Democratisering

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Democratisering is het vergroten van inspraak en medezeggenschap in een organisatie, meer specifiek in het bestuur van een overheid. Het is hierbij het proces om van een autoritaire samenleving te komen tot een democratie.

In bredere zin is het een vergroting van het aantal mensen dat toegang heeft tot bepaalde middelen of ideeën, zoals de democratisering van kennis of de economie, waar deze eerder beperkt waren tot een bepaalde elite.

Het bestuderen van democratisering als een proces speelt een grote rol binnen de politieke wetenschappen. Sinds de sterke opkomst van de democratie in de twintigste eeuw hebben politicologen proberen te verklaren waarom sommige landen wel democratiseerden en andere niet.[1]

Drie ontwikkelingen[bewerken]

Bij democratisering neemt de wettelijke gelijkheid toe, zal er een parlementair stelsel ontstaan en wordt het actief en passief stemrecht uitgebreid. Een grotere gelijkheid ontstond toen individuen niet meer als onderdaan van de vorst werden beschouwd, maar als staatsburger. Het inperken van de macht van de vorst ging veelal gepaard met burgerlijke revoluties waarna het parlement bevoegdheden overnam. In veel landen heeft het parlement formeel de hoogste macht, maar is het niet altijd in staat om de bureaucratische overheid volledig te controleren. Vrijheid van meningsuiting, persvrijheid, vrijheid van vereniging en onafhankelijke rechtspraak werden al door Alexis de Tocqueville gezien als middelen om al te grote staatsmacht te voorkomen. In veel gevallen was er in parlementaire democratieën sprake van censuskiesrecht waarbij het stemrecht was voorbehouden aan personen die vermogend genoeg waren om minimaal een bepaald bedrag aan belastingen te betalen. Gaandeweg werd dit uitgebreid tot een algemeen kiesrecht, al was dit aanvankelijk vaak beperkt tot mannen om later uitgebreid te worden met het vrouwenkiesrecht.

De opkomst van de democratie[bewerken]

De eerste democratieën verschenen in eerste helft van de 19e eeuw.[2] In een periode van ongeveer honderd jaar ontstonden er 29 democratieën, verspreid over West-Europa en Noord-Amerika.[2] De opkomst van de democratie werd onderbroken door de doorbraak van het fascisme op het Europese continent, maar ging gestaag verder na de overwinning van de geallieerden in de Tweede Wereldoorlog.[2] De democratie won weer in populariteit in Europa en Japan evenals enkele recent gedekoloniseerde Latijns-Amerikaanse landen sloten zich aan bij het rijtje.[3] In 1962 bereikte het aantal democratieën een nieuw hoogtepunt, 36.[2] De grote tegenpool van die tijd, het communisme, maakte daarna een inhaalslag en het aantal democratieën daalde.[2] In het midden van de jaren 1970 waren de tekortkomingen van het communisme overduidelijk, en een nieuwe periode van bloei begon voor de democratie.[2] In een tijdsbestek van 30 jaar kwamen er 30 democratieën bij.[4] Deze periode begon met democratisering in Zuid-Europa, gevolgd door een democratische boom in Latijns-Amerika tijdens de jaren 1980.[1] Na de val van de Sovjet-Unie veroverde de democratie bijna het gehele Europese continent, terwijl ook in Azië en Afrika democratieën aan een opmars begonnen.[1]

Freedom House, een niet-gouvernementele organisatie (NGO) die veranderingen in politieke vrijheid over de gehele wereld bijhoudt, vermeldde in haar jaarlijkse rapport dat sinds 2005 de democratie geleidelijk terrein aan het verliezen is.[5] Echter, dit is nog steeds een tijdperk waarin er meer democratieën zijn dan dictaturen, en waarin de meerderheid van de wereldbevolking in een democratie leeft.[3]

Historici en politicologen hebben deze gestage opkomst van de democratie op verschillende manieren beschreven. In de 19e eeuw was de dominante gedachte dat alleen landen in de westerse wereld de karaktereigenschappen bezaten die nodig waren voor het ontstaan van een democratie.[6] Echter, door de verdere uitbreiding van democratisch bestuurde landen in de 20e eeuw werd democratie steeds meer gezien als een universeel goed.[6] Er werd beargumenteerd dat modernisering landen vatbaarder zou maken voor de democratie.[7] Dit positieve beeld voor de toekomst van de democratie bereikte een climax na de val van de Sovjet-Unie. In zijn invloedrijke artikel, The End of History, schetste Francis Fukuyama het beeld dat nu het communisme verslagen was, liberalisme de wereldwijd geaccepteerde standaard zou worden.[8] Het einde van de Koude Oorlog betekende het einde van de geschiedenis in die zin dat de mensheid het eindpunt van haar ideologische evolutie had bereikt en dat de westerse liberale democratie universeel zou worden gezien als de ultieme bestuursvorm.[8]

Twee jaar na de publicatie van The End of History, kwam Samuel Huntington met een antwoord. Hij beschreef de opkomst van de democratie niet als een onvermijdelijke route naar het einde van de geschiedenis, maar als een historisch proces gekenmerkt door golven. Hij wees op periodes van een toename in het aantal democratische landen, gevolgd door een terugval. Hij benoemde drie golven van democratisering. De eerste lange golf van 1820 tot 1926. Vervolgens een tweede korte golf van 1945 tot 1962. Beide werden gevolgd door periodes waarin dictaturen terrein terugwonnen. Op het moment van schrijven bevond Huntington zich volgens eigen zeggen in de derde golf.[2] Achteraf gezien duurde deze van 1974 tot 2005.[1]

Ondanks dat er nog gediscussieerd wordt over de exacte definitie van een democratische golf en hoeveel er precies te herkennen zijn, is het alom geaccepteerd dat democratisering als een historisch proces in golven is verlopen.[9][10] Fukuyama's idee van het einde van de geschiedenis is door de meeste deskundigen verworpen. Dit komt door de stijgende invloed van sterke autoritaire staten zoals China en Rusland, evenals de antiliberale geluiden van populisten in democratieën over de hele wereld.

Oorzaken van democratisering[bewerken]

Naarmate democratische bestuursvormen de norm werden, begonnen politieke wetenschappers transities van een dictatuur naar een democratie te bestuderen.[4] De meest prangende vraag was waarom sommige landen wel de overgang maakten naar een democratie en andere landen achterbleven.

Er zijn vier dominante algemene theorieën die trachten deze vraag te beantwoorden. De derde democratische golf wordt door deze theorieën op zeer verschillende manieren verklaard. Volgens de modernisatie-theorie kan de democratische vooruitgang in die periode worden verklaard door de wereldwijde trend van economische ontwikkeling, versterkte industrialisatie en de verspreiding van educatie.[7]

De overgangstheorie daarentegen stelt dat democratisering kan worden verklaard door strategische keuzes van de elites. Dit is een onzeker proces dat vaak gepaard gaat met het nodige geluk.[1]

De maatschappelijke-krachten-theorie gaat daar tegenin door democratisering tijdens de derde golf toe te schrijven aan sociale mobilisatie, met name door protesten van de arbeidersklasse.[1]

Recentelijk zijn er ook sociale wetenschappers die democratisering proberen te verklaren aan de hand van rationelekeuzetheorie. Volgens hen wordt democratisering veroorzaakt door concessies van de rijken aan de armen uit vrees voor escalatie. De rijke elite doet dit echter alleen bij lage economische ongelijkheid. Bij hoge ongelijkheid vrezen ze dat democratisering zal leiden tot de redistributie van welvaart van rijk naar arm.[1]

In het meest uitgebreide werk over oorzaken van democratisering, Determinants of Democratization van Jan Teorell, worden deze theorieën samengevoegd. Een uitgebreide analyse van democratische veranderingen tijdens de periode 1972-2006, de derde democratische golf, levert de volgende resultaten op:

  1. de hoeveelheid moslims in de bevolking van een land heeft een negatieve associatie met versterkte democratisering en een positieve associatie met afnames in democratie. Niet alleen voorkwam het dus democratisering, maar het stimuleerde ook een terugval naar autoritaire regimes. Een diepere analyse van het causale mechanisme achter deze correlaties wijst echter uit dat het effect beperkt blijf tot de Arabische Wereld. Dit zou daarmee meer een Arabische verschijnsel zijn.[1][11]
  2. er waren meerdere factoren die een positieve associatie hadden met toename in democratie. In landen die een economische crisis ondergingen, was er een grotere kans op democratisering. Vreedzame demonstraties tegen een regime leidden ook tot versterkte democratisering. Zoals de golf-metafoor al suggereert, was de kans groter dat een autoritair regime omviel wanneer hetzelfde gebeurde in een buurland. Diffusie vergrootte dus ook de kans op democratisering. Verder is ook lidmaatschap in een regionale democratische organisatie positief gecorreleerd aan een toename in democratisering.[1]
  3. verschillende soorten dictaturen hadden ook verschillende kansen om te democratiseren tijdens de derde democratische golf. Een regime met een meerpartijenstelsel had een grotere kans om te democratiseren dan dictaturen met één partij. Bovendien waren dit soort regimes ook gevoeliger voor exogene invloeden zoals economische crises, sociale mobilisatie en buitenlandse inmenging. Militaire dictaturen ervoeren ook vaker een toename in democratie dan landen bestuurd door één partij.[1]
  4. aan de andere kant hadden landen met een groot oppervlakte en landen waarvan de economie sterk afhankelijk was van olie-export of buitenlandse handel een significant kleinere kans om te democratiseren tijdens de derde golf.[1]
  5. ondanks dat sociale modernisatie niet het effect had dat Lipset voorspelde,[7] heeft het wel een rol gespeeld in de derde democratische golf. Landen waarin industrialisatie, urbanisatie, onderwijs, levensomstandigheden, media en nationaal inkomen beter ontwikkeld waren, hadden een kleinere kans op een autoritaire terugval. Het ontbreken van overheidsinterventie in de economie had hetzelfde effect. Kortom, modernisatie en economische vrijheid voorkwamen afnames in democratie.[1]

Deze lijst met factoren versterkte of verhinderde democratisering tijdens de derde democratische golf. Het wiskundig model dat Teorell creëert voorspelt ongeveer 60% van de variatie in democratisering tussen de verschillende landen op de lange termijn. Ondanks dat dus veel drijfveren achter democratisering herkend kunnen worden, is het onmogelijk precies te voorspellen welke landen de transitie zullen maken.[1]

Literatuur[bewerken]

  • Hoof, J.J.B.M. van; Ruysseveldt, J. van (red.) (1996): Sociologie en de moderne samenleving. Maatschappelijke veranderingen van de industriële omwenteling tot in de 21ste eeuw, Boom
  • Teorell, J. (2010): Determinants of Democratization. Explaining Regime Change in the World, 1972–2006, Cambridge University Press

Noten[bewerken]

  1. a b c d e f g h i j k l m Teorell (2010)
  2. a b c d e f g Huntington, S.P. (1991): 'Democracy's Third Wave', Journal of Democracy 2, p. 12-34, doi: 10.1353/jod.1991.0016
  3. a b Roser, M. (2019): 'Democracy', OurWorldInData.org
  4. a b Geddes, B. (1999): 'What Do We Know About Democratization After Twenty Years?', Annual Review of Political Science 2, p. 115-144
  5. (en) Freedom in the World 2019: Democracy in Retreat. freedomhouse.org (2019-01-15). Geraadpleegd op 2019-05-10.
  6. a b Sen, A. (1999): 'Democracy as a Universal Value', Journal of Democracy 10 (3), p. 3-17
  7. a b c Lipset, S. (1959): 'Social Requisites of Democracy: Economic Development and Political Legitimacy', The American Political Science Review 53 (1), p. 69-105
  8. a b Fukuyama, F. (1989): 'The end of history?', The National Interest 16, p. 3-18
  9. Doorenspleet, R. (2000): 'Reassessing the Three Waves of Democratization', World Politics 52, p. 384-406
  10. Gunitsky, S. (2018): 'Democratic Waves in Historical Perspective', Perspectives on Politics 16 (3), p. 634-651
  11. Stepan, A.C.; Robertson, G.B. (2003): 'An "Arab" More Than a "Muslim" Democracy Gap', Journal of Democracy 14 (3), p. 30-44