Godsdienstoorlog

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Een godsdienstoorlog is een oorlog veroorzaakt door godsdienstige verschillen of gelegitimeerd door godsdienstige argumenten. In enge zin slaat de term godsdienstoorlogen op een aantal conflicten die in Europa plaatsvonden tussen katholieken en protestanten van 1522 tot 1648. In ruimere zin refereren ze aan elk religieus conflict.[1]

Over de definitie van "godsdienstoorlog" is veel debat. Vaak zijn er ook andere factoren, vooral politieke, in het spel, of loopt de historisch gegroeide grens tussen verschillende etnische groepen nu eenmaal gelijk met de grens tussen verschillende religies.

De termen "heilige oorlog" of "jihad" worden ook wel gehanteerd om een oorlog om religieuze redenen te beginnen.

Oudheid (t/m 5e eeuw)[bewerken]

Godsdienstoorlogen komen door de gehele geschiedenis voor, ook in de Oudheid.[2]

Oude Griekenland[bewerken]

In de Griekse oudheid is een viertal oorlogen gevoerd om en rond het heiligdom van Delphi tegen personen of staten die zich aan heiligschennende daden ten overstaan van de god Apollon schuldig zouden hebben gemaakt.[3] Onderscheiden worden:

Antiek jodendom[bewerken]

Boog van Titus: Romeinen voeren joodse oorlogsbuit weg na de val van Jeruzalem (70 n.Chr.)

Bekende voorbeelden van antieke godsdienstoorlogen zijn te vinden in het Oude Testament, waarin het volk Israël soms strijd voerde die goddelijk gelegitimeerd leek. Toch wordt in het Oude Testament niet een concept van godsdienstoorlog als zodanig geformuleerd, de conflicten zijn heel specifiek voor een bepaalde context gelegitimeerd. Bovendien zijn ze exclusief voor de situatie van Israël, dat primair een defensieve oorlog voert (ter bescherming van het Beloofde Land). De externe verdediging van het Heilige Land gaat meestal gepaard met een interne zuivering.

De naam Joods-Romeinse oorlogen is gegeven aan een reeks Joodse opstanden tegen het Romeinse Rijk, dat in 63 v.Chr. de Hasmonese staat in Palestina onderwierp. Zij omvatten:

Vroege christendom[bewerken]

Omdat het Nieuwe Testament neigt naar pacifisme en omdat de positie van christenen aanvankelijk zwak was, laat de vroege christelijke geschiedenis geen godsdienstoorlog zien. Niettemin werden na verloop van tijd teksten uit het Oude Testament wel degelijk vertaald naar een concept godsdienstoorlog door ze te mengen met het concept van rechtvaardige oorlog. De eerste veldslag die een duidelijk christelijk element had, was de slag bij de Milvische brug (312), waarbij de Romeinse keizer Constantijn de Grote christelijke tekens zou hebben aangebracht op de schilden van zijn soldaten om daarmee de overwinning te behalen, al spreken bronnen elkaar tegen of dit de labarum of IHS zou zijn geweest.

Vroege Middeleeuwen (6e–10e eeuw)[bewerken]

Vroege islam[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie islamitische veroveringen voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De twee elementen van externe verdediging en interne zuivering zijn ook terug te vinden in de islam. De Koran geeft, anders dan het Oude Testament, wel een concept godsdienstoorlog (jihad), dat eveneens een interne en externe kant heeft. Intern slaat dan op een zuiver geloof, zowel van individuen als van het gebied dat valt onder de islam. Extern impliceert de jihad strijd tegen de ongelovigen. De strijd hoeft overigens niet gewapend te zijn: volgens islamitische theologen is elke vorm van verspreiding van de islam een onderdeel van de jihad: dus ook discussie.[4] Recentelijk is West-Europa ook vertrouwd geraakt met de term jihad, waaronder in strikte zin slechts de uiterlijke jihad wordt gerekend: de strijd die de islam zou kunnen of moeten voeren tegen 'ongelovigen'. De jihad gaat terug op de vroegste geschiedenis van de islam: in feite kan men de gehele expansie van de islam als een godsdienstoorlog betitelen omdat die formeel door de Koran werd gelegitimeerd. Binnen de traditie van de jihad ontwikkelden zich specifieke tradities, waarin culturele oorlogstradities zich mengden met islamitische legitimaties. Zo zagen de Turkse ghazis, cavaleristen, zichzelf als jihadstrijders, evenals de Safavidische qizilbash.

Een gedeelte van de Koran wordt tijdens een veldslag aan Mohammed geopenbaard.
  • De Expedities van Mohammed (623–632) zijn alle overvallen, veldslagen en belegeringen die onder aanvoering van (ghazwah) of in opdracht van (sariyyah) de islamitische profeet Mohammed zijn voltrokken door de eerste moslims, waarna het eerste kalifaat werd gevestigd.
  • De Verspreiding van de islam tijdens het Kalifaat van de Rashidun (632–661) is de reeks islamitische godsdienstoorlogen gevoerd door de Rechtgeleide Kaliefen, de vier opvolgers van Mohammed.
  • De Eerste Fitna (656–661) was de eerste oorlog van moslims onderling: er werd gestreden om de opvolging van kalief Oethman tussen de voorlopers van de soennieten en de sjiieten.
  • De Tweede Fitna (680–692) was de tweede oorlog tussen sjiitische en soennitische moslims.
  • De Slag bij Guadalete (711) was de veldslag waarin de Omajjaden onder leiding van Tariq ibn Zijad de overwinning behaalden op Iberische christenen onder leiding van Roderik, de laatste Visigotische koning.

De islamitische wereld raakte sinds 750 steeds verder politiek en religieus gefragmenteerd en er bestond zodoende geen centrale leiding meer. Volgens mediëvist John Tolan waren de Arabische veroveringen van Europese mediterrane eilanden (Sicilië, Sardinië, Corsica en de Balearen), grote delen van Apulië en de vestiging van een kapersfort in Fraxinetum (Provence) in de 9e en 10e eeuw dan ook niet het resultaat van een gecoördineerd plan om Europa aan de islam te onderwerpen. De aanvallen van islamitische "zeerovers" en "gelukszoekers" kwamen eerder voort uit individuele ambitie en hebzucht dan religieuze motivatie.[5]

Frankische expansie[bewerken]

Het Frankische Rijk presenteerde zich vanaf de bekering van Clovis I tot het rooms-katholicisme (ca. 500) als de opvolger van het West-Romeinse Rijk. De Franken breidden hun grenzen uit met een dubbel doel: versterking van hun wereldlijke macht en de verspreiding van het christendom; het laatste deden ze soms in samenspraak met, maar soms ook tegen de zin van, missionarissen die "heidenen" op vreedzame wijze trachtten te bekeren.

De Kruistochten (11e–15e eeuw)[bewerken]

Kruistochten naar het Heilig Land 1095–1274[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Kruistocht voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De rechtvaardige oorlog (bellum justum) was een Romeinse opvatting van conflict, die door de kerkvader Augustinus werd geïnterpreteerd binnen een christelijk kader. Een oorlog werd gezien als rechtvaardig wanneer aan drie voorwaarden werd voldaan: een legitieme autoriteit moest de oorlog uitroepen, de oorlog moest voor een rechtvaardige reden worden gevochten, en de motivatie om oorlog te voeren moest zuiver zijn. Het concept van een rechtvaardige oorlog werd duidelijk opgepakt door de Rooms-Katholieke Kerk in de 11e eeuw. Dat leidde tot een legitimatie van de Kruistochten naar het Heilig Land, die vanaf 1095 zouden plaatsvinden. De kruistocht is in feite een sacralisering van de rechtvaardige oorlog: de paus was de legitieme autoriteit, het rechtvaardige doel was de bevrijding van het Heilig Land, en de kruisvaarders waren vrome strijders. De Kruistochten zijn vaak beschouwd als uiterst bloedige en wrede ondernemingen, gemotiveerd door irrationeel religieus fanatisme, maar anderen denken hier genuanceerder over: de parallel tussen de rechtvaardige oorlog en de heilige oorlog toont aan hoe dicht deze twee in feite bij elkaar zitten.[6]

Kruistochten tegen ketters 1209–1438[bewerken]

Katharen worden in 1209 uit Carcasonne verdreven.

Vanaf de 13e eeuw zijn de kruistochten niet meer uitgeroepen door de paus maar door christelijke vorsten, waardoor de aard van de kruistochten veranderde. Volgens de zogeheten "pluralisten" moeten we ook de strijd tegen de ketterij, bijvoorbeeld tegen de katharen (van wie het woord "ketter" is afgeleid), als kruistocht beschouwen:[7]

Kruistochten tegen moslims en heidenen (11e–15e eeuw)[bewerken]

Van een andere orde waren oorlogen die niet gericht waren op het Heilig Land of het bestrijden van ketters, maar voor het verder verbreiden van het christendom in "heidense" (dat wil zeggen "niet-Abrahamitische") en islamitische gebieden (waarvan sommige in vroeger tijden overwegend christelijk waren geweest):

De Reformatieoorlogen (16e–17e eeuw)[bewerken]

Duitse periode 1522–1555[bewerken]

Tweede Slag bij Kappel (1531).

Er zijn historici die menen dat er een belangrijk verschil is tussen de middeleeuwse Kruistochten en de zestiende-eeuwse Reformatieoorlogen[11]. Anderen zien juist continuïteit.[12] De Reformatieoorlogen begonnen vrij snel na de breuk in het christendom die plaatsvond in het kielzog van de kritiek van Maarten Luther op de Katholieke Kerk.

  • In eerste instantie betrof dat de Ridderoorlog (1522–1523) en de Boerenoorlog (1524–1525) die in Duitsland uitbraken. De opstandelingen legitimeerden hun strijd met Luthers gedachtegoed, alhoewel de reformator zelf hun conflict fel veroordeelde.
  • In 1529 en 1531 braken de korte Kappeleroorlogen uit in Zwitserland tussen zwingliaanse en katholieke kantons.
    • In de Eerste Kappeleroorlog (1529) kon een gewapend treffen nog ternauwernood worden voorkomen en vielen er geen slachtoffers.
    • In de Tweede Kappeleroorlog (1531) kwamen de religieuze spanningen wel tot uitbarsting. De protestantse kantons, die aangevuurd werden door reformator Huldrych Zwingli zelf, die sneuvelde in de slag bij Kappel, verloren de oorlog, waardoor de katholieke kantons een twee eeuwen durende politieke hegemonie konden vestigen.
  • Later woedde de Schmalkaldische Oorlog (1546–1547, heropleving 1552) tussen lutherse Duitse vorsten en de katholieke keizer Karel V.

In 1555 werd de Vrede van Augsburg gesloten, waarbij een compromis werd gesloten: elke vorst in het Heilige Roomse Rijk mocht beslissen of zijn land katholiek of luthers zou worden volgens het principe cuius regio, eius religio.

Frans-Habsburgse periode 1562–1609[bewerken]

De Bartholomeusnacht (1572).

Nadat in Duitsland de vrede voorlopig was hersteld, braken elders in Europa godsdienstoorlogen uit, met name door de opkomst van het calvinisme.

  • In 1562 begon de eerste van een reeks van negen Hugenotenoorlogen in Frankrijk, met als tragisch dieptepunt de afslachting van duizenden hugenoten (Franse calvinisten) in 1572 tijdens de Bartholomeusnacht. In 1598 garandeerde het Edict van Nantes een zekere mate van tolerantie voor protestanten en kwam er een einde aan deze oorlogen. De Franse godsdienstoorlogen (Guerres de religion) waren de eerste conflicten die door tijdgenoten ook als zodanig werden bestempeld.[13]
  • In 1566 raasde de Beeldenstorm door de Habsburgse Nederlanden, die uitliep op de Tachtigjarige Oorlog oftewel de Nederlandse Opstand (1568–1648). De Tachtigjarige Oorlog wordt door historici vaak gezien als een godsdienstoorlog,[14][15][16] hoewel naast "godsdienstoorlog" ook andere omschrijvingen mogelijk zijn.[17][18] Volgens sommigen zoals L.J. Rogier varieerde het belang van de religieuze motieven tijdens de oorlog: hoewel de Tachtigjarige Oorlog niet om godsdienst zou zijn begonnen, werd dat uiteindelijk de belangrijkste reden voor de voortzetting ervan door "kabaal van calvinisten"; bij de onderhandelingen voor het Twaalfjarig Bestand in 1608 was de opstand al zozeer een godsdienstoorlog geworden, dat de Oostenrijkse aartshertogen in ruil voor de door hen geëiste volkomen vrijheid van uitoefening van de katholieke godsdienst het offer wilden brengen van de afstand van de zeven Verenigde Provinciën, en dus religieuze boven politieke belangen stelden.[19]
  • Van 1583 tot 1588 woedde de Keulse Oorlog in het Rijnland tussen calvinisten en katholieken.
  • Van 1592 tot 1604 woedde de Straatsburgse Bisschoppenoorlog in het Prinsbisdom Straatsburg tussen protestanten en katholieken.

Europese periode 1618–1648[bewerken]

Een derde golf van reformatieconflicten vond plaats in de 17e eeuw.

  • De Dertigjarige Oorlog (1618–1648) was de laatste en tevens grootste godsdienstoorlog, die parallel liep met de eindfase van de Tachtigjarige Oorlog en wiens uitbreken mede door toedoen van Prins Maurits was veroorzaakt. Het Heilige Roomse Rijk raakte verscheurd tussen protestanten en katholieken. Het conflict breidde zich snel uit door de interventie van buitenlandse mogendheden die soms wel (in het geval van Denemarken en Zweden), soms niet (in het geval van Frankrijk) hun geloofsgenoten te hulp schoten. Met de Vrede van Westfalen (1648) kwamen beide oorlogen ten einde. De Dertigjarige Oorlog geldt als de bloedigste godsdienstoorlog in de Europese geschiedenis.
  • De Hugenotenopstanden (1620–1622, 1625 en 1627–1629) in Frankrijk vonden plaats tussen de Hugenotenoorlogen en de Franse deelname aan de Dertigjarige Oorlog: de hugenoten poogden in opstand te komen tegen het koninklijk gezag, dat samenwerkte met de katholieke Kerk en openlijk het Edict van Nantes schond. De opstanden eindigden in een totale overwinning voor de katholieken.
  • De Bisschoppenoorlogen (1639–1640) gingen over of de Kerk van Schotland bestuurd moest worden door bisschoppen of niet, waarover koning Karel I van Engeland en de Schotten van mening verschilden.
  • Volgens sommige historici is ook de Engelse Burgeroorlog (1642–1649) als een godsdienstoorlog te bestempelen, al speelde de machtsstrijd tussen de koning en het parlement ook een grote rol.

Godsdienstoorlogen 1648–1900[bewerken]

Hoewel de Vrede van Westfalen doorgaans wordt bestempeld als het einde van de godsdienstoorlogen,[16] worden verschillende oorlogen in bijvoorbeeld de Zwitserse geschiedenis weleens als zodanig omschreven, al waren deze onmiskenbaar godsdienstige oorlogen wel een stuk kleinschaliger en kortstondiger:

  • de Eerste Villmergeroorlog (1656), waarin de protestanten geleid door Bern werden verslagen;
  • de Toggenburgeroorlog of Tweede Villmergeroorlog (1712), die de katholieken verloren en de kantons Bern en Zürich sterker maakte;
  • en de Sonderbundsoorlog (1847), waarbij conservatieve katholieke kantons een mislukte poging deden om zich van het Eedgenootschap af te scheiden.[20]

Franse Revolutionairen en Reactionairen[bewerken]

  • De Opstand in de Vendée (1793–1794) was een katholieke en royalistische opstand in de West-Franse Vendée tegen het antiklerikale beleid van de republikeinse Franse revolutionairen. Na aanvankelijk succes werd de opstand door de revolutionairen met drastisch geweld neergeslagen.[21]
  • De Boerenkrijg (1798) was deels een reactie op de ontkersteningspolitiek van de Franse revolutionairen die de Lage Landen in 1795 hadden veroverd. Onder de leus Voor Outer en Heerd (Voor Altaar en Haard, oftewel "Voor Kerk en Gezin") kwamen katholieke boeren in opstand tegen de antigodsdienstige maatregelen (waaronder het sluiten van kerken) van het Directoire, hoewel ook de plundering van het platteland een belangrijke factor was en de rechtstreekse aanleiding werd gevormd door de invoering van algemene dienstplicht op 5 september 1798.[22]

19e-eeuwse godsdienstoorlogen[bewerken]

Kanonnade van Qing-schepen die de hoofdstad van het Hemelse Koninkrijk belegeren.
  • Na de Britse teruggave van de Nederlandse koloniën bij het herstel van de Nederlandse onafhankelijkheid na de Franse bezetting, dreigden overal in Nederlands-Indië opstanden: die op Java leidden tot de Java-oorlog (1825–1830) en op Sumatra tot de Padri-oorlogen (1827–1831). Deels was hier ook sprake van een godsdienstoorlog door de islamistische padri-beweging tegen het Nederlandse gouvernement.
  • De Belgische Revolutie (1830–1831/9) had drie hoofdmotieven: katholieke, liberale en Franstalige weerstand tegen de protestantse, verlicht despotische en Nederlandsbevorderende politiek van Willem I der Nederlanden.[23] Het Voorlopig Bewind dat zich tijdens de septembergevechten in Brussel opwierp als leidinggevend orgaan van de rebellen bestond volledig uit Franstalige katholieken en liberalen (unionisten). Echter, er was ook opstandigheid (waaronder dienstweigering) in overwegend katholieke gebieden in Noord-Nederland, zoals Twente en het Rivierengebied (de Liemers, het Rijk van Nijmegen en het Land van Maas en Waal), waar het Nederlandse leger extra manschappen heen moest sturen om de orde te handhaven.[24][25] In het vanouds katholieke Limburg kregen de rebellen zelfs vaste voet aan de grond, echter op de vestingsteden Maastricht en Venlo na, zodat Oost-Limburg tegen wil en dank toch bij Noord-Nederland bleef horen. Andere overwegend katholieke gebieden zoals Zeeuws-Vlaanderen en Noord-Brabant vertoonden betrekkelijk weinig sympathie voor de revolutie, al vreesde de Nederlandse regering daar wel voor, en derhalve werden er daar voor de zekerheid extra troepen gelegerd.
  • De Chinese Taiping-opstand (1850–1864) van de syncretistische christelijke Taiping-sekte onder leiding van Hong Xiuquan, die met miljoenen volgelingen het Hemelse Koninkrijk van de Grote Vrede stichtte en in een bloedige burgeroorlog trachtte de traditioneel-religieuze Qing-dynastie omver te werpen.

20e- en 21e-eeuwse godsdienstoorlogen[bewerken]

Indische soldaten tijdens de Eerste Kasjmiroorlog (1947).

Recentere voorbeelden van oorlogen waarbij religie een belangrijke factor vormde voor het ontstaan of de uiteindelijke inzet van gewapend conflict zijn onder andere:

Filmjournaal uit 1970 over het Noord-Ierse conflict.
  • The Troubles (eind jaren 1960–1998): de strijd in Noord-Ierland tussen de protestanten [26] en rooms-katholieken [27] om het al dan niet aansluiten van Ulster bij Ierland.
  • De Biafra-oorlog (1967–1970) was naast economische, etnische en culturele spanningen een godsdienstoorlog tussen de christelijke Igbo en de islamitische Haussa-Fulani.
  • De Moro-opstand in de Filipijnen (1969–2014) was een godsdienstoorlog tussen islamitische Moro-separatisten (het Moro National Liberation Front, het Moro Islamic Liberation Front en de Abu Sayyaf-groep) en de regering van de overwegend rooms-katholieke Filipijnen.
  • De Libanese Burgeroorlog (1975–1990) wordt vaak omschreven als een godsdienstoorlog tussen christelijke, soennitische en sjiietische milities over de politieke verhoudingen tussen de bevolkingsgroepen in Libanon.
  • De Irak-Iranoorlog (1980–1988) werd door het Iraakse Saddam Hoessein-regime begonnen om politiek-militair gewin nadat de Iraanse Revolutie haar buurland had veranderd in de aanvankelijk intern verdeelde en daarom instabiele Islamitische Republiek Iran. De puriteins-sjiietische regering van Iran maakte van de oorlog een heilige oorlog, waarbij de in hun ogen 'tirannieke' soennieten verslagen moesten worden; er werd veel teruggegrepen naar de Slag bij Karbala om de overwegend sjiietische bevolking van Iran te verenigen en mobiliseren tegen de "soennitische vijand" Irak.
  • De Tweede Soedanese Burgeroorlog (1983–2005) wordt wel omschreven als een etnisch-religieuze oorlog tussen de islamitische noordelijke meerderheid die de staat domineerde en de shariawetgeving nationaal wilde invoeren, en de christelijk-animistische zuidelijke minderheid die zich daartegen verzette (hoewel de Zuid-Soedanezen ook onderling slaags raakten). Uiteindelijk werd Zuid-Soedan in 2011 onafhankelijk als gevolg van dit bloedige conflict met het door moslims gedomineerde noorden.
  • De Joegoslavische Oorlogen (1991–1995): hoewel vaak omschreven als een etnisch of nationalistisch conflict, menen sommige critici dat het hier in werkelijkheid ging om godsdienstoorlogen (katholiek versus orthodox versus islamitisch), en dat woorden als "Servisch" en "Kroatisch" slechts eufemismen waren om de godsdienstige kern van de conflicten te verhullen.[28]
  • Het Shariaconflict in Nigeria (1999–heden) ontstond na de beëindiging van de 33-jarige militaire dictatuur en het herstel van de democratie. Toen verschillende Noord-Nigeriaanse deelstaten (waar de bevolking merendeels moslim is) daarop de sharia invoerden, in weerwil van Nigeria's seculiere grondwet en de overwegend in het zuiden wonende christelijke minderheid (ca. 40% van de totale bevolking), braken er christen-moslimrellen uit in onder meer Kaduna (februari 2000, meer dan duizend doden).[29] De spanningen tussen allerlei verschillende etnische, taalkundige, religieuze enz. bevolkingsgroepen die regelmatig tot dodelijke rellen leidden, gingen aanvankelijk hoofdzakelijk over de toegang tot schaarse goederen,[30] maar naar verloop van tijd ging het religieuze element overheersen. Boko Haram werd uiteindelijk de belangrijkste islamistische beweging die de sharia in heel Nigeria wil invoeren en sinds 2009 een gewapende opstand tegen de federale (door christenen gedomineerde) regering voert om een islamitische staat te vestigen.[31]
  • De Syrische Burgeroorlog (2011–heden): hoewel de opstand tegen het regime van Bashar al-Assad aanvankelijk breed gedragen werd onder verschillende bevolkingsgroepen en zeker niet begonnen was als godsdienstoorlog, is het conflict steeds meer trekken gaan vertonen van een godsdienstoorlog tussen soennieten en niet-soennieten (alawieten, christenen, sjiieten, druzen), zodanig dat buitenlandse strijders uit Libanon, Irak, Iran, Turkije en enkele westerse (vooral Europese) landen hun Syrische geloofsgenoten te hulp schieten.
  • De Malinese Burgeroorlog (2012–2013) begon in januari 2012 als een separatistische Toeareg-opstand zoals Mali die er in de 20e eeuw wel meer had gezien, maar toen hun gelegenheidsverbond met radicale overwegend Arabische islamisten in juni 2012 uiteenviel werden zij snel door hun voormalige bondgenoten uitgeschakeld. De islamisten verklaarden in heel Mali shariawetgeving te willen invoeren en bonden de strijd aan met de Malinese regeringstroepen in het zuiden. Voor het eerst in de Malinese geschiedenis werden er zelfmoordaanslagen gepleegd door islamisten.
  • De Centraal-Afrikaanse burgeroorlog (2012–heden) ontstond in december 2012 als een opstand van Séléka, een coalitie van moslimmilities tegen de Centraal-Afrikaanse regering, die zij in maart 2013 uit de hoofdstad verdreven. Het conflict ging aanvankelijk vooral over de bodemschatten (diamanten) van de CAR, maar na een periode waarin Michel Djotodia interim-president van de rebellen was, viel de rebellencoalitie uiteen en verviel het land in anarchie[32] waarin onder andere moslimmilities christelijke burgers aanvielen, waarop christenmilities terugsloegen en ook islamitische burgers aanvielen.[33] De Belgisch-Limburgse katholieke bisschop van Kaga Bandoro Bert Vanbuel omschreef het conflict tegen januari 2014 als een godsdienstoorlog tussen christenen en moslims.[34]
  • De Jemenitische Burgeroorlog (2015–heden) wordt door de meeste media en sommige wetenschappers voornamelijk beschouwd als een godsdienstoorlog tussen soennieten en sjiieten, maar volgens andere deskundigen ligt het ingewikkelder.[35]

Aard van godsdienstoorlogen[bewerken]

Over de aard van godsdienstoorlogen is veel debat geweest. Aan de ene kant kan men stellen dat de term godsdienstoorlogen de lading niet dekt: de meeste militaire conflicten worden namelijk uitgevochten met economische of machtspolitieke motivatie. Anderzijds is er de laatste jaren een zekere kentering te bestuderen. Met name cultuurhistorici wijzen op het belang van de religieuze context waarin een aantal conflicten zijn uitgevochten. Voor de Franse godsdienstoorlogen werd het debat hierover aangezwengeld door een artikel van Natalie Zemon Davis, die sprak van 'rites of violence'[36]. Volgens de New Cultural Historians is religie niet zozeer een stelsel dogma's, maar een bindende sociale factor die culturele identiteit verschaft. Geen 'body of beliefs' maar een 'body of believers'. Mack Holt constateert een historiografische tendens om 'de godsdienst weer in de godsdienstoorlogen terug te brengen'.[37]. Volgens Konrad Repgen is de vraag naar motivatie niet te beantwoorden: het is namelijk niet te achterhalen in hoeverre strijders werkelijk godsdienstig gemotiveerd zijn. In zijn visie is een godsdienstoorlog een conflict dat religieus wordt gelegitimeerd[38].

Men kan zich ook afvragen in hoeverre een interne strijd wel te kwalificeren is als een godsdienstoorlog. Een strijd tussen gelijkgerichte godsdiensten, zoals in Ierland, en in de 16e eeuw in Frankrijk (katholieken tegen de hugenoten), doet zich ook binnen de islam voor (soennieten tegen sjiieten). Voor wat betreft de christelijke godsdienstoorlogen wordt ook wel gesproken over confessieoorlogen.

Ook over de islamitische godsdienstoorlogen is veel debat. De minimalistische visie stelt dat conflicten in feite materialistische doeleinden hadden. Het uitroepen van de jihad, bijvoorbeeld, aan het begin van jaarlijkse veldtochten van de Ottomanen had dan vooral een ritueel karakter. Volgens de maximalistische visie kan de gehele expansie van de islam sinds 622 gezien worden als jihad. Een recente erudiete analyse van Richard Bonney lijkt een genuanceerde middenpositie in te nemen. Bonney historiseert het verschijnsel jihad en concludeert dat de aard van jihad vooral contextbepaald was.[39]

In zijn comparatieve studie over 'heilige oorlog' (een term die in de 20e eeuw bedacht is door Friedrich Schwally)[40] komt James Turner Johnson tot ongeveer een dozijn kenmerken.[6]

"De mythe van het religieuze geweld"[bewerken]

In zijn boek "The myth of religious violence" gaat de Amerikaanse theoloog en godsdienstwetenschapper William T. Cavanaugh verder in zijn kritiek op de gangbare z.i. ideologisch gekleurde religiekritiek. Hij is het eens met Davis en andere sociologen die vinden dat in de vroegere historiografie over de 17e en 18e eeuw te weinig aandacht was voor politieke, sociale en economische oorzaken van geweld , maar hij vindt ook dat de godsdienst niet opnieuw zomaar als verklaringsfactor van geweld mag worden worden ingevoerd.

Cavanaugh gaat uit van de kennistheoretische analyse dat een breed containerbegrip als "religie" sowieso ongeschikt is om geweld en specifieke historische gebeurtenissen als oorlogen mee te verklaren. Religie blijkt bij nader onderzoek geen transcultureel en transhistorisch begrip of verschijnsel te zijn dat zich altijd en overal laat verbinden met zoiets als geweld en oorlog. Hij bekritiseert het daarom als onkritisch en gekleurd essentialisme om te spreken van 'religieus geweld' of 'godsdienstoorlogen'.

Cavanaugh bestrijdt de idee, als zou in de zogenaamde godsdienstoorlogen van de 17e en 18e eeuw de moderne seculiere natiestaat een einde hebben gemaakt aan primitief 'religieus geweld' van katholieken en protestanten. Cavanaugh behandelt in die periode in Europa 45 verschillende voorbeelden van gewapende conflicten en oorlogen tussen katholieke vorsten onderling, tussen protestantse vorsten onderling en van katholiek-protestantse bondgenootschappen tegen een protestantse of katholieke derde partij, waarbij religie niet het motief vormde. Het vele geweld kwam volgens Cavanaugh toen niet zozeer voort uit de religie, maar uit het opkomende absolutisme dat een groeiende behoefte had aan nationale, territoriale begrenzing. Dit absolutisme legde de basis voor het ontstaan van het seculiere nationalisme, dat z.i. een veel gewelddadiger karakter en structuur zou aannemen, dan dat godsdiensten en gelovigen an sich onderling ooit hebben laten zien, ook wanneer ze zich onder dwang verbonden met de moderne natiestaat.

Staten wilden godsdiensten onderwerpen, maar als ongewenste, onafhankelijke transterritoriale factor, en dus niet om het geweld ervan in te dammen. Dat laatste vormt volgens Cavanaugh echter wel een hardnekkige seculiere mythe. Die mythe dient er o.m. toe, om tot in onze tijd toe (vooral na 9/11) een ideologische tegenstelling te creëren tussen het seculiere Westen met zijn zelfbeeld van toepasser van modern, beschaafd, redelijk, humanitair geïnspireerd geweld, met daar tegenover een beeld van de ander, 'de rest', die gevaarlijk, primitief, religieus geweld zou uitoefenen. Hij ontkent niet, dat vandaag bepaalde vormen van terrorisme zich op religie beroepen, maar dat is voor hem geen voldoende aanwijzing om bv. een exclusieve relatie te mogen veronderstellen tussen islam en terreur.[41]

Links[bewerken]

Interview met Professor William T. Cavanaugh over de mythe van het religieuze geweld