Julius Evola

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Evola in 1940

Giulio Cesare Andrea Evola (Rome, 19 mei 1898 – aldaar, 11 juni 1974), bekend als Julius Evola, was een Italiaanse filosoof, schilder, esotericus en baron. Evola beschouwde zijn denkbeelden en spirituele waarden als aristocratisch, mannelijk, traditionalistisch, heldhaftig, en uitdagend reactionair. Zijn esoterie behelsde een geloof in alchemie, telepathie en spoken. Met zijn rassenleer en invulling van het Ariërschap probeerde hij het Italiaanse fascisme en het Duitse nazisme dichter bijeen te brengen.[1]

Filosofie[bewerken]

Evola geloofde dat de mensheid in de Kali Yuga leeft, een donkere tijd vol met materialistische begeertes, spirituele vergetelheid en georganiseerd afwijkend gedrag. Om dit tegen te gaan en een voordoodse wedergeboorte te verkrijgen, presenteerde Evola zijn wereld van de "Traditie". Deze Traditie (met hoofdletter "T") valt echter niet te verwarren met "traditie" in de gewoonlijke betekenis van gebruiken of gewoontes. De Traditie waar Evola naar verwijst in zijn werken valt samen met de invulling die dit begrip verkrijgt in de Traditionalistische school, opgericht door René Guénon. Het is, simpel gesteld, een oerbron waaruit alle religies zijn voortgestuwd en waarop alle religies bouwen. Deze Traditie, als bron, bestaat reeds sinds het ontstaan van de mensheid. Het is een soort spirituele grondstroom waarvan de mens, voornamelijk in het Westen, steeds verder van afgedwaald is door de de-spiritualisering van het dagelijks leven en instituties die deze beïnvloeden.

De boeken Rivolta contro il mondo moderno ('Opstand tegen de moderne wereld'), Gli uomini e le rovine ('Mensen tussen de ruïnes') en Cavalcare la Tigre ('Rijden op de tijger') worden als de belangrijkste trilogie van Evola's werken beschouwd. Evola's wereldbeeld is beschreven als 'een van de meest radicale en samenhangende anti-egalitaire, antiliberale, antidemocratische en antipopulaire systemen in de twintigste eeuw'.[2] Veel van zijn theorieën en geschriften zijn gebaseerd op zijn eigen idiosyncratische spiritualisme en mysticisme.

Politieke opvattingen en daden[bewerken]

Evola stond positief tegenover het fascisme en nationaalsocialisme, hoewel hij kritisch was ten opzichte van bepaalde aspecten ervan. Hij was een sympathisant van de Partito Nazionale Fascista maar werd geen lid. Hij vond de partij te compromisbereid. In de jaren 1937-38 zocht hij, als bewonderaar van Heinrich Himmler, toenadering tot de nazi's, al ging het völkische in hun ideologie in tegen zijn aristocratisme en had hij ook bezwaar tegen hun biologisch materialisme, terwijl er omgekeerd argwaan was tegen zijn supranationalisme. Naarmate de pan-Europese strekking door oorlogsbelangen de bovenhand haalde, wist Evola vanuit Italië beter zijn plaats te vinden in invloedrijke nazikringen. Na het afzetten van Mussolini vluchtte hij in 1943 naar Duitsland. Toen ook de afgezette leider over de grens wist te raken, hielp Evola hem verwelkomen in Hitlers Wolfsschanze en droeg hij bij aan de efemere Italiaanse Sociale Republiek.

Antisemitisme[bewerken]

In navolging van Otto Weininger was Evola geen aanhanger van een biologisch antisemitisme maar meende hij dat het jodendom door een spirituele crisis decadent was geworden. Zijn opvattingen waren niet gespeend van contradicties. Hij ontkende het bestaan van een Joodse samenzwering maar schreef dat de Protocollen van de wijzen van Sion - vervalsing of niet - een accurate reflectie van de moderniteit boden en een occult oorlogsplan bevatten. Hij riep op zich niet over te geven aan haatuitingen, maar polemiseerde tegen Einstein, Freud, Mahler en Tzara en droeg in 1942 bij aan de brochure "De joden hebben de oorlog gewild".

Invloed[bewerken]

Evola's werk was van invloed op fascisten. De rassenleer die hij uiteenzette in zijn Sintesi di dottrina della razza (1941) werd door Mussolini aangenomen als officiële doctrine. Na de oorlog bleef hij invloedrijk in kringen van neofascisten. Op een proces in 1951 verdedigde hij zich door te zeggen dat hij potentie had gezien in de beweging en haar fouten had willen hervormen. Hij bekwam vrijspraak. Sinds de Tweede Wereldoorlog hebben veel stromingen zoals Radicaal Traditionalisten, Nieuw Rechts, Conservatief Revolutionairen, fascisten en derdepositiegroepen inspiratie van hem opgedaan. Het uiterst-rechtse gebruik van de term boreaal gaat terug op Evola's geschriften.[3]

Publicaties (selectie)[bewerken]

  • Arte Astratta, posizione teorica, 1920
  • La parole obscure du paysage intérieur, 1921 (gedicht)
  • Saggi sull'idealismo magico, 1925
  • L'individuo e il divenire del mondo, 1926
  • L'uomo come potenza, 1927
  • Teoria dell'individuo assoluto, 1927
  • Imperialismo pagano, 1928
    • Heidnischer Imperialismus, 1933
  • Fenomenologia dell'individuo assoluto, 1930
  • La tradizione ermetica, 1931
  • Maschera e volto dello spiritualismo contemporaneo, 1932
  • Rivolta contro il mondo moderno, 1934
    • Erhebung wider die moderne Welt, 1935
  • Tre aspetti del problema ebraico, 1936
  • Il mistero del Graal, 1937
  • Il mito del sangue. Genesi del razzismo, 1937
  • Die arische Lehre von Kampf und Sieg, 1941 (voordracht gehouden in het Kaiser Wilhelm-Institut van Rome op 7 december 1940)
  • Indirizzi per una educazione razziale, 1941
  • Sintesi di dottrina della razza, 1941
    • Grundrisse der faschistischen Rassenlehre, 1943
  • Reich und Imperium als Elemente der neuen europäischen Ordnung, in: Europäische Revue, 1942, nr. 2, p. 69 e.v.
  • La dottrina del risveglio, 1943
  • Lo Yoga della potenza, 1949
  • Orientamenti, 1950
  • Gli uomini e le rovine, 1953
  • Metafisica del sesso, 1958
  • L'«Operaio» nel pensiero di Ernst Jünger, 1959
  • Cavalcare la tigre, 1961
  • Il cammino del cinabro, 1963
  • Il Fascismo. Saggio di una analisi critica dal punto di vista della destra, 1963
  • L'arco e la clava, 1968
  • Raâga Blanda, 1969
  • Il taoismo, 1972
  • Ricognizioni. Uomini e problemi, 1974

Bronvermelding[bewerken]