Johann Gottfried von Herder

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Johann Gottfried Herder, door Gerhard von Kügelgen

Johann Gottfried (von) Herder (Mohrungen in Oost-Pruisen,[1] 25 augustus 1744Weimar, 18 december 1803) was een Duitse dichter, filosoof en theoloog. Hij studeerde theologie en filosofie en was kerkelijk ambtenaar en predikant van beroep. Hij woonde en werkte achtereenvolgens in Riga, Bückeburg, Straatsburg en Weimar.

Biografie[bewerken]

Herder formuleerde als filosoof van de Romantiek een kritiek op de Franse Verlichting. Hij verwierp het individuele gelijkheidsideaal en was daarentegen van mening 'dat alle volkeren op aarde (...) een unieke, onherhaalbare identiteit hebben'.[2] In deze organicistische benadering zag hij de Volksgeist zich openbaren als een element in de geestelijke scheppingsorde, analoog aan de schepping van de materiële wereld, zoals in gesteenten en planten. Vanuit familieverbanden zouden zich in die evolutie eerst stammen hebben ontwikkeld en daarna volken die in hun eigen cultuur een collectief leefmilieu schiepen, dat voor de individu als een grondslag geldt welke elke generatie weer verder ontwikkelt. Met elkaar vormen deze volken en hun culturen de mondiale humaniteit. Daarin beschouwde Herder de verschillende volken en culturen als gelijkwaardig. Daarom wordt hij - ten onrechte - ook wel gezien als een voorloper van het cultuurrelativisme. Daartegenover menen sommigen in hem juist een van de geestelijke vaders te moeten zien van het 19e- en 20e-eeuwse nationalisme, hoewel het concept van een 'nationale staat' in het geheel niet aansluit op zijn ideeën. Anderen, zoals de Franse filosoof Alain Finkielkraut, zien in hem dan weer een inspirator van de aanhangers van de multiculturele samenleving en het multiculturalisme. In ieder geval is het een anachronisme om Herders Volksgeist oorzakelijk te verbinden met de nationale staatsvorming zoals deze een halve eeuw na zijn dood Europa ging beheersen. En eveneens om de multiculturele samenlevingen uit zijn tijd te verbinden met die in onze moderne tijd. Herders blijvende betekenis ligt in zijn verzameling van volksliteratuur, uitgegeven als Volkslieder (1778-1798). De door vele generaties overgedragen en verrijkte collectieve ervaringen van een volk in deze liederen en dan met name in de taal waarin zij gesteld waren, zouden volgens hem de geest van een volk openbaren.[bron?]

Herder werd geboren in sobere levensomstandigheden, maar kreeg wel een strenge schoolopvoeding die de basis legde voor zijn academische ontplooiing. Zijn talent viel op en een regimentsarts wilde betalen voor zijn medische opleiding aan de universiteit van Königsberg.[3] Daar richtte hij zijn aandacht echter op de filosofie, niet de dominante theoretische opvatting waarin gevoel en verstand fundamenteel onderscheiden werden, maar op de in Engeland ontwikkelde empirische benadering. Zijn eerste functie, in 1764, was die van docent aan de Domschule en predikant in Riga. Zijn goede relaties in die stad maakten het mogelijk om een studiereis door Frankrijk te ondernemen waar hij zijn kritische positie bepaalde tegenover de Franse verlichtingsencyclopedisten. In Straatsburg schreef hij in 1771 “Vom Ursprung der Sprache” als antwoord op een toentertijd gebruikelijke academische prijsvraag. Daarmee vestigde hij zijn naam en vervolgens kon hij aan verschillende Duitse hoven een aanstelling verwerven als superintendent in functies die toezicht hielden op onderwijs en kerkelijke zaken. Dat gaf hem ook de ruimte en tijd om verder te publiceren. In 1776 werd hij op voorspraak van zijn vriend Goethe aangezocht om titulaire functies aan het hertogelijk hof in Weimar te vervullen, welke hem voldoende tijd voor zijn werk overlieten en hem in intensief contant brachten met de bekendste filosofen en literaten van zijn tijd. Zijn invloed was bijzonder groot, met name ook op de ontluikende nationale bewegingen onder de Slavische volken, waarbinnen nationale leiders hem later de eretitel “vader der Slaven” gaven. Dat zijn gedenkmonument in zijn geboorteplaats na 1945 is blijven staan, dankt hij aan deze faam; het werd niet vernietigd zoals gebruikelijk was met de monumenten voor prominenten uit de Duitse geschiedenis.

Als dichter gold hij als de belangrijkste proponent van de Sturm und Drang-beweging (ca. 1770) en had hij invloed op Duitse dichters als Goethe en Schiller. In Straatsburg leerde hij Goethe kennen. Gezamenlijk schreven zij in 1773 het manifest Von deuscher Art und Kunst. In 1802 werd hij in de adelstand verheven wat een noodzakelijke voorwaarde was voor de toegang tot het hof.

Taal- en letterkundige werken[bewerken]

  • Über die neue deutsche Litteratur (1766-67)
  • Abhandlung über den Ursprung der Sprache (1772)
  • Von deutscher Art und Kunst (1773)
  • Ideen zur Philosophie der Geschichte der Menschheit (1784-91)
  • Schriften zu Philosophie, Literatur, Kunst und Altertum (1784-1787)

Bibliografie[bewerken]

  • Joxe Azurmendi, "Herder" In Volksgeist. Herri gogoa, Donostia: Elkar, 2007. ISBN 978-84-9783-404-9
  • E. Baur, Johann Gottfried Herder, Stuttgart 1960.