Albanië

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Republika e Shqiperisë
Flag of Albania.svg Albania state emblem.svg
(Details) (Details)
Kaart
Basisgegevens
Officiële landstaal Albanees
Hoofdstad Tirana
Regeringsvorm Parlementaire republiek met een meerpartijenstelsel (democratie)
Staatshoofd Ilir Meta
Regeringsleider Edi Rama
Religie Islam 56,7%,
Christendom 28,6%,
Atheïsme 13.79%%[1]
Oppervlakte 28.748 km² [2] (4,7% water)
Inwoners 3.074.579 (2020) 107/km²[3]
Overige
Motto Ti, Shqipëri, më jep nder, më jep emrin Shqiptar.

(Jij, Albanië, geeft me eer, je geeft mij de naam Albanees.)

Volkslied Hymni i Flamurit
Munteenheid Lek (ALL)
UTC +1 (zomer +2)
Nationale feestdag 28 november
Web | Code | Tel. .al | ALB | 355
Voorgaande staten
Socialistische Volksrepubliek Albanië Socialistische Volksrepubliek Albanië
Detailkaart
Kaart van Albanië
Portaal  Portaalpictogram  Landen & Volken

Albanië (Albanees: Shqipëria, Gegisch: Shqipnia), officieel de Republiek van Albanië (Albanees: Republika e Shqipërisë), is een land in Zuidoost-Europa. De officiële en meest gesproken taal is Albanees. Het land grenst kloksgewijs aan Montenegro, Kosovo, Noord-Macedonië, Griekenland en de Ionische en Adriatische Zee.

De belangrijkste stad in Albanië is Tirana, verkozen als hoofdstad in 1920 en met ruim 900.000 inwoners in de gehele agglomeratie veruit de grootste stad van het land, andere belangrijke steden zijn havenstad Durrës, met name vanuit economisch oogpunt, en ook Shkodër, Vlorë en Krujë waar veel historie van de Albanese identiteit ligt.

In 2020 telde Albanië ruim 3 miljoen inwoners en is het land lid van de Verenigde Naties, de NAVO, de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa, de Raad van Europa en de Wereldhandelsorganisatie. Ook is Albanië één van de oprichtende leden van de Unie voor het Middellandse Zeegebied. Sinds 24 juni 2014 is het daarnaast kandidaat-lid van de Europese Unie, nadat het reeds in 2009 dat statuut aanvroeg.

Geschiedenis[bewerken | brontekst bewerken]

Zie Illyrië voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Koningin Teuta van Illyrië

Prehistorie[bewerken | brontekst bewerken]

De eerste sporen van aanwezigheid van de mens in het huidige Albanië dateren uit de oude steentijd waar in de regio van het huidige Tirana mensen tussen de bergen leefden. Vanaf het midden van het 3e millennium v.Chr. werd het gebied bewoond door Indo-Europese volkeren die een Pre-Grieks taal spraken in combinatie met een pelasgische cultuur.

Oudheid[bewerken | brontekst bewerken]

In de oudheid werd Albanië bewoond door verschillende Indo-Europese volkeren, met name door de inheemse Illyriërs en oud Grieken. De Illyrische stammen regeerden over het grootste deel van het huidige Albanië. Hun Illyrisch rijk bereikte zijn grootste omvang onder koning Agron. De Illyriërs hadden nagenoeg het grootste deel van de Balkan in handen, voornamelijk het zuidwesten van het gebied. Na de dood van Agron in 230 v.Chr., volgde zijn vrouw Teuta zijn heerschappij op. Teuta breidde het gebied vervolgens verder uit naar het zuiden, tot aan de Ionische Zee. In 229 v.Chr. verklaarde het indringende Romeinse Rijk de oorlog aan Illyrië. De oorlog eindigde in een Illyrische nederlaag in 227 v.Chr., hetgeen dat in een Romeinse verovering van de regio in 167 v.Chr. resulteerde. Na onderdeel van het Romeinse Rijk geweest te zijn, werd het gebied veroverd door het Byzantijnse Rijk. Intussen werd het van oudsher paganistisch gebied zo goed als helemaal verchristelijkt.

Middeleeuwen[bewerken | brontekst bewerken]

Zie Geschiedenis van Albanië voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Een overzicht van de onafhankelijke Albanese staten sinds het ontstaan van het land. De autonome Albanese vorstendommen worden hier toe niet meegerekend, zij maakten onderdeel uit van een vazal tijdens heerschappijen van verschillende indringende rijken in Albanië.

Onafhankelijk Albanië door de jaren heen:

Staat Vlag Jaren
Arbanon Gëziq eagle emblem.svg 1190-1256
Koninkrijk Albanië Arms of Jean dAnjou.svg 1272-1368
Prinsdom Albanië Topia coat of arms.svg 1368-1400
Vorstendom Albanië Wappen Lekë Dukagjini.png 1400-1443
Liga van Lezhë StemaeFamiljesKastrioti2.GIF 1443-1479
Modern Albanië Coat of arms of Albania.svg 1912-heden

In 1190 stichtte Progon van Kruja, stamvader van de Progoni dynastie, de allereerste Albanese staat met Krujë als hoofdstad. Progon wist Albanese onafhankelijkheid te realiseren van het Byzantijnse Rijk waarna zijn zoons Gjin Progoni en later Dhimitër Progoni zijn heerschappij opvolgden. De dynastie gebruikte de titel Prins van Arbanon om zich te manifisteren en werd zodanig erkent door andere omliggende rijken. Wat in de omgeving Krujë begon als een autonoom vorstendom wist gedurende de latere heersers Gjin en vooral Dhimitër steeds meer territoriale gebieden te overheersen, voornamelijk het zuiden van het huidige Albanië en het huidige Epirus. Na de dood van Dhimitër Progoni zou het vorstendom weer geannexeerd worden door het Byzantijnse Rijk, waarna het van 1240 tot 1256 deel uitmaakte van het Bulgaarse Rijk.

De eerstvolgende Albanese staat zou in 1272 weer gesticht worden door Karel I, met behulp van de lokale Albanese vorsten, onder de naam Koninkrijk Albanië. Het koninkrijk breidde zich uit naar steeds meer land op de Balkan. Een poging om Constantinopel te veroveren mislukte echter tijdens het beleg van Berat door een Byzantijnse tegenaanval. De heerschappij van de Albanese koning werd door de Byzantijnen geminimaliseerd en een groot stuk land werd wederom weer grondgebied van de Byzantijnen. Het Koninkrijk Albanië behield alleen nog de regio rondom Durrës. Tussen de 13e en 14e eeuw werd het gebied vervolgens verdeeld tussen het Republiek Venetië en het Servische keizerrijk.

Nadat de Albanese prins Karl Thopia samen met de Muzaka dynastie alle resterende indringers, de Serviërs en de Venetianen, uit Albanië had verdreven stichtte hij het Prinsdom Albanië in het jaar 1368. Dit was niet de eerste keer dat de Thopia dynastie zou heersen. Zijn vader Tanush Thopia was sinds 1328 graaf van Mat en had enkele autonome vorstendommen onder heerschappij van andere rijken. Karl wist zich te onderscheiden wat voor aanzien zorgde. Hij was immers heerser van een onafhankelijke Albanese staat wat niet afhankelijk was van een grotere macht. Zijn nageslacht Gjergj Thopia en Nikita Thopia volgden zijn heerschappij op.

Karl Thopia, één van de succesvolste Albanese heersers gedurende het middeleeuwse prinsdom.

Na de val van de Thopia dynastie zou de eerstvolgende onafhankelijke Albanese staat in 1400 weer uitgeroepen worden door Pal Dukagjini, een rooms-katholieke priester uit Noord-Albanië. Dit was een vorstendom dat later zou uitbreiden naar het westen van Kosovo en het zuiden van Montenegro onder prins Lekë Dukagjini. In 1444 besloten alle Albanese vorsten in deze staat, verspreid over verschillende gebieden met ieder een eigen autonoom vorstendom, zich te verenigen tot één staat, de Liga van Lezhë, deze werd geleid door Gjergj Kastrioti. De reden van deze samenwerking van alle adellijke families was om de indringende Venetianen en Ottomanen te bestrijden. Onder leiding van Gjergj Kastrioti en zijn voornaamste compagnons Lekë Dukagjini, Vrana Konti en Vladan Gjurica werd vanaf de 15e eeuw gevochten tegen de Venetianen en Ottomanen. De Albanees-Venetiaanse Oorlog duurde kort en was succesvol, de Albanezen wisten de Venetianen te verdrijven uit Albanië en hun gebied te behouden. Vlak hierna begon de strijd tegen de Ottomaanse sultans. De Albanezen wonnen veel veldslagen tegen de legers van de sultans die onder leiding van Murat II de volkeren van de Balkan wilden inlijven bij het Ottomaanse Rijk. Overwinningen van de Albanezen op de Ottomanen waren onder anderen het Beleg van Krujë, de Slag van Mokra en de Slag bij Oronichea. Aanvankelijk vochten de Serviërs ook mee tegen de Ottomanen om de Balkan te beschermen tegen de Turkse heerschappij, maar bij latere veldslagen steunden de Serviërs de Ottomanen. Mede hierdoor, en de dood van Skanderbeg, kregen de Ottomanen Albanië langzaam maar zeker in hun bezit. Dit duurde echter nog tot 1479. In dit jaar werd de Liga van Lezhë, onder leiding van Skanderbeg's opvolger Prins Lekë, definitief verslagen door de Ottomanen na jarenlang verzet. Een langdurige overheersing volgde. Vanaf deze periode hadden de Albanezen nog maar enkele autonome vorstendommen.

Modern Albanië (1912-heden)[bewerken | brontekst bewerken]

De Albanese opstand tegen de Turken leefde weer op en ontstond in de 18e eeuw waarna het werd voortgezet in de 19e eeuw. De Albanezen streefden naar onafhankelijkheid en zo ontstond het Albanees nationalisme in combinatie met diverse guerrilla-bewegingen. Ondanks dit grote millitair offensief tegen de Turken en overwinningen in verschillende veldslagen onder commandant Isa Boletini, wisten de Albanezen geen erkende onafhankelijkheid te realiseren maar was dit wel de eerste stap naar de gewenste onafhankelijkheid, die enkele maanden later, in november 1912, werkelijkheid zou worden.

Het huidige Albanië werd op 28 november 1912 gesticht door Ismail Qemali. Albanië werd na ruim 400 jaar Turkse overheersing inmiddels een overwegend islamitisch land. Waar andere etnische groepen het christendom behielden, koos het meerendeel van de Albanezen om zich te bekeren tot de islam. De redenen hiervan waren, naast de privileges die moslims kregen gedurende het Ottomaanse Rijk, om zich te onderscheiden van de Grieken en Serviërs. Uit historisch oogpunt blijkt dat de Albanezen zich nooit identificeerden met een religie, zo wisselden zij vaker van religieuze voorkeur en speelde de etniciteit een belangrijker rol in de Albanese cultuur. Ook blijkt dat de aantallen Albanezen die de islam daadwerkelijk praktiseren minimaal is[4]. Verder bracht de eeuwenlange Ottomaanse heerschappij van Albanië niet veel goeds. Ondanks dat de Albanezen wel hoge rangen binnen de Ottomaanse hiërarchie hadden, groeide het land niet mee. Buurlanden Servië en Griekenland werden door de Ottomanen gemoderniseerd waar Albanië achter bleef als het gaat om ontwikkeling. Op 29 juli 1913 bepaalde de Vrede van Londen de landsgrenzen op de Balkan. Albanese gebieden werden verdeeld tussen Servië, Montenegro en Griekenland waardoor veel etnische Albanezen buiten Albanië kwamen te wonen. Onder druk van vooral Oostenrijk-Hongarije en Italië werd het land door de internationale gemeenschap erkend.

Communist Enver Hoxha (1908-1985)
Koning Zog I van Albanië (1895-1961)

In 1928 werd het land een Koninkrijk onder Zog I van Albanië, met steun van Italië. De Italianen brachten beschaving en bouwden mee aan modernisering van het land. Zo kende het Albanese leger Italiaanse invloeden en werd ook de infrastructuur van het land sterk verbeterd. Van 1939 tot 1943 annexeerde Italië het gebied en was het Koninkrijk Albanië een protectoraat van het Koninkrijk Italië, geregeerd door Victor Emmanuel III.

In oktober 1940 besloot het leger van Albanië een aanval in te zetten tegen de Grieken. Een tegenaanval van Griekenland leidde echter ertoe dat een aanzienlijk deel van Zuid-Albanië onder Griekse hoede kwam, met name Epirius, historisch gezien in belangrijke plek voor de Albanezen. In april 1941 werden gebieden van Joegoslavië met aanzienlijke Albanese bevolking verenigd aan Koninkrijk Albanië, dit waren het westen van Noord-Macedonië, het oosten van Montenegro en het grootste deel van het huidige Kosovo. Tijdens de Tweede Wereldoorlog begon Nazi-Duitsland het land in september 1943 te bezetten en kondigde vervolgens later aan dat ze de onafhankelijkheid van Albanië zouden erkennen, mits Albanië een neutrale staat zou worden. Echter duurde het tot november 1944 tot de Duitse troepen Albanië zouden verlaten na verzet van de Albanese bevolking.

Na de Tweede Wereldoorlog werd het land een satellietstaat van de Sovjet-Unie en raakte Albanië voor de rest geïsoleerd van andere landen. Enver Hoxha was staatshoofd van het nieuwe opgerichte Volksrepubliek Albanië in 1946. Enver Hoxha had nauwe banden met Jozef Stalin, voor wie hij bewondering had. Nadat Josip Tito in conflict raakte met Stalin en Hoxha kritiek had op de Joegoslavische regering en de manier van omgaan met de Albanese minderheid aldaar, stak Enver Hoxha veel energie in het Albanese Volksleger. Het telde 60.000 soldaten aan mankracht en 450.000 reserve personeel. In Albanië werden in die jaren tevens vele bunkers gebouwd. Een aanval van Joegoslavië op Albanië bleef hierom ook uit. Na de dood van Stalin werd de band met de Sovjet-Unie minder en ontwikkelde Albanië banden met andere communistische landen, onder meer met Volksrepubliek China. In deze periode kende het land een toenemende industriële beschaving, verstedelijking en economische groei die leidde tot een hogere levensstandaard. Ook op het gebied van onderwijs maakte Albanië stappen en werd analfabetisme geminimaliseerd. Enver Hoxha maakte van Albanië het eerste atheïstische land in de wereld. Het praktiseren van religie werd verboden waarna kerken en moskeeën werden gesloten en gesloopt.

Na verkiezingen in 1991 kwam er na 40 jaar een einde aan het communisme in Albanië. Sindsdien is Albanië een parlementaire democratie. Albanië werd sindsdien lid van verschillende internationale organistaties en is daarbij kandidaat-lid van de Europese Unie. Sinds september 2013 is Edi Rama de premier van Republiek Albanië, waarna hij twee keer herkozen werd door de Albanese bevolking tijdens de verkiezingen van 2017 en 2021. Ilir Meta is president van het land.

Geografie[bewerken | brontekst bewerken]

Satellietfoto van Albanië

Albanië ligt in zuidwesten van het Balkanschiereiland en grenst aan Montenegro, Kosovo, Noord-Macedonië en Griekenland. Het heeft een oppervlakte van 28.748 km² en is ruw en bergachtig, behalve de vruchtbare Adriatische kust. De Korab (2763 m), op de grens met Noord-Macedonië, is het hoogste punt van het land.

De belangrijkste rivieren van Albanië zijn de Drin, de Mat, de Shkumbin, de Vjosë en de Seman, maar de meeste zijn onbevaarbaar. De grootste meren zijn het Meer van Shkodër, het Meer van Ohrid en het Prespameer, alle ten dele buiten Albanië. Meer dan een derde van het land bestaat uit bossen en moerassen, meer dan een derde is weiland en slechts ongeveer een vijfde is gecultiveerd.

Albanië is niet rijk aan eilanden. Het land telt een tiental kleine onbewoonde eilanden voor de kust, plus een aantal nog kleinere eilanden in zijn meren. Het grootste eiland is Sazan, dat aan de ingang van de Golf van Vlorë gelegen is.

Klimaat[bewerken | brontekst bewerken]

Het kustklimaat is typisch mediterraan, met hete, droge zomers en milde, natte winters. Het bergachtige binnenland, vooral in het noorden, heeft strenge winters en milde zomers.

Steden (bashki)[bewerken | brontekst bewerken]

De hoofdstad Tirana is met 557.422 inwoners (2011) veruit de grootste stad van het land. De hele agglomeratie Tirana telde in 2008 een kleine 900.000 inwoners.

Durrës, dat de grootste haven van Albanië heeft en ook het nationale spoorwegknooppunt is, is de tweede stad (175.110 inwoners). Andere grote steden (bashki) zijn respectievelijk (inwoneraantal volgens de volkstelling van 2011):

  1. Elbasan (141.714)
  2. Shkodër (135.612)
  3. Fier (120.655)
  4. Vlorë (104.827)
  5. Kamëz (104.190)

Archeologische plaatsen[bewerken | brontekst bewerken]

Bezienswaardigheden[bewerken | brontekst bewerken]

Bestuurlijke indeling[bewerken | brontekst bewerken]

Zie Bestuurlijke indeling van Albanië voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Albanië kent naast de centrale overheid ook andere bestuurslagen, territoriale onderdelen waar regels vastgesteld en/of beslissingen worden genomen over bepaalde gebieden en/of hun bewoners. Het betreft de volgende bestuurslagen:

Bestuurslagen[5][a]
centraal niveau prefectuurniveau lokaal niveau
Republiek Albanië
  • Republika e Shqipërisë
prefecturen[b]
  • qarku
gemeenten[c]
  • bashki
bestuurseenheden[d]
  • njësia administrative
  1. De aanduidingen zijn in de ambtstaal Albanees.
  2. De prefecturen zijn ingedeeld in districten (rrheti) zonder bestuurlijke of administratieve rol.
  3. In plaats van gemeente wordt ook wel de vertaling municipaliteit of stad gebruikt.
  4. In 2015 is de bestuursvorm gemeente (komunë) afgeschaft. Deze zijn binnen de nieuwe gemeenten opgevolgd door bestuurseenheden, met alleen gedeconcentreerde taken.

Demografie[bewerken | brontekst bewerken]

Zie Bevolking van Albanië voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Bevolkingsontwikkeling van Albanië

Het ruwe en ontoegankelijke terrein van het land heeft het traditionele Albanië van zijn buren geïsoleerd, waardoor de etnische homogeniteit werd behouden. Volgens een schatting uit 2011 is ongeveer 82,6% van de bevolking etnisch Albanees, 0,9% is Grieks en er zijn verspreide Vlach-, Bulgaarse, Servische en Roma-minderheden.[6]

Albanië kan worden beschouwd als een typisch Balkanland, maar het onderscheidt zich in een aantal opzichten van zijn naaste buren. De bevolking is tamelijk homogeen, de islam is er de dominerende godsdienst en de Albanese taal neemt binnen de Indo-Europese taalfamilie een aparte positie in.

Een groot deel van de etnische Albanezen woont buiten Albanië. In de eerste plaats in Kosovo (al bezien sommigen dat nog altijd als deel van Servië), waarmee er lang een grensgeschil is geweest. Na afloop van de Kosovo-oorlog (juni 1999) werd Kosovo door de VN onder internationaal bestuur geplaatst. Dit heeft geresulteerd in autonomie voor Kosovo en de facto onafhankelijkheid van Servië. 88% van de inwoners van Kosovo is Albanees (2000). Op 17 februari 2008 verklaarde het parlement van Kosovo eenzijdig, in overleg met de Verenigde Staten en het Europese Parlement, de onafhankelijkheid. In eerste instantie leidde dat tot erkenning van het merendeel van de NAVO-landen en die van de Europese Unie, op een paar uitzonderingen na. Kosovo wordt sindsdien erkend door 88 landen.[7]

Tevens is 25% van de bevolking van Noord-Macedonië etnisch Albanees (2002). Daarnaast een aanzienlijk aantal in Griekenland (Epirus) en kleine aantallen in Montenegro en Servië (afgezien van Kosovo). Sinds de Turkse verovering wonen de Arbëreshë in Zuid-Italië, eveneens van Albanese afkomst. De Albanese diaspora in West-Europa en in de Nieuwe Wereld is omvangrijk.

Albanië betekent zoveel als 'het land van de witte bergen'. De Albanese benaming Shqipëri betekent 'land van de adelaar'. Deze adelaar staat ook op de vlag, waarop hij zwart wordt afgebeeld tegen een rode achtergrond.

Taal[bewerken | brontekst bewerken]

Het Albanees, de enige officiële taal, vormt net zoals het Armeens en het Grieks een aparte tak binnen de Indo-Europese taalfamilie. De Shkumbinrivier, die het land ruwweg in tweeën verdeelt, scheidt sprekers van het noordelijke dialect, het Gegisch (1,8 miljoen sprekers in Albanië), van die van het zuidelijke dialect of Toskisch (2,9 miljoen). De Albanese standaardtaal is gebaseerd op het Toskisch. Naast het Gegisch (dat ook de voertaal is in het grootste deel van Kosovo) en Toskisch zijn er nog twee andere varianten van het Albanees, het Arberisch en het Arvanitika, die gesproken worden door Albanese minderheden in respectievelijk Zuid-Italië en Griekenland. Alle vier deze varianten worden door sommige bronnen als afzonderlijke talen beschouwd. De Albanese Gebarentaal wordt gebruikt door 205.000 mensen. Een aantal Albanezen heeft Italiaans of Frans als tweede taal. Dit wordt veroorzaakt door de geschiedenis van het land en het onderwijs.

Overige inheemse talen in Albanië zijn het Grieks (15.200 sprekers), Macedonisch (4440), Vlach Romani (4000), Aroemeens (3850) en de Montenegrijnse variant van het Servisch (66). De twee belangrijkste immigrantentalen zijn het Turks (710 sprekers) en het Italiaans (520). Massamedia in de Italiaanse taal zoals televisie en radio zijn beschikbaar in heel Albanië en zijn er geliefd.[bron?]

Religie[bewerken | brontekst bewerken]

Verspreiding per religie in Albanië.

Vanuit historisch oogpunt hebben verschillende monotheïstische godsdiensten een rol gespeeld in de geschiedenis van Albanië. Zo brachten verschillende kolonisten hun religie naar Albanië, wat van oudsher een paganistisch gebied was. De Byzantijnen brachten de orthodoxe kerk, de Romeinen de rooms-katholieke kerk en de Ottomanen de islam.

Het huidige Albanië is een seculiere staat en kent dus geen officiële religie. Het land is zeer tolerant en heeft een vrijheid van godsdienst. Ondanks dat Albanië een multireligeus land is, verenigen de inwoners, vooral de etnische Albanezen, elkaar door de nationale identiteit en de Albanese vlag. Religie speelt doorgaans geen belangrijke rol in de Albanese cultuur.

Er zijn in praktijk twee religies dominant in Albanië, de islam en het christendom. De islam is met 56% de grootste religie in Albanië, het rooms-katholieke geloof vindt men hoofdzakelijk in het noorden en in het centrum van het land en de orthodoxe kerk heeft vooral volgelingen in Zuid-Albanië.

De religieuze voorkeur verschilt per bevolkingsgroep, zo zijn de meeste etnische Albanezen moslim met een katholieke en orthodoxe minderheid. De slavische volkeren, enkele Montenegrijnen en Kroaten in het noorden, zijn respectievelijk orthodox en rooms-katholiek. In Albanië is er verder ook een Griekse minderheid, zij hangen voornamelijk de orthodoxe kerk aan.

Cultuur[bewerken | brontekst bewerken]

Volkshelden[bewerken | brontekst bewerken]

Gjergj Kastrioti (Skanderbeg), de nationale volksheld van de Albanezen

Albanië kent een rijke historie aan volkshelden en sluit deze volkshelden enorm in het hart. Door het feit dat Albanezen vaak te maken hadden met diverse overheersers en dit nooit echt tot assimilatie leidde zijn zij een enorm trots volk.

Vlag van Albanië[bewerken | brontekst bewerken]

De vlag van Albanië verwijst naar het embleem van volksheld Skanderbeg, die de prominente rode vlag met de zwarte adelaar voor het eerst in 1443 gebruikte in de strijd tegen de Ottomanen.

Albanese keuken[bewerken | brontekst bewerken]

De Albanese keuken verschilt niet veel van andere keukens in de nagelegen buurlanden op de Balkan. Populaire gerechten zijn de gevulde paprika, sarma, cevapcici en burek. Ook het nuttigen van alcohol is gebruikelijk tijdens het avondmaal, ondanks dat de kleine meerderheid in Albanië, 56%, de islam aanhangt.

Muziek[bewerken | brontekst bewerken]

Albanese volksmuziek is een belangrijk onderdeel van de nationale identiteit. Volksmuziek kan echter wel verschillen per gebied, in het noorden van Albanië leven de Gegen en in het zuiden de Tosken. Vaak is de boodschap wel hetzelfde en gaat het vooral over de nationale trots en het verenigen van een etnisch Albanië.

Bekende internationale artiesten van Albanese afkomst zijn Dua Lipa, Ava Max, Bleona Qereti, Era Istrefi en Bebe Rexha.

Media en televisie[bewerken | brontekst bewerken]

De Radio Televizioni Shqiptar (RTSH) is de publieke omroep van Albanië die de belangrijkste televisie en radioprogramma's produceert. Andere populaire omroepen zijn Top Channel, Televizioni Klan en Vizion Plus. De zenders richten zich naast de Albanezen in Albanië ook op de etnische Albanezen in de omringende landen.

Sport[bewerken | brontekst bewerken]

De populairste sport in Albanië is voetbal. Het nationale elftal kwalificeerde zich in oktober 2015 voor het eerst voor een groot eindtoernooi, het EK 2016 in Frankrijk. De drie grootste en populairste voetbalclubs in Albanië zijn KF Tirana, Partizan Tirana en KS Vllaznia Shkodër. Zij spelen in de Kategoria Superiore, de hoogste voetbalcompetitie van het land.

Een andere populaire sport in Albanië is volleybal. Doorgaans wordt het vooral door vrouwen uitgeoefend.

Economie[bewerken | brontekst bewerken]

Zie economie van Albanië voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Albanië, dat in beide wereldoorlogen zwaar gehavend werd, heeft van alle Europese landen de laagste levensstandaard. In 2010 had Albanië een bruto binnenlands product (bbp) van 1236 miljard lek of zo’n 9 miljard euro.[8] Per hoofd van de bevolking is dit iets minder dan 3000 euro. Het land telt ruim 1 miljoen arbeidskrachten waarvan ongeveer de helft zich bezighoudt met de landbouw;[6] de meerderheid van de rest van de bevolking is betrokken bij een of andere vorm van industrie.

De economie van het land haperde vooral in de vroege jaren negentig van de twintigste eeuw toen Albanië snel van een strak gecontroleerd systeem tot een markteconomie probeerde over te gaan. Tijdens deze periode was het werkloosheidscijfer ongeveer 40%, maar tegen het eind van het decennium was dit weer gedaald tot 20%.

De landbouw werd vroeger gesocialiseerd in de vorm van collectieve en staatslandbouwbedrijven, maar in 1992 was alle landbouwgrond geprivatiseerd. Tarwe en graan, katoen, tabak, aardappels en suikerbieten worden gekweekt en vee wordt gefokt. Albanië is rijk aan delfstoffen, in het bijzonder olie, bruinkool, koper, chroom, kalksteen, zout, bauxiet en aardgas. De chemische industrie, mijnbouw, landbouwverwerking en de vervaardiging van textiel, kleding, timmerhout en cement zijn de belangrijkste industriële sectoren. Het land heeft verscheidene hydro-elektrische installaties. Door de economische neergang tijdens de jaren 90 blijft Albanië hoofdzakelijk een ontwikkelingsland.

De buitenlandse handel geschiedt voornamelijk via de zee. De uitvoer van Albanië bestaat voornamelijk uit de natuurlijke rijkdommen en levensmiddelen en de invoer vooral uit machines, andere industrieproducten en consumptiegoederen. De belangrijkste handelspartners zijn Italië, Griekenland, Turkije, Duitsland en China.[6] In de vroege jaren negentig werd Albanië lid van het Internationaal Monetair Fonds en van de Wereldbank.

Economische cijfers[bewerken | brontekst bewerken]

  • Munteenheid: lek (ALL) (100 qindarka); koers: ALL 1 = EUR 0,0075 (2017)
  • Bruto binnenlands product: US$13,16 miljard (2013)[9]
    • Aandelen per sector: landbouw (17,5%), industrie (15,3%) en diensten (67,2%) (2013)[9]
  • Inflatie: 2% (2013)[9]
  • Beroepsbevolking: 1,129 miljoen (2013)[9]
    • Aandelen per sector: landbouw (47,8%), industrie (23,0%) en diensten (29,2%) (2010)[9]
    • Werkloosheid: 12,9% (2013)[9]
  • Export: $1,226 miljard (2013)[9]
  • Import: $4,115 miljard (2013)[9]
    • Importpartners: Italië (31,9%), Griekenland (9,5%), China (6,4%), Duitsland (6,0%) en Turkije (5,7%) (2012)[9]

Toerisme[bewerken | brontekst bewerken]

Zie toerisme in Albanië voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Door het strenge communistische beleid dat Albanië heeft gekend, en dat het land gedurende decennia grotendeels gesloten hield voor buitenlandse bezoekers, staat het toerisme in Albanië nog in de kinderschoenen, en is de infrastructuur naar West-Europese normen beperkt. De Albanese toerisme-industrie groeit echter elk jaar, en speelt een steeds prominentere rol in de Albanese economie.

De relatief ongerept gebleven Albanese kustlijn, met in het zuiden Sarandë en de Albanese Rivièra en in het noorden Durrës en Shëngjin, is nog steeds vooral populair bij de Albaneestaligen zelf, maar langzaam maar zeker trekt ze ook westerlingen aan. Andere troeven van Albanië zijn vooral de unieke cultuur en taal, ontstaan door de afwisselende overheersingen die Albanië in zijn woelige geschiedenis heeft gekend, de ongerepte berggebieden in het noorden en zuidoosten, en de bruisende steden, met name Tirana.

Reisgidsenuitgeverij Lonely Planet plaatste Albanië in 2010 op nummer één van haar top tien van te bezoeken landen in 2011.

Politiek[bewerken | brontekst bewerken]

Politiek systeem[bewerken | brontekst bewerken]

Plenaire zaal van de Volksvergadering van Albanië.

Albanië is een republiek met een parlement dat uit één kamer bestaat, de Volksvergadering van Albanië (Kuvendi i Shqipërisë), waarvan de afgevaardigden via algemene verkiezingen voor de termijn van vier jaar worden gekozen. Het parlement kiest de president voor een termijn van vijf jaar, en de president benoemt de premier. De uitvoerende macht wordt uitgeoefend door een ministerraad die door de premier wordt benoemd en door de president wordt goedgekeurd.

De laatste parlementsverkiezingen in Albanië vonden plaats op 25 juni 2017. De sociaaldemocratische lijst van premier Edi Rama behaalde een duidelijke overwinning.

Staatshoofden[bewerken | brontekst bewerken]

Zie Lijst van staatshoofden van Albanië voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De voorgangers van Ilir Meta als staatshoofd waren de volgende (sinds 1925):

Internationale betrekkingen[bewerken | brontekst bewerken]

Albanië is lid van de Verenigde Naties, de NAVO, de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa, de Raad van Europa, de Wereldhandelsorganisatie en de Organisatie voor Islamitische Samenwerking en is een van de oprichtende leden van de Unie voor het Middellandse Zeegebied. Sinds 2014 is het land kandidaat-lid van de Europese Unie.

In Tirana zijn 35 buitenlandse ambassades gevestigd, daarnaast zijn er over de rest van het land nog een viertal Griekse en Italiaanse consulaten verspreid. Albanië zelf onderhoudt 36 ambassades in het buitenland.

Albanese Strijdkrachten[bewerken | brontekst bewerken]

Zie Krijgsmacht van Albanië voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Sinds de onafhankelijkheid van Albanië in 1912 heeft het land haar eigen nationale leger. Deze bestaat uit de generale staf van Albanië, de Albanese landmacht, de Albanese luchtmacht, de Albanese marine en het militair politiekorps van Albanië.

Albanië trad in 2009 toe tot de NAVO. Het Albanese leger is sinds de toetreding bij de NAVO behoorlijk gemoderniseerd. Het krijgt naast extra financiële middelen van Duitsland, Italië en de Verenigde Staten ook steun in modernere wapens. Ook worden de Albanese soldaten getraind volgens de NAVO-richtlijnen. De diensplicht in Albanië is in 2010 afgeschaft. De minimum leeftijd is 18 jaar oud.

Verkeer en vervoer[bewerken | brontekst bewerken]

De enige luchthaven in Albanië met lijndiensten is de luchthaven van Tirana, die in 2007 volledig werd vernieuwd. Albanië heeft geen nationale luchtvaartmaatschappij. 's Lands grootste maatschappij is de lagekostenmaatschappij Belle Air, die echter sinds eind 2013 geen vluchten meer uitvoert.

De Albanese spoorwegen zijn circa 677 kilometer lang (1986). Het spoorwegnet verkeert in slechte staat en wordt weinig gebruikt.

Het wegennet meet in totaal circa 18.000 kilometer, waarvan 5400 kilometer is geasfalteerd. De wegen zijn niet altijd in even goede staat. Vooral in het afgelegen zuiden is de weg op veel plekken versleten. Meestal zijn alleen de snelwegen en 'rode wegen' op een autokaart geasfalteerd. Sinds 2006 zijn er drie nieuwe snelwegen in aanleg die oost-west en noord-zuid met elkaar verbinden. De noord-zuid route is 440 kilometer lang en loopt van Hani i Hotit aan de grens met Montenegro via Gjirokastër tot aan de grens met Griekenland en Sarandë. De oost-west route begint bij de Griekse grens in Bilisht. De weg voert langs Pogradec vlak bij de Macedonische grens en Elbasan naar Durrës. De totale lengte is 279 kilometer. De route die reeds in gebruik is genomen verbindt Durrës met Kukës en de grensovergang met Kosovo, Qafa e Morinës. De lengte van deze verbinding bedraagt 170 kilometer.

Er zijn verbindingen per veerboot vanop het Griekse eiland Korfoe naar Sarandë, vanuit Bari (Italië) naar Durrës of vanuit het Italiaanse Brindisi naar Durrës of Vlorë.

Externe links[bewerken | brontekst bewerken]

Commons heeft mediabestanden in de categorie Albanië.
Zie ook de Atlas van Albanië op Wikimedia Commons.