Beleg en val van Constantinopel (1453)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Beleg en val van Constantinopel (1453)
Onderdeel van de Byzantijns-Ottomaanse oorlogen
De belegering van Constantinopel (miniatuurschildering, Parijs, 1499)
De belegering van Constantinopel (miniatuurschildering, Parijs, 1499)
Datum 2 april tot 29 mei, 1453
Locatie Constantinopel, Byzantijnse Rijk
Resultaat Beslissende Ottomaanse overwinning,[1]
einde van het Byzantijnse Rijk.
Strijdende partijen
Flag of Palaeologus Emperor.svg Byzantijnse Rijk Flag of the Ottoman Sultanate (1299-1453).svg Ottomaans Sultanaat
Commandanten en leiders
Constantijn XI Paleologus
Loukas Notaras
Giovanni Giustiniani[2]
Mehmet II
Zağanos Pasha
Troepensterkte
5.000 militia soldaten
2.000 Italiaanse huurlingen[3]
26 schepen[4]
80.000[5], 70.000[6] of 200.000[7]
126 schepen[8]
Verliezen
De meeste Byzantijnse verdedigers
sommige huurlingen[9]
ongeveer 4.000 burgers[10]
Onbekend

Het beleg van Constantinopel in 1453 door de legers van het Ottomaanse Rijk onder leiding van sultan Mehmet II en de uiteindelijke val van Constantinopel op dinsdag 29 mei 1453 betekende het einde van het Byzantijnse of Oost-Romeinse Rijk. Het was vanuit strategisch oogpunt een belangrijke overwinning voor de Ottomanen om hun macht te kunnen uitbreiden in het oostelijk Middellandse Zeegebied en op de Balkan en vanuit politiek oogpunt betekende de dood van Constantijn XI Paleologus, de laatste keizer van Byzantium, het formele einde van het Byzantijnse Rijk. Daarom wordt het vaak door historici beschouwd als het einde van de middeleeuwen.

Wat vooraf ging[bewerken]

Het Byzantijnse Rijk rond 1400.

In haar meer dan 1.100 jaar lange geschiedenis werd Constantinopel wel twaalf keer belegerd, maar slechts tweemaal ingenomen. De eerste maal door de Frankische kruisvaarders tijdens de Vierde Kruistocht in 1204, waarbij het Latijnse Keizerrijk werd gesticht, maar dat in 1261 door Byzantijnse huurlingentroepen onder leiding van Michael Palaeologus vanuit het keizerrijk Nicea werd heroverd. In de volgende twee eeuwen, werd het erg verzwakte rijk geleidelijk aan door een nieuwe vijand, het Ottomaanse Rijk, veroverd. Het "rijk" bestond in 1453 uit niet veel meer dan de stad Constantinopel zelf en een deel van de Peloponnesos (met het fort van Mystras als centrum). Ook het keizerrijk Trebizonde, een volledig onafhankelijke opvolgerstaat gevormd in de nasleep van de Vierde Kruistocht, bleef voortbestaan aan de kust van de Zwarte Zee. Vele historici beschouwen de val van Constantinopel (voor haar val een belangrijke handelsstad) als een van de redenen waardoor vele landen werden gemotiveerd om een weg naar Indië te vinden wat zou leiden tot de westerse ontdekking van Noord- en Zuid-Amerika

Het beleg van Constantinopel[bewerken]

Een plattegrond van de stad.

In 1422 had Murat II, die een einde had gemaakt aan dynastieke twisten, beleg geslagen voor Constantinopel, verwikkeld in de intriges van het Ottomaanse hof. Hij plunderde de Byzantijnse bezittingen op de Peloponnesos. De sultan onderhandelde desalniettemin over een vredesverdrag en tribuut Johannes VIII Paleologus teneinde terug te keren om een opstand in Anatolië neer te slaan. In 1430, wordt Thessaloniki door de Turkse strijdmachten ingenomen en geplunderd.

De Ottomaanse opkomst wordt steeds meer voelbaar en de basileus Johannes VIII Paleologus is vastberaden om tot een akkoord met de kerk van Westen te komen. Derhalve onderneemt hij in 1438 een reis over zee naar Italië en brengt met zich theologen en bisschoppen mee (zij waren met bijna 700 om de reis te maken). De twee kerken herenigden zich op het concilie van Ferrara-Florence. In 1439 wordt er vrede tussen de Latijnse en orthodoxe kerken gesloten.

In 1440 worden de Turken voor Belgrado teruggedreven en de paus ontleent hieraan een grote hoop. Hij preekt dus voor een nieuwe kruistocht. Deze wordt door Wladislaus geleid, koning van Polen en Hongarije. In 1444 worden de kruisvaarders tot de aftocht gedwongen in de slag bij Varna, waarbij Wladislaus sneuvelde.

De val van Constantinopel[bewerken]

„Und ein solchs Plutvergießen das plutig Beche durch die Stat fluß. So warden die heilligen Götzheuser unnd Tempel erbermlich und grausamlich befleckt und enteeret und vil unmenschlicher Boßheit und Myßtat durch die wütenden Türken gegen dem cristenlichen Plut geübt.“ Bericht over de verovering van Constantinopel uit de Schedelsche Weltchronik van 1493. Vooraan rechts op het stadszicht is de Hagia Sophia te herkennen.

Sultan Mehmet II bood aan de belegering op te heffen in ruil voor een aantal voorwaarden. Toen dit werd afgewezen, plande Mehmet de muren door brute macht in te nemen, daar hij wist dat de Byzantijnse verdedigers eerder zouden zijn uitgeput dan zijn troepen.

Op 24 mei 1453[11] vond er een verduistering van de maan, het symbool van Constantinopel, plaats. Hiermee werd een voorspelling over de val van de stad werkelijkheid. Vier dagen later was de hele stad in een dikke mist gehuld, een fenomeen dat in dat deel van de wereld niet voorkomt in de maand mei. Toen de mist 's avonds wegtrok, "overspoelden vlammen de koepel van de Hagia Sophia en ook lichten konden worden gezien vanop de muren, glinsterend in het afgelegen platteland ver achter het Turkse kamp (naar het westen toe)"[12]. Dit werd door sommigen gezien als de Heilige Geest die de kathedraal ontvluchtte.

Op de morgen van 29 mei begon de aanval. De eerste golf van aanvallers, de Azabs (hulptroepen), waren slecht getraind en uitgerust en hadden slechts tot doel zo veel mogelijk Byzantijnse verdedigers te doden. De tweede aanval, die grotendeels door Anatoliërs werd gedaan, concentreerde zich op een deel van de Blachernaemuren in het noordwestelijke deel van de stad, dat al gedeeltelijk door het kanon was beschadigd. Dit deel van de muren was van veel recentere datum (11e eeuw) en veel zwakker dan de rest. Het was daar waar de kruisvaarders in 1204 door de muren waren doorgebroken. De Ottomaanse aanvallers waren ook in staat door te breken, maar werden even snel teruggeslagen door de Byzantijnse verdedigers. De Byzantijnen slaagden er ook tijdelijk in om de derde aanval door het elitekorps van de Sultan, de Janissaren, af te slaan, maar de Genuese generaal die de infanterie leidde[13], Giovanni Giustiniani werd zwaargewond tijdens de aanval en zijn evacuatie van de verdedigingmuren zorgde voor paniek onder de rangen van de verdediger. Bronnen die vijandig waren tegenover de Genuees (zoals de Venetiaan Nicolò Barbaro[14]), zeggen echter dat Giustiniani slechts licht of helemaal niet gewond was, maar overweldigd door vrees, de wond veinsde om het slagveld te verlaten, en zo de val van de stad te bezegelen. Deze beschuldigingen van lafheid en verraad waren zo wijdverspreid dat de Republiek van Genua diplomatieke brieven naar de Kanselarijen van Engeland, Frankrijk, het hertogdom Bourgondië en anderen moest sturen om het te ontkrachten[15].

Sommige historici[16] suggereren dat de Kerkoportapoort in de Blachernaewijk niet was afgesloten, en dat de Ottomanen spoedig deze fout ontdekten (het was zeker geen kwestie van omkoperij of misleiding; de poort was eenvoudigweg over het hoofd gezien, vermoedelijk omdat puin van een kanonsaanval de poort aan het zicht had onttrokken of geblokkeerd). De Ottomanen stormden aldus de stad binnen. In de paniek die volgde, renden Griekse soldaten naar huis om hun eigen gezinnen te beschermen; de Venetiërs vluchtten naar hun schepen. Volgens een bepaalde lezing van de geschiedenis wierp Constantijn XI zijn purperen mantel terzijde en leidde hij zelf de laatste uitval tegen de naderende Ottomanen, waarbij hij met zijn soldaten omkwam in de straten van Constantinopel. Volgens het dagboek van een ooggetuige, Nicolò Barbaro, zou hij zich echter hebben verhangen. Het einde van Constantijn XI blijft in nevelen gehuld.

Een deel van de bevolking wist te ontsnappen, mede doordat de Ottomaanse soldaten meer belangstelling hadden voor de buit dan voor de vluchtelingen. Venetiaanse soldaten braken de poort naar de Gouden Hoorn door, waar de schepen zich vulden met Venetianen, gevolgd door de Genuezen. Zelfs het keizerlijke schip wist de haven op tijd te verlaten.

Intussen was een groot deel van de bevolking samengestroomd in de Hagia Sophia in de hoop op bescherming, maar de Ottomaanse troepen wisten het gebouw binnen te komen en verdeelden de aanwezigen op basis van de prijs die ze op de slavenmarkten zouden opbrengen. Mehmet II gaf zijn troepen drie dagen de tijd de stad te plunderen, waarbij de soldaten soms met elkaar om de buit vochten. Volgens de historicus Philip Mansel werden duizenden burgers gedood en dertigduizend tot slaaf gemaakt of gedeporteerd.

De verliezen onder de Ottomanen zijn onbekend maar moeten volgens de meeste historici aanzienlijk zijn geweest, vanwege de verscheidene mislukte pogingen de stad in te nemen.

Nasleep[bewerken]

Op de derde dag na de verovering riep Mehmet II het plunderen een halt toe. Volgens de Byzantijnse historicus Gregorius Sphrantzes beloofde Mehmet aan de vluchtelingen en aan hen die nog niet ontdekt waren, dat ze naar hun huizen konden terugkeren en hun positie weer konden innemen alsof er niets gebeurd was.

De Hagia Sophia werd in een moskee veranderd, maar het Oecumenisch patriarchaat bleef in functie en wees een nieuwe patriarch aan.

Met de inname van Constantinopel kreeg Mehmet II zeggenschap over de stad die hij als de vanzelfsprekende hoofdstad van zijn rijk beschouwde. Met de val van het Byzantijnse Rijk was hij nu ook verlost van een vijand in zijn achterhoede bij zijn opmars naar Europa. De val van Constantinopel was een zware klap voor het christendom, en maakte het christelijke westen kwetsbaar voor de agressieve en sterke legers uit het oosten. Paus Nicolaas V riep nog op tot een onmiddellijke tegenaanval in de vorm van een kruistocht, maar geen enkele Europese heerser was van plan daarin het voortouw te nemen. De Paus besloot toen maar zelf te gaan, maar door zijn plotselinge dood kwam daar niets van terecht.

Er was al enige tijd sprake van uitwisseling van geleerden tussen het oosten en het westen, maar na de verovering kwamen daar nog vele Grieken bij, waaronder Johannes Argyropoulos en Constantijn Laskaris. Deze vluchtelingen namen naast hun kennis ook de nodige documenten mee naar Italië en andere landen, waarmee zij de Renaissance in een stroomversnelling brachten. Veel van de achterblijvers, Fanarioten genoemd, schopten het tot adviseurs van Ottomaanse heersers.

Voetnoten[bewerken]

  1. A. Pertusi (ed.), La Caduta di Costantinopoli, Verona, 1976.
  2. S. Runciman, The Fall of Constantinople: 1453, Londen, 1965.
  3. Nicolle 2000, p. 45.
  4. R.W. Martin, The Mystery Surrounding the Fall of Constantinople (1453), MilitaryHistory.About.com (2006).
  5. A. Pertusi (ed.), La Caduta di Costantinopoli, Verona,1976.
  6. S. Runciman, The Fall of Constantinople: 1453, Londen, 1965, p. 77 (voetnoot 1).
  7. Nicolle 2000, p. 44.
  8. Georgios Sphrantzes, Chronicon Maius.
  9. R. Crowley, 1453: the holy war for Constantinople and the clash of Islam and the West, New York, 2005.
  10. Nicolò Barbaro (Giornale dell'Assedio di Costantinopoli, 1453, p. 46) dateert de eclips op 22 mei 1453, maar dit lijkt niet te kloppen (cf. S. Runciman, The Fall of Constantinople: 1453, Londen, 1965, p. 122 (voetnoot 1).).
  11. Onze voornaamste bronnen zijn Nicolò Barbaro, Giornale dell'Assedio di Costantinopoli, 1453, pp. 46, 48, Georgios Sphrantzes, Chronicon Maius, pp. 264-265, Ubertinus Pusculus, Constantinopolis, 1464, p. 79, Critoboulos van Imbros, Historia, pp. 58-59, Slavische kroniek, p. 122; cf.S. Runciman, The Fall of Constantinople: 1453, Londen, 1965, pp. 112-122 (p. 122 voetnoot 1).
  12. A. Pertusi (ed.), 1976, Epistola reverendissimi patris domini Isidori cardinalis Ruteni scripta ad reverendissimum dominum Bisarionem episcopum Tusculanum ac cardinalem Nicenum Bononiaeque legatum (brief van kardinaal Isidorus aan kardinaal Johannes Bessarion, 6 juli 1453), Epistola reverendissimi in Christo patris et domini domini Leonardis Ordinis Praedicatorum, archiepiscopi Mitileni, sacrarum litterarum professoris, ad beatissimus dominum nostrum Nicolaum papam quintum (brief van de aartsbisschop van Mitilene Leonardo di Chio aan Paus Nicolaas V, 16 augustus 1453).
  13. Nicolò Barbaro, Giornale dell'Assedio di Costantinopoli, 1453.
  14. C. Desimoni, Adamo di Montaldo, in Atti della Società Ligure di Storia Patria 10 (1874), pp. 296-297.
  15. D. Hatzopoulos, The Fall of Constantinople, 1453, in Romiosini: Hellenism in the Middle Ages, Greece.org (2003).

Referenties[bewerken]