

In geval van 2 is duidelijk dat de betekenis van ‘element x is niet aanwezig’ geen garantie biedt dat het in de toekomst niet aanwezig zal zijn. Omdat je in de wiskunde volstrekt zekere uitspraken wilt doen is daarmee (in geval van 2.) deze uitspraak onzinnig geworden. En de ontkenning daarvan leidt niet tot een zinnige uitspraak. Daarmee vervalt de mogelijkheid van bewijzen uit het ongerijmde.

Omdat bij Brouwer de mens de wiskunde in de tijd ontwikkelt, verlaat hij daarmee de gedachte, net als Mandelstam in de dichtkunst, dat de wiskunde kennis verschaft over een tijdloze wereld. Al kunnen we het verleden wel laten herleven door reconstructies (of herscheppingen) van verschijnselen die zich voordoen in de tijd.

Tussen Wittgenstein en Brouwer enerzijds en het acmeïsme anderzijds is geen wederzijdse beïnvloeding bekend. Toch lijkt de gelijktijdige opkomst van deze ideeën niet helemaal toevallig.[23]

Nederlandstalige literatuur over het acmeïsme[bewerken]

  • Anna Achmatova, De echte twintigste eeuw, Privé-domein nr. 249, Arbeiderspers, Amsterdam, 2006, p. 64-131.
  • Nikolaj Goemiljov, De giraffe, Meulenhoff Nederland bv, Amsterdam, 1985. In het bijzonder 'Ter inleiding' door Hans Boland en 'Het symbolistisch erfgoed en het acmeïsme', pp. 7 - 13 en pp. 67 - 71.
  • Osip Mandelstam, Neem mijn verzen in acht, Uitgeverij Atlas, Amsterdam Antwerpen, 2010, in het bijzonder de inleiding en de begeleidende teksten.
  • Joseph Brodsky, 'Het kind van de beschaving' in Tussen iemand en niemand, De bezige bij, Amsterdam, 1987. (Hierin komen bijdragen van Mandelstam aan het acmeïsme aan de orde.)