Osiris (mythologie)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Osiris
Egyptische god
Aser, Usiris, Asar, Auser't
Q1
D4
A40

Osiris in hiërogliefen
Cultuscentrum Abydos
Gedaante Gemummificeerde man met Atefkroon en staf en vlegel gekruist voor zijn lichaam.
Associatie Onderwereld, dood, vruchtbaarheid, landbouw
Griekse god Dionysus
Osiris
Osiris
Portaal  Portaalicoon   Egyptologie

Osiris is een godheid uit de Egyptische mythologie. Hij was de zoon van Geb, de god van de aarde, en diens zuster Noet, godin van de hemel. Hij werd de eerste koning van het Oude Egypte. Zijn vrouw, tevens zijn zuster, was Isis. Met haar behoort hij tot de Enneade van Heliopolis. Zijn 'zoon' is Horus en zijn dochter Bastet. Volgens oude verhalen was Osiris uit de hemel gekomen en werd hij de eerste koning (farao) van Egypte.

In het oude Egypte was hij een zeer populaire god, die trekken van allerlei goden in zich verenigde. Hij werd steeds belangrijker en groeide uit tot een van de grootste en belangrijkste goden in Egypte. In alle grafkamers van farao's zijn voorstellingen te zien van de farao die zich aan de Lotsbepaling door Osiris (de weging van het hart) onderwerpen. Velen richtten in Abydos bij het graf van Osiris een stele op of lieten hun mummie erheen transporteren, om aldus in het lot van Osiris te kunnen delen. Iedere dode werd een Osiris, dat wil zeggen een uit de dood herrijzende.

Achtergrond van de god Osiris[bewerken]

Reeds vroeg werd hij verbonden met de god Anedjti uit Busiris in de delta, een god van de geitenherders aldaar. Aan hem ontleende Osiris de attributen van de herdersstaf en het flagellum (gesel). Als ‘goede herder’ was Osiris koningsgod. Hij zou in de voortijd ook werkelijk als koning hebben geheerst, gedood zijn door zijn vijandige broer Seth, die zich van de erfenis wilde meester maken, maar gewroken zijn door zijn zoon Horus. Talrijk waren de mythen rond dit gebeuren.

Osiris kreeg van zijn zus en geliefde Isis de landbouw geleerd. (Landbouw ontstond ergens in het 10e millennium v.Chr. na de laatste ijstijd). Osiris was de god van de wederopstanding en vruchtbaarheid, zijn festivals (die plaatsvonden rond het zaai- en oogstfeest) werden vaak omringd door vruchtbaarheidsrituelen waar graan een grote rol speelde. Het symbool Djed waar Osiris vaak mee geassocieerd wordt, stelde wellicht een baal hooi voor, die met touwen/banden is samengebonden, het symbool zou zijn oorsprong vinden in een oeroud natuurritueel dat aan het begin van de Egyptische godsdienst geïntegreerd werd in de god Khenti-Amentioe. Deze god uit Abydos werd later geassimileerd in de god Osiris.

Osirismythe in het tempelcomplex van Dendera

Dit wijst op Osiris als god van vegetatie. Hij manifesteerde zich in het graan, dat in de aarde begraven wordt, maar door spontane scheppende kracht in de opschietende aar herrijst en vrucht draagt. In de zgn. Osirismysteriën werd bij het lijk van Osiris gewaakt en werd een beeldje van Osiris gemaakt uit gedroogd nijlslib en graan. Wanneer het bevochtigd werd, botte het graan uit: een symbool van de stervende en herrijzende vegetatie (zie ook graanpop). Osiris was voorts god van de afnemende en wassende maan en van de overstroming van de Nijl. Osiris werd ook vaak geïdentificeerd met de god Wenen-nefer, ‘die voortdurend jeugdig is’, hetgeen past bij een stervende en herlevende god. Exemplarisch is ook de erecte penis, die vele Osiris-beeldjes van deze verder als gemummificeerd afgebeelde god kenmerkt: een duidelijk voorbeeld van wederopstanding na een periode van symbolische dood of slaap.

Osiris was tevens de heerser over het Rijk der Doden. De Egyptenaren geloofden dat hij in een paleis in het westen zetelde, waar de doden eerst doorheen moesten. Hij was er opperrechter, bijgestaan door 42 helpers. Bij iedere doorgangspoort stonden Osiris dienaren met dierenkoppen, die de doden op de proef stelden, zoals beschreven in het Egyptisch dodenboek het Amdoeat. Bij de doortocht van het 6de en 7de uur kwam de dode aan bij de troon van Osiris. Hier zou zijn hart gewogen worden tegen de Veer van de Waarheid. Als de dode een goed leven had geleid, was het hart lichter en mocht hij van Osiris het Jaroeveld betreden, het Egyptische hiernamaals. Als het hart echter zwaarder was dan de veer, door alle zonden, werden het hart en de dode door een monster, de Verslinder, opgegeten.

De oorsprong van Osiris[bewerken]

De oorsprong van Osiris als god van het dodenrijk komt voort uit zijn assimilatie (rond de IIIe of IVe dynastie) van de god van de necropolis in Abydos: Khentamentiu (Khontamentiu, Khentamenti, Khontamenti, Khenty Amentiu, Khenti Amentiu). Deze dodengod hielp overledenen naar het land in het westen te reizen, hij was bestuurder van de zonnebark gedurende de nachtelijke reizen. De allereerste tempel in Abydos was gewijd aan Khentamentiu. De associatie met Osiris was zo vroeg in de geschiedenis dat bijna niemand meer wist waar zijn rol als god van het dodenrijk die alle overledenen beoordeelt oorspronkelijk vandaan kwam.

De mythe van Osiris[bewerken]

De broer van Osiris was Seth. Seth was jaloers op zijn broer omdat hij koning was. Daarom bedacht hij een list. Hij maakte een kist en via een leugentje moest Osiris er 'even' inkruipen. Seth sloot toen de kist en gooide die in de Nijl, maar Isis vond de kist terug. Seth werd woedend en hakte het dode lichaam van Osiris in stukken en gooide deze over de uithoeken van het oude Egypte. Isis (Osiris' vrouw) trok jarenlang rond op zoek naar de stoffelijke resten van haar echtgenoot. Na lang zoeken vond ze de lichaamsstukken terug behalve zijn geslachtsorgaan en mummificeerde het tot één geheel. Osiris was er lang genoeg om nog een kind te verwekken: Horus. Die werd na een lange strijd met Seth koning van Egypte.

De mythe van Osiris is weliswaar overbekend en wordt in allerlei contexten verweven. In het Oude Egypte bestond deze mythe echter niet in verhaalvorm, althans, men heeft daar (nog) geen sporen van teruggevonden. De meest volledige oud-egyptische versie is bewaard op een grafsteen van een hoge ambtenaar, genaamd Amenmose, uit de 18e Dynastie (ong. 1500 v.Chr.). Deze vertelling geeft niet alle details weer. Zo is onduidelijk b.v. hoe het kind verwekt werd. Een Nederlandse vertaling is nooit gemaakt, wel twee Engelse: [1][2] De Griekse denker Plutarchus was de eerste die de mythe van Osiris op schrift stelde. Er zit echter een wezenlijk verschil tussen de Griekse en Egyptische denkwijze.

Als voorbeeld: Plutarchus maakt in zijn verhaal melding van de geboorte van Horus - de zoon van Osiris en Isis- nog tijdens het leven van Osiris. Een reliëf in de tempel van Koning Seti I (19e dynastie 1294 - ca 1279 v.Chr.) spreekt over de verwekking van Horus na de dood van Osiris. In een andere mythe zou Isis en Osiris, als broer en zus, nog in de baarmoeder Horus verwekt hebben. Zo zouden zowel Osiris, Horus, Seth, Isis en Nephthys achtereenvolgens uit Noet geboren worden op de extra vijf dagen van het jaar boven de geldende 360 dagen. Dit vanwege de vervloeking van Re dat de kinderen van Noet op geen enkele dag van geen enkel jaar geboren zouden kunnen worden.

Onderstaand verhaal is ontleend aan de oud-Egyptische denkwereld. Om te voorkomen dat het verhaal uit zijn oorspronkelijke context wordt gehaald, is het aangewezen, alvorens veranderingen aan te brengen, eerst bovengenoemde bronnen te raadplegen.


"De mythe van Osiris is het bekendste verhaal uit het oude Egypte en gaat over zijn dood en wederopstanding - een thema dat de dagelijkse cyclus weerspiegelt van het 'sterven' van de zon bij zonsondergang en zijn 'geboorte' bij zonsopkomst. Osiris was niet alleen god van het koningschap en de levenskracht van de farao, hij was de personificatie van de vruchtbaarheid van het land en de geest van de vegetatiecyclus. Als heerser over het dodenrijk schonk hij hen, die de onsterfelijkheid hadden verdiend door hun zuivere levenswandel, nieuw leven."

Osiris werd geboren uit Geb, de aarde en Noet, de hemelgodin. Als koning van Egypte was hij rechtvaardig en stelde wetten voor zijn volk op. Hij kende niet alleen de roem maar ook de afgunst. Zijn werk als koning zorgde ervoor dat hij veel moest reizen. Terug van één van zijn reizen werd Osiris, onder aanvoering van zijn broer Seth, door 72 samenzweerders op een feestmaal onthaald. Tijdens dit maal toonde Seth een prachtige, rijk versierde kist. Nadat iedereen de kist had bewonderd beloofde Seth de kist te schenken aan degene die erin paste. Daarop gingen zij allen om beurten in de kist liggen; niemand paste. Toen het Osiris' beurt was stapte hij in de kist en strekte zich erin uit. De kist had precies zijn maat. De samenzweerders dromden samen om de kist , spijkerden het deksel vast en wierpen de met lood overgoten kist in de Nijl. Toen Isis hoorde wat haar echtgenoot was overkomen, sneed zij één van haar lokken af en kleedde zich in rouwgewaden.

Na Osiris' dood regeerde Seth als een wrede heerser over Egypte. Isis vluchtte en verborg zich in de delta van de Nijl. Intussen was de kist met het lichaam van Osiris door de golven op de kust van Byblos geworpen. Een jonge ceder omsloot haar en groeide uit tot een prachtige, grote boom. De koning van Byblos bewonderde de boom, hakte hem om en stutte met de stam het dak van zijn paleis.


Isis copulerend in de gedaante van een vogel wappert met haar vleugels levensenergie in de dode Osiris en ontvangt Horus. Relief in de tempel Sethos I. in Abydos, Egypte

Goden en demonen verspreidden dit bericht en zo kwam het Isis ter ore. Om ervoor te zorgen dat zij -een godin-, het paleis binnen kon komen, verzon Isis een list. Zij ging naar Byblos en zette zich neer aan de voet van een bron. Ze sprak met niemand, maar omringde de dienaressen van de koningin met zorg; zij vlocht hun haren en balsemde hun huid met de geur die zij zelf verspreidde. Toen de koningin haar dienaressen zag liet zij Isis komen en nam haar in dienst. Zij kreeg als taak de baby van de koningin te verzorgen. 's Nachts veranderde Isis zich in een zwaluw en vloog zij om de pilaar met het lichaam van Osiris. Door de koningin bespied werd Isis' ware aard bekend. Bang een godin te hebben beledigd, bood de koningin Isis aan iets uit het koninkrijk tot het hare te maken. Isis koos de grote, met houtsnijwerk versierde, cederhouten pilaar van het paleis en hakte deze met volle kracht doormidden. In de pilaar zat de kist met het lichaam van Osiris. Zij plaatste de kist in een boot, nam de oudste zoon van de koning mee en voer weg. Tegen de morgen stak er over de rivier de Phaidros een gure wind op; Isis ontstak in toorn en liet het water van de rivier in haar bedding verdampen. In een verlaten streek aangekomen opende zij de kist en kuste haar overleden echtgenoot. De zoon van de koning keek toe, maar in haar toorn wierp Isis hem een verschrikkelijke blik toe. Het aanzien hiervan was hem te veel en hij stierf. Isis verborg de kist met het lichaam van Osiris in het riet van de Nijl.

Jagend, bij het licht van de maan, vond Seth de kist. Hij sneed het lichaam in 14 stukken en verspreidde deze over de Nijl. Toen Isis de lege kist ontdekte deed zij haar uiterste best de verspreide lichaamsdelen weer te vinden. Zij vond ze allemaal, op één na: zijn mannelijk lid. Het symbool van zijn vitaliteit was verloren. Met behulp van haar toverkracht en een twijg of tak in plaats van zijn lid, slaagde zij erin hem een kind, Horus, te laten verwekken. Na zijn geboorte verborg zij Horus nabij Boeto in de moerassen van de delta van de Nijl waar hij op magische wijze door 7 giftige schorpioenen werd beschermd. Bij Osiris teruggekomen balsemde en mummificeerde Isis haar echtgenoot en zo verkreeg Osiris, door Ra voorbestemd als Koning der Doden, het eeuwige leven.

Nadat Horus volwassen was geworden bezocht hij Seth en eiste als rechtmatige opvolger de troon op. Seth verwierp de eis. Na een lange strijd versloeg hij zijn oom en volgde Horus zijn vader Osiris op als Koning der Levenden.

Bronnen[bewerken]

E. Brunner-Traut, Egyptische vertellingen

Plutarchus, De Iside et Osiride

M. Lichtheim, Ancient Egyptian Literature. A Book of Readings, II, Berkeley, 1976.

J. Naezer, Osiris, de mythe van, Den Haag, 2006

  1. M. Lichtheim, Ancient Egyptian Literature, A Book of Readings, vol. 2, Berkeley 1976, pp. 81-86
  2. J.L. Foster, Ancient Egyptian Literature, An Anthology, Austin Texas 2001, pp. 103-109.

Zie ook[bewerken]