Chanoeka

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
De chanoekia zoals die tijdens Chanoeka gebruikt wordt
Video door de Israeli News Company

Chanoeka (uitspraak: [χanuˈka]?) is een joods feest. In het Hebreeuws is het חנכה of חנוכה wat 'inwijding' betekent. Het feest staat ook wel bekend als 'het feest van de lichtjes' (חג האורות: Chag Ha'Orot) of inwijdingsfeest. Het feest duurt acht dagen, ter nagedachtenis aan het 'chanoekawonder' in de Tempel van Jeruzalem in 164 v. Chr. De eerste dag van dit feest begint na zonsondergang van de 24e dag van de joodse maand kislew.

Het feest is ontleend aan apocriefe boeken van de Maccabeën[1] en heeft niet zoals andere joodse feesten een oorsprong in de Tenach.

Feest van het licht[bewerken]

Chanoeka, anoniem schilderij uit de 18de eeuw

Chanoeka is een van de kleinere joodse feesten. Er gelden geen halachische verboden, behalve enkele kleine beperkingen rond de tijd dat de kaarsen aangestoken moeten worden en wanneer zij branden. Herdacht wordt de herinwijding van de Tempel van Jeruzalem in 164 v.Chr. door Juda de Maccabeër.

Na de herinwijding was er volgens de beschrijving van het wonder van de olie in de Talmoed slechts één kruikje kosjere olie voorradig om de menora te branden tijdens de reiniging van de Tempel. Het kruikje raakte echter niet leeg voordat nieuwe zuivere olie was toebereid, maar schonk genoeg olie om de menora gedurende acht dagen brandend te houden.

Historische achtergrond[bewerken]

Het verhaal van Chanoeka draait om Juda de Maccabeër. De Maccabeeën waren een familie van hogepriesters.[2] Hun aanhangers worden ook onder de Maccabeeën gerekend.

Juda leefde in het Hellenistische tijdperk, toen de Joden wat betreft hun geloofsbelijdenis zwaar onderdrukt werden. Het kwam zelfs zover dat de Seleucidische Grieken de Tempel in Jeruzalem ontwijdden door op het altaar een varken te offeren, een dier dat voor Joden onrein is volgens de spijswetten. Ook wilden de Grieken een beeld van Zeus in de Tempel neerzetten.[2]

Voor de Joden was dit de laatste druppel en een groepje onder leiding van Juda besloot om terug te slaan. Dit groepje kreeg steeds meer aanhangers en ze wonnen steeds meer stukken land terug uit de handen van de vijand. Hun populariteit werd zelfs zo groot, dat het gewone Joodse volk de leider 'Jehuda haMacabi' ging noemen, Hebreeuws voor 'Juda de Hamer'. Anderen geloven dat Juda 'haMacabi' werd genoemd omdat hij en zijn manschappen op hun banieren de letters Mem מ, Kaf כ, Beth ב, Jod י voerden. Zij beweren dat deze letters staan voor de woorden 'Mi Chamocha Ba'elim Adonai?', letterlijk vertaald: Wie is zoals U onder de goden, Eeuwige? De manschappen van Jehuda werden naarmate ze meer veldslagen wonnen bekend als de Maccabeërs.

Uiteindelijk bereikten Jehuda en zijn mannen Jeruzalem en na een bloedige strijd overwonnen ze de Grieken. Toen ze echter de Tempel binnenkwamen, zagen ze dat de Grieken alles vernield hadden (traktaat Sjabbat 21a-24b[3] uit de Talmoed). Het was de taak van de hogepriester om de Tempel weer in ere te herstellen. Zij moesten bijvoorbeeld de afgodenbeelden verwijderen, een nieuw altaar in plaats van het verontreinigde altaar bouwen en nieuwe heilige bekers vervaardigen.

De hoge menora die in de Tempel stond was door de Grieken omgegooid en moest weer recht gezet worden. Nadat dit gedaan was, merkten de priesters dat er geen oliekruiken meer waren. Een van hen vond echter nog een klein kruikje, met daarin nog net genoeg olie om de menora één dag te laten branden. De menora werd aangestoken en de Tempel werd heringewijd. De priesters moesten op zoek naar meer ritueel gezuiverde olijfolie om de menora te laten branden, maar konden dat niet vinden. De volgende dag was het kruikje echter opeens weer vol. De volgende dag gebeurde hetzelfde en zo ging het acht dagen lang. Op een miraculeuze wijze was de kleine hoeveelheid olie uit het gevonden kruikje dus voldoende voor acht dagen, de tijd die nodig was om nieuwe olie te persen en te zuiveren.

De hogepriester, priesters, Makkabeeën en het gewone volk vierden een groot feest en de hogepriester stelde dit feest in op dezelfde tijd van het jaar, de maand kislew, opdat de Joden deze wonderlijke gebeurtenis niet zouden vergeten. Daarom vieren de Joden jaarlijks vanaf de 25e kislew het feest van Chanoeka, dat 'Herinwijding' betekent.

Juda stichtte na zijn overwinning op de Grieken een zelfstandige staat die tot de Romeinse overwinning zou blijven bestaan.[2]

Gebruiken[bewerken]

Voornaamste gebruiken tijdens Chanoeka zijn het aansteken van kaarsjes in de chanoekia, eten van soefganiot en latkes, uitdelen van Chanoeka-geld of cadeautjes en het spelen met de dreidel.

Aansteken van de chanoekia[bewerken]

De chanoekia heeft plaats voor 8+1 kaarsjes of vlammetjes op olie. De chanoekia verschilt met de Menora die 7 armen heeft, Iedere dag steekt men eerst het extra ("negende") lichtje aan, de sjamasj. Sjamasj is afgeleid van het Hebreeuwse sjimoesj, dienst, omdat dit lichtje dienstdoet om de andere aan te steken. De sjamasj staat iets afgezonderd van de andere lichtjes, qua hoogte of plaats.

Voor het aansteken van de andere lichtjes spreekt men twee zegens uit: asjer tsivanoe – die ons gebood – en sje'asa nisiem – die wonderen deed. Alleen op de eerste dag van Chanoeka spreekt men een extra zegen uit: sjehechijanoe – die ons deed beleven. Daarna steekt men met de sjamasj de andere lichtjes aan: de eerste dag één, de tweede dag twee en zo voorts, tot op de achtste dag alle lichtjes branden.

Na het aansteken van de kaarsjes spreekt men vaak een tekst uit met de redenen voor het aansteken van de lichtjes en de regels omtrent het gebruik ervan: Hanerot halaloe – deze lichtjes. Hierna zingt men het Maoz Tsoer. Dit lied is een acrostichon; de eerste letters van de coupletten vormen een naam. Men zingt vaak alleen het eerste couplet.

Een bijzonder aspect van de chanoekia met lichtjes is dat men – indien dit geen gevaar mee kan brengen – wordt geacht deze in het raamkozijn neer te zetten. Deze regel is bijzonder in het overigens introverte jodendom. Chabad-Lubavitch, een extraverte chassidische richting rondom de Lubavitcher Rebbe, heeft hieruit zelfs een gebruik afgeleid tot het plaatsen van gigantische chanoekiot op publieke plaatsen. Soortgelijke chanoekiot staan in Israël ook los van die chassidische stroming.

Gerechten[bewerken]

De voornaamste gerechten die met Chanoeka worden gegeten zijn latkes of levivot – een soort aardappelpannenkoekjes of rösti – en soefganiot, sterk op berlinerbollen of Oostenrijkse Krapfen gelijkend en traditioneel gevuld met jam. Deze lekkernijen worden speciaal met Chanoeka gegeten omdat ze in olie bereid worden, als herinnering aan het wonder van de olie.

Chanoeka-geld[bewerken]

Oorspronkelijk kregen kinderen met Chanoeka wat zakgeld, waarvan ze geacht werden een gedeelte af te staan aan tsedaka. Nu wordt het 'geld' vaak in chocolademunten gegeven en daarnaast worden cadeautjes uitgewisseld.

Dreidel[bewerken]

Een dreidel

De dreidel, trendel of sevivon is een vierzijdig tolletje waarmee tegenwoordig vooral kinderen spelen. Toen de joodse studie tijdens de Chanoeka-episode onder de Syrische bezetter verboden was, werd het tolletje gebruikt om in het geheim te studeren; als studenten werden betrapt deden zij net alsof zij een onschuldig spelletje speelden.

Het bijbehorend spelletje werkt met een pot (net als ganzenbord). Op het tolletje staan vier Hebreeuwse letters noen, giemel, hee en sjien; deze betekenen zowel:

  • in het Hebreeuws: Nes Gadol Haja Sjam – een groot wonder gebeurde daar
  • als in het Jiddisch: Nichts (niets), Ganz (alles), Halb (half), Stell (bijleggen in de pot)

In Israël wordt de sjien vervangen door de pee, zodat er staat: een groot wonder gebeurde hier (Nes Gadol Haja Pò).

Chanoeklaas en kerstmis[bewerken]

In België en Nederland komt Chanoekah in veel joodse gezinnen globaal in plaats van het sinterklaasfeest in andere gezinnen en worden cadeaus uitgewisseld, wat geleid heeft tot de mengvorm Chanoeklaas.[4] Ook de zoete lekkernijen passen hierbij. Omdat Chanoeka eind december valt, wordt het in Noord-Amerika ook wel gezien als de joodse vorm van kerstmis.

Bronnen[bewerken]

Het verhaal van Chanoeka inclusief het wonder van de olie is opgetekend in de Talmoed (met name in traktaat Sjabbat). Het verhaal – zonder het wonder – staat ook in de apocriefe boeken I Makkabeeën en II Makkabeeën. Een seculiere versie van de relatief recente gebeurtenis is opgeschreven in het boek van Flavius Josephus: 'geschiedenis van de joden'. Volgens Josephus werd het feest in de volksmond het feest van de lichten genoemd. Volgens Flavius Josephus stonden de lichten symbool voor de vrijheid die de joden verkregen, op de gebeurtenis die op het feest wordt gevierd.

In de Talmoed worden twee versies van de gebruiken rond Chanoeka beschreven. Het was gebruikelijk om acht lampen op de eerste nacht van het feest te laten schijnen, en het aantal iedere volgende nacht met een te reduceren. Een ander gebruik was om juist op de eerste nacht met één brandende lamp te beginnen, en iedere nacht een extra aan te steken tot er acht brandden, op de achtste nacht. Het eerste gebruik werd door de volgers van Sjammai gevolgd, het laatste door die van Hillel en is tegenwoordig de algemeen geaccepteerde praktijk. De letters van het Hebreeuwse woord Chanoeka vormen daartoe een aanwijzing; Chet (achtste letter van het Hebreeuwse alfabet), Noen, Waw (oe-klank), Chaw (of Kaw), He: Chet Nerot OeKehilchat Hillel – acht lichten en volgens de regel van Hillel.

Christelijke referenties[bewerken]

In Zacharia 14 wordt het Chanoekafeest opgenomen in een eschatologisch perspectief, waarin er 'levend water' uit Jeruzalem zal stromen. In de christelijke traditie keert dit visioen terug in het Johannesevangelie, waarin het verhaal verteld wordt over de genezing van de lamme van Betseda, dat plaats vindt ten tijde van het Chanoekafeest. Het verhaal begint met de mededeling dat vanwege 'een feest van de joden' Jezus naar Jeruzalem keert, mede gezien het verloop van het verhaal moet hier het Chanoekafeest bedoeld zijn (Johannes 7:1-10:39). De Engelse nieuwtestamenticus Andrew T. Lincoln wijst erop dat in de tijd van Jezus de twee belangrijkste symbolen van het feest licht en water waren.[5] Lincoln noemt hierbij de ceremonie van het putten van water in de vijver van Siloam, een gebed voor regen op de laatste dag van het het feest en daarnaast het ontsteken van vier grote lampen in het Hof van de Vrouwen, die het mogelijk maakten de hele nacht te dansen. Jezus, die zich bij een eerder bezoek aan de Tempel had doen kennen als een criticus van Tempelrituelen en van het Tempelestablishment toen hij met Pesach de stalletjes met dierenoffers omver had gegooid (Johannes 2:13-3:21), bezocht de vijver waar toen altijd zieken te vinden waren, die hoopten dat een bad in het water hen van hun ziekten zou reinigen (Johannes 5:1). Een van de zieken, die niet kon lopen, vertelt Jezus dat hij niet bij het water kan komen, waarna hij volgens het verhaal door Jezus genezen wordt. Op diverse plaatsen in de Evangeliën wordt Jezus met kritische referenties aan de Tempelfeesten in die tijd 'onze Tempel', 'Bron van levend water' en 'Licht der wereld' genoemd.

Chronologie[bewerken]

  • 198 v.Chr.: Legers van de Seleucidische koning Antiochus III (Antiochus de Grote) verwijderen Ptolemeüs V uit Judea en Samaria.
  • 180 v.Chr.: Antiochus IV Epiphanes bestijgt de Seleucidische troon.
  • 168 v.Chr.: Onder het bewind van Antiochus IV wordt de tempel geplunderd. Joden worden massaal vermoord en het jodendom wordt onwettig verklaard.
  • 167 v.Chr.: Antiochus beveelt dat een heiligdom ter ere van Zeus in de tempel moet worden opgericht. Mattathias en zijn vijf zonen Johannes, Simon, Eleazar, Jonathan en Judah leiden een opstand tegen Antiochus. Judah raakt bekend als Judah Maccabeüs (Judah de Hamer).
  • 166 v.Chr.: Mattathias sterft, en Judah volgt hem op als leider. Het joodse koninkrijk der Hasmoneeën begint; het duurt tot 63 v.Chr.
  • 165 v.Chr.: De joodse opstand tegen de seleucidische monarchie is succesvol. De tempel wordt bevrijd, en opnieuw ingewijd (Chanoeka).
  • 142 v.Chr.: Vestiging van het tweede joodse regeringsverband. De Seleuciden erkennen de joodse autonomie. Formeel houden de Seleucidische koningen de heerschappij, die door de joden erkend wordt. Dit luidde een periode van grote geografische uitbreiding, groei van de bevolking en religieuze, culturele en sociale ontwikkeling in.
  • 139 v.Chr.: De Romeinse senaat erkent joodse autonomie.
  • 130 v.Chr.: Antiochus VII belegert Jeruzalem, maar trekt zich terug.
  • 129 v.Chr.: Antiochus VII sterft. Israël werpt de Syrische heerschappij volledig van zich af.
  • 96 v.Chr.: Een burgeroorlog begint, die acht jaar zal duren.
  • 83 v.Chr.: Consolidatie van het koninkrijk in het gebied ten oosten van de rivier de Jordaan.
  • 63 v.Chr.: Het Hasmonese joodse koninkrijk komt tot een einde vanwege rivaliteit tussen de broers Aristobulus II en Hyrcanus II, die beiden een beroep doen op Rome om hen te helpen en de machtsstrijd in hun voordeel te doen beslissen. Rome valt het land binnen, en neemt de macht over in het gehele land. Er vindt een massamoord plaats op twaalfduizend joden wanneer de Romeinen Jeruzalem binnentrekken. De tempelpriesters worden bij het altaar gedood. Rome annexeert Judea. De tempel wordt verwoest. Hieraan herinnert de vasten- en rouwdag Tisja Beav. De overwinning en de herinwijding van de tempel worden hiermee door een onderlinge strijd om het koningschap uiteindelijk tenietgedaan. Die strijd werd gevoerd door de afstammelingen van de Makkabeeën, die, omdat zij priesters waren, eigenlijk geen recht op het koningschap hadden, maar zich na hun overwinning en de herinwijding het koningschap ten onrechte toe hadden geëigend.

Toekomstige data[bewerken]

  • 25 december 2016 - 1 januari 2017
  • 13-20 december 2017
  • 3-10 december 2018

NB: de eerste dag vangt aan met zonsondergang, de laatste dag eindigt met zonsondergang.