Hasmoneeën

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De dynastie van de Hasmoneeën heerste over Judea vanaf de Makkabeese opstand tot 37 v.Chr. Gedurende een groot deel van deze periode heersten de Hasmoneeën over een onafhankelijk Joods koninkrijk ("het Hasmoneese rijk"). In 63 v.Chr. werd Judea echter een vazalstaat van Rome. In 37 v.Chr. kwam de politieke heerschappij van de Hasmoneeën tot een einde. In de jaren die volgden, zou de Herodiaanse dynastie heersen over het Joodse land.

Naamgeving[bewerken]

De naam 'Hasmoneeën' is gebaseerd op antieke bronnen.[1] heeft een belangrijke rol gespeeld in de Joodse geschiedenis kort vóór het begin van onze jaartelling. De familienaam gaat vermoedelijk terug op een voorouder met de naam Chasjmon/Hasmon.[2]

Met betrekking tot de periode van de Makkabeese opstand, spreekt men meestal over "de Makkabeeën", vanaf de heerschappij van Johannes Hyrcanus spreekt men meestal over de "Hasmoneeën" of "de Hasmoneese dynastie"; het gaat evenwel om personen uit dezelfde familie.

Geschiedenis[bewerken]

Makkabeese opstand[bewerken]

Judea aan het begin van de Makkabese opstand

De beroemdste leden van de familie van de Hasmoneeën zijn Mattathias en zijn vijf zonen, ook wel aangeduid als Makkabeeën. Mattathias en zijn zonen namen in het jaar 167 v.Chr. het initiatief voor de Makkabeese opstand, waarbij Joden die de Thora wilden naleven rebelleerden tegen de Seleucidische overheerser Antiochus IV Epiphanes. Het begin en verloop van de opstand wordt beschreven in het boek I Makkabeeën, zij het vanuit een gekleurd (pro-hasmonees) perspectief.

Aanvankelijk leidde Mattathias de opstand, maar na zijn dood nam zijn zoon Judas de leidersrol op zich. Hij is ook degene die als eerste de bijnaam 'Makkabeeër' kreeg (Makkabeeër betekent 'moker'). Drie jaar na het begin van de opstand veroverde Judas de tempel op de Seleucidische troepen en wijdde deze opnieuw. Dit wordt door Joden nog jaarlijks herdacht in het Chanoekafeest.

Judas en drie van zijn broers (namelijk Johannes, Jonathan - die Judas als leider van de opstand opvolgde - en Eleazar) sneuvelden in de strijd. Onder Simon de Makkabeeër, de enige in leven gebleven Makkabese broer, verkreeg het tempelstaatje Juda een hoge mate van zelfstandigheid.

Hasmoneese heerschappij over een zelfstandige Joodse staat[bewerken]

Toen Simon in 134 v.Chr. stierf, werd hij opgevolgd door zijn zoon Johannes Hyrcanus (134-104 v.Chr.). Daarmee werd de Hasmonese dynastie gevestigd. Voor het eerst na de Babylonische ballingschap was er weer sprake van een Joodse staat met een hoge mate van zelfstandigheid, al moest er in deze periode nog wel belasting worden afgedragen aan de Seleudicen. Dat was niet meer het geval onder Aristobulus I, de zoon van Johannes Hyrcanus. Volgens Flavius Josephus was hij de eerste Hasmoneese vorst die niet alleen hogepriester was, maar zichzelf ook "koning" noemde, een titel die ook Aristobulus' opvolgers zouden dragen. Aristobulus heerste maar kort (104-103 v.Chr.) en werd na zijn dood opgevolgd door Alexander Janneüs, de langst regerende Hasmoneese koning (103-76 v.Chr.). Onder zijn regering nam de hellenisering van het Hasmoneese koninkrijk serieuze vormen aan, wat hem in conflict bracht met meer behoudende Joodse groeperingen, zoals de Farizeeën. Na zijn dood sloot zijn weduwe, Salome Alexandra, die Janneüs opvolgde (76-67 v.Chr.), vrede met de Farizeeën. Na haar dood in 67 v.Chr. brak een strijd om de Hasmoneese troon uit tussen haar zonen Hyrcanus II (die tijdens Alexandra's bestuur al hogepriester was) en Aristobulus II. In 63 v.Chr. maakte de Romeinse generaal Pompeius een einde aan deze situatie. Hij naam Jeruzalem in, maakte van Judea een vazalstaat van Rome, zond Aristobulus als gevangene naar Rome en benoemde Hyrcanus als hogepriester, een functie die niet alleen religieus maar ook politiek van karakter was.

Einde van de dynastie[bewerken]

Van 63-40 v.Chr. bleef Hyrcanus in functie als hogepriester in Jeruzalem. Josephus beschrijft Hyrcanus als iemand die niet veel ruggengraat had, en volgens Josephus gaf dit zijn raadsheer Antipater - de gouverneur van Idumea - de kans in toenemende mate een belangrijke politieke rol voor zich op te eisen.

In 40 v.Chr. kwamen de Parthen onder Orodes II en zijn zoon Pacorus I op het toppunt van hun macht en wisten zij grote delen van Syrië te veroveren. Antigonus, de zoon van Aristobulus II, sloot een bondgenootschap met hen en met hun hulp wist hij voor korte tijd de macht over te nemen en de Hasmonese staat in ere te herstellen (40 v.Chr.-37 v.Chr.). De Parthische opleving hield echter niet lang stand en daarmee was feitelijk ook Antigonus' lot bezegeld. Herodes, de zoon van de inmiddels overleden Antipater, heroverde Jeruzalem met hulp van de Romeinen en kreeg het koningschap over het Joodse land. Om zijn heerschappij ook in Joodse ogen legitiem te maken, trouwde hij met de Hasmonese prinses Mariamne, maar haar politieke invloed was nihil. Ook Mariamnes broer Aristobulus III speelde geen rol van betekenis meer, doordat hij – kort nadat hij onder internationale politieke druk het ambt van Hogepriester had gekregen – om het leven kwam bij een door Herodes bevolen moordaanslag.

De familie van de Hasmoneeën bleef nog wel geruime tijd populair onder de Joden, maar heeft Herodes en de door hem gestichte nieuwe Herodiaanse dynastie niet meer van de heerserspositie kunnen verdringen.

Oppositie[bewerken]

Hoewel de Makkabeeën tijdens de opstand op veel steun konden rekenen van de wetsgetrouwe Joden (in deze periode ook wel chasideeën genoemd), veranderde dat toen de onafhankelijke Joodse staat was ontstaan. Uit de werken van Flavius Josephus blijkt dat de Farizeeën en de Essenen, die beide voortkomen uit de chasideeën, gedurende heel de Hasmonese periode kritisch of zelfs afwijzend stonden tegenover de Hasmonese heerschappij. De reden hiervoor was tweeledig.

Eerst en vooral hadden zij er bezwaar tegen dat de Hasmoneeën het koningschap en het hogepriesterschap in zich verenigden. Dit was, meenden zij, in strijd met de Thora: de koning moest afkomstig zijn uit de stam Juda, terwijl de hogepriester moest stammen uit de stam Levi, meer specifiek uit het geslacht van Aäron.

In de tweede plaats namen de Hasmonese vorsten in toenemende mate de hellenistische cultuur over, terwijl Essenen en Farizeeën zich vastklampten aan de Joodse tradities waar, naar hun gevoel, de Makkabeeën voor gestreden hadden.

Het boek I Makkabeeën lijkt geschreven te zijn met de bedoeling de binnenlandse oppositie te overtuigen van de rechtmatigheid van de Hasmonese heerschappij.

Groei van het Hasmonese rijk[bewerken]

In de tijd van Judas Makkabeüs was Judea een klein tempelstaatje. Vooral de eerste Hasmonese koningen toonden zich echter grote veroveraars. Het Hasmonese rijk breidde zich snel uit, tot het de omvang had van het Israël van de koningen David en Salomo.

Stamboom[bewerken]

Leiders van de Makkabese opstand of koningen in de Hasmonese dynastie zijn dikgedrukt.

 
 
 
 
 
 
 
 
Mattathias
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Johannes Makkabeüs
 
Simon Makkabeüs
 
Judas Makkabeüs
 
Eleazar Makkabeüs
 
Jonathan Makkabeüs
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Judas
 
Mattathias
 
Johannes Hyrkanus
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Aristobulus I
 
Antigonus
 
Alexander Janneüs
 
Salome Alexandra
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Aristobulus II
 
Hyrkanus II
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Antigonus
 
Alexander
 
Alexandra
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Aristobulus III
 
Herodes I
 
Mariamne
 


Referenties[bewerken]

  1. De dynastie wordt zo aangeduid door Flavius Josephus, onder meer in Joodse Oudheden, XIV 490. In de Misjna en in latere Rabbijnse literatuur wordt gesproken over "de zonen van חשמונאי [Chasjmôn'aj]" (m.Middot I 6).
  2. Volgens Josephus is deze naam afgeleid van een voorvader met de naam Ἀσαμωναῖος (Asamônaios of Asmoneüs) (zie Flavius Josephus, Joodse Oudheden XII 265), waarvan gezegd wordt dat hij de overgrootvader van Mattathias was, maar waar verder niets over bekend is.