Tabernakel (tent)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Model van de tabernakel in de Timnavallei in Israël [1]
Sleutelteksten in de Bijbel
Eerste offers

Geschiedenis van de tabernakel
  • Exodus 25:8, 9: Mozes krijgt de opdracht een tabernakel te bouwen
  • Numeri 7: Inwijding van de tabernakel
  • Numeri 14:34: Start zwerftocht door Sinaï
  • Jozua 4:19: De tabernakel in Gilgal
  • Jozua 18:1: De tabernakel in Silo
  • 1 Samuel 21:1: De tabernakel in Nob
  • 1 Samuel 21:29: De tabernakel in Gibeon
  • 1 Koningen 8: Salomo wijdt de tempel in

Symboliek

De tabernakel, ook wel de tent der samenkomst genoemd, was volgens de Hebreeuwse Bijbel een verplaatsbare tent die dienstdeed als plaats van aanbidding voor de Israëlieten en symbool stond voor Gods verblijf in hun midden.[v 1] Het verslag in de Bijbelboeken Exodus, Leviticus en Numeri verhaalt hoe de tent werd vervaardigd en in gebruik genomen overeenkomstig de instructies die Mozes volgens de Bijbel van God had gekregen op de berg Horeb.

Het interieur van de tabernakel bestond uit twee ruimten, namelijk het Heilige dat een reukaltaar, een lampenstandaard en een tafel voor het toonbrood bevatte, en het Heilige der Heiligen met de Ark van het Verbond, symbool voor Gods tegenwoordigheid. De tent stond geplaatst in het voorhof, een omheind terrein waarop ook een brandofferaltaar stond en een koperen wasbekken. De werkzaamheden met betrekking tot de tabernakel, zoals het vervoeren van de tent, de omheining en de gehele inventaris, werd opgedragen aan de Levieten, die daartoe door God zouden zijn gekozen. Offers werden uitsluitend gebracht door priesters die nakomelingen waren van Mozes' broer Aäron.

Volgens het Bijbelverslag namen de Israëlieten de tabernakel met zich mee tijdens hun tocht naar het Beloofde Land in Kanaän. Hier deed de tabernakel dienst als heiligdom tot het gereedkomen van Salomo's tempel in Jeruzalem, zo'n vier eeuwen later. Deze werd, net als alle volgende joodse tempels, overeenkomstig het ontwerp van de tabernakel gebouwd, waarbij elk heilig voorwerp zijn oorspronkelijke functie behield. Ook in de huidige synagoges en christelijke kerken zijn nog elementen te vinden die hun oorsprong in de tabernakel hebben. In joodse en christelijke commentaren op de Thora en enkele Bijbelboeken in het Nieuwe Testament wordt dieper ingegaan op de symboliek van de tabernakel, de erbij behorende inventaris en de offers die er gebracht werden.

Naamgeving[bewerken]

De Israëlieten werden bij de tabernakel vergaderd om naar Gods instructies te luisteren, daarom wordt deze ook de tent der samenkomst genoemd.[2]

De tabernakel wordt meer dan tweehonderd maal in de oorspronkelijke Hebreeuwse tekst genoemd.[3] Gebruikte uitdrukkingen voor de tabernakel in de tekst zijn מִשְׁכַּן (misjkan, verblijfplaats),[4] אֹ֫הֶל ( ʼohel, tent)[5] en מִקְדָּשׁ (miqdasj, heiligdom).[6] In de Griekse manuscripten wordt het woord σκηνή (skènè, tent) gebruikt.[7] Het Nederlandse woord tabernakel is afgeleid van het Latijnse woord tabernāculum, dat weer is afgeleid van het Latijnse woord taberna, wat hut of winkel betekent.[n 1] De Romeinen gebruikten het woord tabernāculum voor elk soort van onderkomen voor soldaten, dat gewoonlijk bestond uit een tent van leer.[8]

In sommige Bijbelpassages wordt de tabernakel ook de tent der samenkomst genoemd.[v 2] Deze term heeft in andere passages echter betrekking op de tent van Mozes. Voordat de tabernakel werd opgericht kwam het volk namelijk bij Mozes' tent voor raad of instructies. De aanwezigheid van God werd bij die tent gesymboliseerd door een wolkkolom, zoals dit later gebeurde boven de tabernakel.[v 3]

Andere uitdrukkingen in de Hebreeuwse Bijbel voor de tabernakel zijn onder andere tent der getuigenis,[v 4] woning der getuigenis of tabernakel der geboden.[v 5] In het Nieuwe Testament wordt daarnaast ook gesproken over de tent van God [n 2][v 6] of eenvoudigweg de tent of de hut.[v 7]

Geschiedenis volgens het Bijbelverslag[bewerken]

De historische periode waarin de tabernakel volgens de Bijbelverslagen als joods heiligdom werd gebruikt moet worden gesitueerd in de tweede helft van het 2e millennium v.Chr. Buiten de Bijbel zelf zijn er uit deze periode geen primaire bronnen bekend die melding maken van de tabernakel. Geschiedschrijvers en rabbijnen borduurden kennelijk meestal voort op het Bijbelverslag.[9] Veel zaken die direct of indirect in relatie staan tot de tabernakel worden tegenwoordig betwist. Voorbeelden zijn de authenticiteit van de Bijbel, de uittocht uit Egypte en het bestaan van Mozes.

Voorgeschiedenis[bewerken]

Noach offerde op een reukaltaar nadat hij en zijn gezin de Zondvloed overleefden.
- Landschaft mit dem Dankopfer Noahs door Joseph Anton Koch (ca. 1803)

Volgens de Bijbelverslagen werden al vroeg in de geschiedenis offers aan God gebracht. Kaïn en Abel, de eerste zonen van Adam en Eva, offerden 'vruchten van de aardbodem' en 'eerstgeborenen van het kleinvee'.[v 8] In het verslag van de Zondvloed staat de eerste vermelding van een reukaltaar, dat Noach bouwde nadat hij de Ark verliet.[v 9] Ook de aartsvaders Abraham, Isaäk en Jakob bouwden altaren voor God. In de Bijbel staat beschreven dat deze altaren gebouwd werden na een speciale gebeurtenis, zoals een ontmoeting met God.[v 10]

Het Bijbelboek Exodus, in de Hebreeuwse Bijbel Shemot genoemd, verhaalt hoe na de dood van Jakob zijn nakomelingen, de Israëlieten, werden onderdrukt door de Farao van Egypte.[v 11] Nadat Mozes ze met Gods hulp rond de 14e eeuw v.Chr. uit Egypte leidde, maakten de Israëlieten een lange tocht door woestijnachtig gebied naar Kanaän, het Beloofde Land.[n 3] Toen ze bij de berg Sinaï aankwamen,[n 4] die op het gelijknamige schiereiland staat, besteeg Mozes deze berg en ontving hij van God de Tien Geboden en aanvullende wetten.[v 12] Volgens een van deze wetten mochten er geen gehouwen stenen gebruikt worden wanneer men een altaar maakt.[v 13] Nadat Mozes weer van de berg was afgedaald, bouwde hij volgens deze instructie een altaar voor God.[v 14]

Instructies[bewerken]

De berg Sinaï, waar Mozes volgens het boek Exodus instructies kreeg voor de bouw van de tabernakel

In het vervolg van het Bijbelverslag wordt verhaald hoe Mozes een tweede maal de berg Sinaï besteeg, waar hij aanvullende wetten van God ontving.[v 15] De hoofdstukken 25 tot en met 31 van Exodus bevatten uitgebreide instructies van God aan Mozes voor de bouw van de tabernakel en de inwijding ervan.[n 5] Mozes kreeg de opdracht om specifieke voorwerpen in te zamelen voor de bouw van de tabernakel en het voorhof, de inventaris en de kleding van de priesters. Vervolgens verklaarde God:

Aanhalingsteken openen

8 En zij zullen Mij een heiligdom maken, dat Ik in het midden van hen wone.

9 Naar al wat Ik u tot een voorbeeld dezes tabernakels, en een voorbeeld van al deszelfs gereedschap wijzen zal, even alzo zult gijlieden dat maken.
— Exodus 25:8, 9 - Statenvertaling
Aanhalingsteken sluiten

De in Exodus vermelde instructies behelzen onder andere de te gebruiken materialen en de uitvoering van alle voorwerpen en hun behuizing. Het boek beschrijft ook dat Bezaleël uit de stam Juda en Aholiab [n 6] uit de stam Dan door God werden aangewezen als degenen die de leiding kregen bij het vervaardigen van al deze voorwerpen.[v 16]

Uitvoering[bewerken]

Voorstelling van de montage van de tabernakel [12]

Voor het vervaardigen van de tabernakel, de inventaris en de kleding van de priesters waren veel kostbare materialen nodig. In hoofdstuk 35 van Exodus wordt verhaald hoe Mozes een beroep deed op de Israëlieten om deze materialen te verzamelen. Er werden voorwerpen afgestaan van goud, zoals sieraden, alsook van zilver en koper. Het totaalgewicht aan goud en zilver dat werd gebruikt bedroeg respectievelijk circa 1000 kilogram en 3440 kilogram.[v 17][n 7] Voor de dekkleden van de tabernakel, de omheining van het voorhof en de kleding van de priesters werden wollen en linnen stoffen, een groot aantal dierenvellen en enkele edelstenen ingeleverd. Ook werden ingrediënten voor het reukwerk en de zalf- en balsemolie bijeengebracht. De Israëlieten namen veel van de genoemde materialen mee toen ze Egypte verlieten. Het verslag in Exodus vermeldt hoe de Egyptenaren mantels en zilveren en gouden voorwerpen aan de Israëlieten meegaven, kennelijk omdat ze opgelucht waren dat ze eindelijk van de plagen af waren die God over Egypte had gebracht.[v 18]

In de hoofdstukken 36 tot en met 39 van Exodus wordt beschreven hoe de tabernakel, de bijbehorende inventaris en de kleding voor de hogepriester en de priesters werden vervaardigd onder leiding van Bezaleël en Aholiab. Hoofdstuk 39 eindigt met de woorden:

Aanhalingsteken openen

42 Naar alles, wat de Heere aan Mozes geboden had, alzo hadden de kinderen Israels het ganse werk gemaakt.

43 Mozes nu bezag het ganse werk, en ziet, zij hadden het gemaakt, gelijk als de Heere geboden had; alzo hadden zij het gemaakt. Toen zegende Mozes hen.
— Exodus 39:42, 43 - Statenvertaling
Aanhalingsteken sluiten

In het laatste hoofdstuk van Exodus, hoofdstuk 40, wordt beschreven hoe Mozes de onderdelen van de tabernakel in elkaar zet op 'de eerste maand, in het tweede jaar, op de eerste der maand',[v 19] dat wil zeggen op 1 Niesan, in het tweede jaar na de uittocht uit Egypte.

Mozes zalft de hoornvormige versieringen van het brandofferaltaar.[12]

Zalving en inwijding[bewerken]

In Leviticus hoofdstuk 8 en 9 staat het verslag opgetekend van de installatie van de tabernakel en de bedienende priesters, volgens de instructies zoals opgetekend in Exodus hoofdstuk 29. Mozes verzamelde heel het volk voor de tabernakel om aanwezig te zijn bij deze installatie. Nadat Mozes' broer Aäron en diens zonen Nadab, Abihu, Eleazar en Ithamar zich hadden gereinigd trok Mozes hen de priesterkleding aan. Met speciaal vervaardigde zalfolie [v 20] werden eerst de tabernakel en de inventaris ervan gezalfd en vervolgens het koperen bekken en het brandofferaltaar die op het voorhof gebruikt werden. Daarna werd een kleine hoeveelheid zalfolie op Aärons hoofd uitgegoten, waarna hij als hogepriester werd aangesteld.

Er werden drie offerdieren geslacht, een stier en twee rammen. Delen van de geslachte stier dienden tot het ceremonieel reinigen van het altaar. Daartoe bestreek Mozes de hoornvormige versieringen van het altaar met stierenbloed en stortte het overgebleven bloed daarna uit aan de voorzijde. Het vet, de nieren en een gedeelte van de lever werden op het altaar verbrand, de rest werd verbrand buiten het kamp waarin de tabernakel te midden van de tenten was opgesteld.

Een van de rammen werd, nadat zijn bloed rond het koperen altaar was gesprenkeld, verbrand teneinde een voor God 'lieflijke geur' te verspreiden. Het bloed van de tweede ram werd gebruikt om Aäron en zijn zonen te zalven. Een gedeelte van het vlees werd in de richting van de tabernakel heen en weer bewogen, als een 'beweegoffer', om vervolgens op het altaar te worden verbrand. Aäron en zijn zonen kregen tot slot opdracht om zeven dagen lang bij de tabernakel te blijven en deze tijd te gebruiken om met aanvullende offers de tabernakel verder te heiligen.[n 8] Op de achtste dag werd het volk voor de tabernakel vergaderd en werden zonde- en en dankoffers gebracht. In Leviticus staat beschreven dat er, nadat Mozes en Aäron het volk hadden gezegend, vuur uit de tabernakel kwam. Dit vuur verbrandde de offerstukken op het brandofferaltaar in het voorhof.[v 21]

De dood van Nadab en Abihu [12]

Het verslag in Leviticus verhaalt in hoofdstuk 10 vervolgens hoe Nadab en Abihu gedood werden door God, omdat hij misnoegd was om het offer dat zij brachten op het reukaltaar.[n 9] De twee priesters hadden geen zonen, dus de gehele joodse priesterschap zou uit nakomelingen van Eleazar en Ithamar komen te bestaan.[v 22]

In Numeri hoofdstuk 7 staat de dag van de inwijding opgetekend, waarbij de oversten van de twaalf stammen zilveren en gouden voorwerpen en dieren voor de brandoffers schonken. De wolk die de Israëlieten naar het Beloofde Land leidde verscheen boven de tabernakel, als teken dat God de tabernakel in gebruik had genomen. Deze wolk zou voortaan overdag boven de tabernakel blijven, terwijl 's nachts daarvoor in de plaats een vuur verscheen.[v 23]

Reis door de wildernis[bewerken]

Kaart uit 1838 met een mogelijke route naar het Beloofde Land [16]

In de Bijbel wordt de reis van de Israëlieten uitgebreid verhaald. Op 20 Ijar verhief de wolk zich voor het eerst van boven de tabernakel, bijna vijftig dagen nadat deze was opgericht.[n 10] De wolk leidde het volk naar Kibroth-thaava, in of nabij de Wildernis van Paran,[v 25] mogelijk een gebied in het oosten van de Sinaï, tussen de Golf van Akaba en de Dode Zee.[18] In Kibroth-thaava werd het volk steeds ontevredener. De mensen klaagden er bijvoorbeeld over dat ze alleen het manna te eten hadden, dat zes ochtenden in de week uit de hemel neerdaalde. Ze vroegen om vlees, dat ze vervolgens kregen toen er kwartels vanuit de kust naar Paran zwermden.[v 26]

Op de volgende stopplaats, in Hazeroth, klaagden Aäron en Mozes' zuster Mirjam dat Mozes als enige woordvoerder van God optrad. God droeg hen op om voor de tabernakel te verschijnen, waar hij Mozes' alleenrecht als woordvoerder bekrachtigde en Mirjam tijdelijk met melaatsheid besmette. Zij was nu volgens Gods wetten onrein geworden en moest zeven dagen in quarantaine buiten het kamp worden gebracht. Pas na de zeven dagen kon het volk weer verder trekken richting Kanaän.[v 27]

Begin omzwervingen[bewerken]

Voordat het Israëlitische volk Kanaän binnen mocht trekken, kreeg Mozes in Kadesh Barnea de opdracht om het land te laten verkennen door mannen uit de twaalf stammen, uit elk van die stammen één.[n 11] Toen de twaalf mannen na veertig dagen terugkwamen van hun verkenningstocht deden zij verslag en meldden de grote vruchtbaarheid van het land. Volgens de meeste verspieders waren de inwonende volken echter onverslaanbaar. Alleen Jozua uit de stam Efraïm en Kaleb uit de stam Juda waren optimistisch.

De overwegend pessimistische berichten ontmoedigden een groot deel van het volk, en velen spraken erover om terug te gaan naar Egypte. God sprak vanuit de tabernakel en dreigde het gehele twijfelende volk te zullen verdrijven. Mozes pleitte echter voor hen, waarop God vonniste dat de generatie die de uittocht uit Egypte had meegemaakt het Beloofde Land niet zou bereiken, met uitzondering van Jozua en Kaleb. Hij bepaalde dat de totale reisduur veertig jaar zou bedragen, inclusief de twee jaar die al verstreken waren.[v 28] De resterende jaren moesten de Israëlieten in het droge gebied van Sinaï blijven rondtrekken. De tabernakel werd derhalve nog vele tientallen keren gedemonteerd, getransporteerd en weer ineengezet.[v 29]

De dood van Korach, Datan en Abiram [19]

Numeri hoofdstuk 16 verhaalt over een volgende opstand die werd ontketend door Korach, een Kehattiet uit de stam van Levi, en Datan, Abiram en On uit de stam Ruben, een stam die ten zuiden van de Kehattieten gelegerd lag.[n 12] De opstandelingen beweerden dat het gehele volk heilig was en dat Mozes en Aäron zichzelf onterecht boven het volk plaatsten. Zowel leden uit de gehele stam Levi als uit de overigen stammen mochten volgens hen als priester dienen. Mozes daagde de opstandelingen uit om naar het voorhof van de tabernakel te komen en daar tegelijk met Aäron reukwerk voor God te branden, iets wat volgens Gods wetten alleen Aäron en diens nakomelingen mochten doen. Terwijl 250 opstandelingen in koperen vuurpotten het reukwerk brandden, scheurde de aarde open en kwam er vuur uit de hemel, waarop Korach en zijn medestanders door de aarde werden gedood. De koperen vuurpotten werden geplet om het brandofferaltaar mee te bekleden, als een teken voor het nageslacht.

Om de aanstelling van Aäron te bekrachtigen liet God hem en oversten uit de twaalf overige stammen voor de tabernakel ontbieden. Allen dienden hun staf mee te nemen en daarop hun naam te schrijven. De dertien staven werden vervolgens door Mozes in de tabernakel gelegd. De volgende dag haalde Mozes de staven weer voor het gehele volk tevoorschijn, zodat allen konden zien dat Aärons staf in bloei stond en rijpe amandelen droeg. Om deze gebeurtenis en de bevestiging van Aärons aanstelling te herdenken werd de staf in de Ark van het Verbond gelegd.[v 30]

De berg Hor in het huidige Jordanië

Na hun lange reis door het Sinaï-gebied kwamen de Israëlieten weer terug in Kadesh Barnea, de plaats waar de omzwervingen begonnen. Hier stierf Mozes' zus Mirjam. Aäron en Mozes maakten de fout om God niet te eren toen zij water voor het volk uit de rots tevoorschijn lieten komen. God verordende derhalve dat ook zij het Beloofde Land niet zouden binnengaan.[v 31] De eerstvolgende stopplaats was de berg Hor in het huidige Jordanië. Hier kreeg Mozes van God opdracht om met Aäron en zijn zoon Eleazar de berg te beklimmen en daar het hogepriesterschap van vader op zoon over te dragen. Op de berg ontdeed Mozes Aäron van zijn ceremoniële kleding en kleedde Eleazar ermee. Aäron stierf op de bergtop, en het volk bedreef daarop dertig dagen rouw.[v 32]

Israëlieten aanbidden de Midjanitische goden.[20]

De laaglanden van Moab[bewerken]

Na overwinningen behaald te hebben in een strijd op de Kanaänieten in de Negeb en de Amoritische koningen Sihon en Og legerde het volk zich in de laaglanden van Moab.[v 33] Dit gebied lag aan de oostzijde van de Jordaan die de grens vormde van het Beloofde Land, en was volgens het Bijbelverslag de 31e standplaats van de tabernakel.[v 29] In de plaats Sittim in de laaglanden kreeg het volk, dat voor een groot deel uit een nieuwe generatie bestond die de goden van Egypte niet kende, te maken met de religie van de Midjanieten. Deze was in veel opzichten anders. De Israëlieten aanbaden bijvoorbeeld slechts één god, de Midjanieten hadden een polytheïstische religie en aanbaden beelden van Baäl-Peor en andere goden.

Volgens de door God aan de Israëlieten gegeven wetten mochten er geen godsbeelden worden gemaakt, laat staan aanbeden.[v 34] Volgens joodse commentators ging de aanbidding van Baäl-Peor gepaard met exhibitionisme,[21][22] terwijl de Levitische priesters een broek dienden te dragen op het terrein van de tabernakel, 'om het vlees der schaamte te bedekken'.[v 35] Veel Israëlitische mannen lieten zich verleiden door Midjanitische vrouwen om geslachtsgemeenschap met hen te hebben en hun afgoden te aanbidden.[n 13] Mozes gaf de rechters van het volk opdracht om alle mannen te doden die Baäl-Peor hadden aanbeden. Toen een Israëliet van de stam Simeon een Midjanitische vrouw in het kamp bracht, greep Eleazars zoon Pinechas een speer om beiden daarmee te doden.[v 37]

Sittim was voor Mozes de laatste kampplaats. Hij kreeg van God opdracht om Jozua als leider over het volk aan te stellen en om daarna het Abarimgebergte te beklimmen. Hier zou hij achter de Jordaan het Beloofde Land zien voordat hij zou sterven.[v 38] Het Bijbelboek Deuteronomium bevat vier aan Mozes toegeschreven toespraken die hij voor het volk hield, nadat hij Jozua had aangesteld. De toespraken bestonden behalve uit samenvattingen van de tocht naar Kanaän en verklaringen van Gods wetten ook uit aanvullende wetten betreffende de toekomstige inbezitneming van het Beloofde Land. De Israëlieten kregen bijvoorbeeld de opdracht om alle afgodsbeelden te vernietigen[v 39] en de Levieten te blijven onderhouden, die waren aangewezen voor de werkzaamheden in en rond de tabernakel.[v 40] De Israëlieten mochten de tabernakel bovendien alleen opbouwen op de plek die God zou verkiezen:

Aanhalingsteken openen Dan zal er een plaats zijn, die de Heere, uw God, verkiezen zal, om Zijn Naam aldaar te doen wonen; daarheen zult gij brengen alles, wat ik u gebiede: uw brandofferen, en uw slachtofferen, uw tienden, en het hefoffer uwer hand, en alle keur uwer geloften, die gij den Heere beloven zult.
— Deuteronomium 12:11 - Statenvertaling
Aanhalingsteken sluiten

In het Beloofde Land[bewerken]

De locaties in Israël (ter indicatie) waar de tabernakel achtereenvolgens werd opgericht volgens het Bijbelverslag: Gilgal, Silo, Nob en Gibeon.

Nadat Mozes was gestorven op de berg Pisga in het Abarimgebergte werd hij begraven in de laaglanden van Moab. Na dertig dagen rouw kreeg Jozua van God opdracht om met het volk uit Sittim op te trekken en het Beloofde Land te veroveren.[v 41]

Voorstelling van Jozua die toekijkt hoe de Levieten met de Ark van het Verbond de Jordaan oversteken.
- Joshua passing the River Jordan with the Ark of the Covenant door Benjamin West (1800)

Te Gilgal[bewerken]

Op 10 Niesan werden de Kehattieten die de Ark van het Verbond droegen aan het hoofd van de optocht gesteld en het volk kreeg de opdracht om tijdens de reis tweeduizend el afstand van de Ark te bewaren, wat waarschijnlijk overeenkomt met ongeveer een kilometer.[n 14] Toen de dragers van de Ark in de Jordaan stapten bleef het water stroomopwaarts stilstaan en vormde het een dam. Het hele volk Israël kon zo de bedding van de Jordaan oversteken en een kamp opslaan in Gilgal, de eerste locatie van de tabernakel in Kanaän.[v 42] De Ark van het Verbond speelde ook een rol toen de Israëlieten de stad Jericho bezetten, die op korte afstand ten westen van Gilgal lag. Zes dagen lang trokken Israëlitische soldaten dagelijks eenmaal rond de stad, samen met enkele Kehattieten die de Ark droegen. Op de zevende dag trok de optocht zevenmaal rond de stad en de muren stortten in, waarop de soldaten de stad plunderden.[v 43] Dat dit soort wonderen geschiedde in aanwezigheid van de Ark, was voor Jozua het bewijs dat God hem hielp bij zijn verovering van het Beloofde Land.[v 44]

Te Silo[bewerken]

Nadat het grootste deel van Kanaän was ingenomen werd de tabernakel verplaatst naar Silo,[v 45] zestien kilometer ten noorden van het huidige Beit El.[23] Het Bijbelboek Rechters, dat in de chronologie van de Bijbel het boek Jozua opvolgt en de periode van de rechters van Israël beschrijft, maakt geen melding van de tabernakel. Sommige Israëlieten vergaten volgens dit Bijbelboek hun God en begonnen de goden van Kanaän te aanbidden, onder wie Baäl en Ašerah.[v 46] Er wordt in Rechters wel melding gemaakt van Israëlieten die hun God trouw bleven en altaren voor hem bouwden, zoals rechter Gideon [v 47] en Manoah, de vader van rechter Simson.[v 48]

Eli en Samuel in de tabernakel
- John Singleton Copley (1780)

Gedurende deze tijd bleef de tabernakel waarschijnlijk in Silo staan. In ieder geval bevond de tent zich hier in de tijd dat Samuel door zijn moeder Hanna aan de hogepriester Eli werd overgedragen om Levietendienst te doen.[v 49] Samuel was een Kehattiet, maar geen nakomeling van Aäron,[v 50] en mocht derhalve geen priesterdienst verrichten of in de tabernakel zelf komen. Samuel groeide op het tabernakelterrein op in de tijd dat Eli de hogepriester was, en zijn zonen Hofni en Pinechas dienden als priester. In het Bijbelverslag staat dat in deze tijd Gods wetten die betrekking hadden op de tabernakel slecht werden nageleefd. De twee broers namen offergaven aan die hen niet rechtens toekwamen en hadden gemeenschap met vrouwen die rond de tabernakel werkten.[v 51] Toen de Israëlieten in een strijd tegen de Filistijnen grote verliezen leden, werd de Ark van het Verbond uit de tabernakel gehaald om als een talisman te dienen. De Ark werd echter door de Filistijnen buitgemaakt en Hofni en Pinechas werden in de strijd gedood. Toen hun vader Eli dit hoorde, viel hij achterover en brak zijn nek.[v 52]

De Ark van het Verbond stond symbool voor de tegenwoordigheid van God zelf,[24] en het ontbreken van de Ark in de tabernakel was derhalve een rampzalige gebeurtenis voor de Israëlieten. Voor de Filistijnen bracht de verovering van de Ark ook geen zegen. Nadat de Ark in de tempel te Asjdod werd geplaatst, verbrijzelde het afgodsbeeld van Dagan op de tempelvloer. Nadat vervolgens de inwoners van Ashdod last kregen van aambeien verhuisden zij de Ark naar de Filistijnse stad Gat. Toen ook hier plagen uitbraken, werd de Ark naar Ekron verplaatst, waarop ook daar plagen uitbraken. Uiteindelijk besloten de vorsten van de Filistijnse vijfstedenbond[n 15] om de Ark naar de Israëlitische plaats Bet-Semes te brengen. Zeventig inwoners werden gedood bij het aanschouwen van de Ark, die ze waarschijnlijk konden zien doordat de dekkleden ontbraken. De Israëlieten brachten de Ark vervolgens onder in het huis van een zekere Abinadab te Kirjat-Jearim.[v 53]

Samuel trad in Israël op als profeet en kreeg openbaringen van God in de tabernakel te Silo.[v 54] Later zalfde hij Saul, de eerste koning van Israël.[v 55] Ook in deze periode bevond de tabernakel zich in Silo, aangezien het verslag in 1 Samuel hoofdstuk 14 melding maakt van een zekere Ahia, 'de priester des Heren te Silo'.[v 56]

Te Nob[bewerken]

Achimelech geeft Goliath's zwaard aan David.
- Aert de Gelder (eind 17e eeuw)

Wanbestuur van koning Saul leidde ertoe dat Samuel David zalfde als toekomstige koning voor Israël.[v 57] Toen Davids faam groeide onder het volk pleegde Saul een aantal aanslagen op hem, waarop David vluchtte.[v 58] Op een bepaald moment tijdens de regering van Saul werd de tabernakel verplaatst van Silo naar Nob, dat waarschijnlijk was gelegen in de directe omgeving van Jeruzalem. De voortvluchtige David en zijn mannen aten hier van het vervangen toonbrood, nadat ze de hogepriester Achimelech hadden verzekerd rein te zijn volgens de wetten die Mozes had opgetekend. Vervolgens kreeg David het zwaard van Goliath mee, dat klaarblijkelijk in de tabernakel lag opgeborgen bij de priesterkleding.[v 59]

Te Gibeon[bewerken]

Na de dood van Saul volgde David hem op als koning over Israël. De tabernakel werd aan het einde van Sauls regering of gedurende die van David verplaatst van Nob naar Gibeon, een plaats ten noorden van de nieuwe hoofdstad Jeruzalem.[v 60] David besloot de Ark van het Verbond, die nog steeds in het huis van Abinadab te Kirjat-Jearim stond, naar Jeruzalem te brengen. Hij stelde hiervoor een aantal Levieten aan die de Ark met zang en muziek moesten begeleiden.[v 61][n 16] In strijd met Gods instructies werd de Ark vervoerd op een met runderen voorgespannen wagen. De wagen dreigde te kantelen en Abindadabs zoon Uzza greep de Ark, waarop hij onmiddellijk door God werd gedood. David stelde daarom het verdere transport van de Ark naar Jeruzalem uit en liet deze drie maanden onderbrengen in het huis van de Leviet Obed-Edom. Toen de Ark naar Jeruzalem werd gebracht werd deze in een tijdelijke tent opgeslagen, niet in de tabernakel te Gibeon.[v 62][25] Later vatte David het plan op om een tempel te bouwen, in zijn ogen een waardiger gebouw dan een tent.[v 63] Volgens de Psalmen uitte David de volgende woorden in een lied:

Aanhalingsteken openen

4 Zo ik mijn ogen slaap geve, mijn oogleden sluimering

5 Totdat ik voor den Heere een plaats gevonden zal hebben, woningen[n 17] voor den Machtige Jakobs!
Psalm 132:4, 5 - Statenvertaling
Aanhalingsteken sluiten

Gedurende de laatste jaren van zijn regering reorganiseerde David met het oog op de toekomstige tempel het werk van de Levieten, waarbij hij duizenden van hen als rechter, poortwachter, muzikant of opzichter aanstelde.[v 64]

Het was echter zijn zoon Salomo die deze tempel daadwerkelijk bouwde, naar een ontwerp dat veel overeenkomsten vertoont met dat van de tabernakel.[v 65] Volgens het Bijbelverslag werd de Tempel voltooid in het vierde jaar van Salomo's regering, 480 jaar na de uittocht uit Egypte.[v 66] Volgens archeologen geschiedde dit aan het eind van de 10e of het begin van de 9e eeuw v.Chr..[n 18] De laatste offers die gebracht werden voordat de tempel in gebruik werd genomen, liet Salomo brengen in de tabernakel te Gibeon.[v 67] Vervolgens werd de tabernakel afgebroken en in Jeruzalem opgeborgen. Het is niet duidelijk waar de tabernakel precies werd ondergebracht en hoelang deze werd bewaard. Volgens Bijbelgeleerde Richard E. Friedman suggereren meerdere Bijbelteksten uit het Oude Testament dat de tabernakel in het Heilige der Heiligen van Salomo's tempel zou zijn geplaatst, maar over de juiste interpretatie van deze teksten bestaat geen overeenstemming.[31] Wel meldt het Bijbelverslag dat de Ark van het Verbond in het Heilige der Heilige werd geplaatst, waardoor de nieuwe tempel voor de Israëlieten begon te functioneren als de nieuwe plaats van aanbidding.[v 68]

Beschrijving[bewerken]

Tabernakel
(Klik op de blauwe tekst voor het betreffende onderkopje)
Onderdelen
Inventaris van het Heilige der Heiligen (1)
Inventaris van het Heilige (6)

Voorhof
Onderdelen
Inventaris

Volgens Exodus was de tabernakel tien el hoog. De Bijbel vermeldt echter niet de lengte en de breedte. De 11e-eeuwse rabbijn Rasji, die een uitvoerig commentaar op de tabernakelbeschrijving schreef, berekende deze maten door de afmetingen van de gebruikte onderdelen te interpreteren en deze te vermenigvuldigen met het aantal onderdelen dat in de lengte- dan wel en de breedterichting werd gebruikt. De tabernakel zou op basis van deze berekening dertig el lang en tien el breed zijn geweest, wat overeenkomt met de afmetingen die later voor de heilige vertrekken in joodse tempels werden gebruikt.[32][v 69] De afmeting van de gebruikte el is niet zeker, maar ligt waarschijnlijk rond de halve meter.[n 14]

Het binnenste van de tabernakel bestond uit twee ruimten, namelijk het Heilige en het Heilige der Heiligen. Als de maten van deze ruimten overeenkomen met die van de door Salomo gebouwde tempel, waarbij de tabernakel als voorbeeld diende, is het Heilige der Heiligen kubusvormig, en wel tien el breed, tien el lang en tien el hoog.[v 70] Het Heilige is op zijn beurt dan twintig el lang, twee keer zo groot als het Heilige der Heiligen. De tabernakel stond in het voorhof: een omheinde ruimte van honderd bij vijftig el met een ingang gericht naar het oosten, net als de ingang van de tabernakel zelf.[n 19]

Het voorhof, het Heilige en het Heilige der Heiligen waren heilig in oplopende gradatie. Het voorhof was alleen toegankelijk voor Israëlieten die ceremonieel rein waren, en het Heilige alleen voor priesters. Het Heilige der Heiligen was de ruimte waar God zijn aanwezigheid manifesteerde en was derhalve alleen voor de hogepriester toegankelijk. The Oxford Dictionary of the Christian Church beschrijft de tabernakel als volgt:

Aanhalingsteken openen

Theologically the Tabernacle was held to embody the presence of God in the midst of His people, the symmetry and harmony of its parts to express the Divine perfection, and the carefull gradation of the courts and of the service to reflect the Divine holiness.[33]


(Vanuit theologisch standpunt diende de Tabernakel om de aanwezigheid van God in het midden van Zijn volk te belichamen, de symmetrie en harmonie van zijn onderdelen om de Goddelijke perfectie uit te drukken en de zorgvuldige gradaties van de hoven en de diensten om de Goddelijke heiligheid te weerspiegelen.)

Aanhalingsteken sluiten
Tabernakel overzicht.png

Constructie[bewerken]

Exodus 26 beschrijft de constructie van de tabernakel, die bestond uit vergulde planken of lijsten van acaciahout met zilveren voetstukken, bij elkaar gehouden door dwarsstangen. Acaciahout is hard, fijngenerfd hout dat weliswaar moeilijk bewerkbaar is, maar erg duurzaam en bovendien bestand tegen insecten.[34] De Israëlieten namen dit hout mogelijk mee op hun lange reis naar Kanaän, maar sommige Bijbelcommentators opperen dat ze de acaciabomen gebruikt kunnen hebben die veelvuldig in het Sinaï-gebied groeiden.[35] Het gebruikte Hebreeuwse woord קרה (qe′resj) wordt meestal met 'planken' vertaald,[36][n 20] maar bij planken zouden de cherubs niet te zien zijn geweest die op het binnenste tentkleed geborduurd waren. Daarom menen sommige Bijbelcommentators dat het eerder lijsten waren, te vergelijken met smalle hoge raamkozijnen.[37][38] Deze lijsten of planken hadden een breedte van anderhalve el en een hoogte van tien el. De twee zijwanden bestonden elk uit twintig lijsten en de achterwand uit zes. Twee hoeklijsten zorgden voor de verbinding tussen de zij- en achterwanden.[13] Elke lijst stond vervolgens weer op twee zilveren voetstukken met inzinking, die elk een talent wogen, wat mogelijk overeenkomt met 34 kilogram.[v 71] Om de lijsten aan elkaar te bevestigen werden per wand vijf vergulde houten stangen gebruikt, die door ringen gestoken waren die aan de lijsten waren bevestigd. Het Bijbelverslag verklaart dat de middelste stang geheel doorliep, waarschijnlijk bestonden de bovenste en onderste bevestigingen elk uit twee stangen.

Binnen de tabernakel werden het Heilige en het Heilige der Heiligen gescheiden door vier vergulde zuilen van acaciahout en een gordijn dat parochet of voorhangsel wordt genoemd. Dit gordijn was gemaakt van getwijnd linnen en blauwe, purperen en scharlaken wollen stoffen, met cherubs erop geborduurd.[v 72] Volgens de joodse overlevering was de stof zeer dik en kon er geen licht doorheen schijnen.[39] Rasji beweerde dat voor dit gordijn een viervoudige draad van de genoemde stoffen werd gebruikt die in zes lagen werd aangebracht, zodat het gordijn feitelijk 24 lagen dik was.[32] Ook de zilveren voetstukken van de zuilen wogen elk een talent.[v 71] Voor de ingang van de tabernakel werden vijf vergulde zuilen van acaciahout gebruikt, die in koperen voetstukken stonden. De ingang werd vervolgens afgeschermd met een gordijn gemaakt van dezelfde stoffen als het voorhangsel, maar zonder afbeeldingen van cherubs en, volgens de joodse overlevering, minder dik.

Dekkleden[bewerken]

Afbeeldingen van de tabernakel op een 17e-eeuwse kaart, links zonder tent- en dekkleden [40]

Het geheel werd bekleed met vier lagen, zoals beschreven in de eerste veertien verzen van Exodus 26.

Allereerst werd het geraamte van de tabernakel overdekt met een dekkleed dat uit twee delen bestond, die beide gemaakt waren van vijf kleden van 28 bij vier el. Deze kleden waren van hetzelfde materiaal als het gordijn voor het Heilige der Heiligen, namelijk getwijnd linnen en blauwe, purperen en scharlaken wollen stoffen.[13] Ook op deze kleden waren cherubs geborduurd, aan de binnenzijde. Het borduurwerk zou alleen te zien zijn geweest als het geraamte van de tabernakel inderdaad uit lijsten bestond. De twee delen waren aan elkaar bevestigd door middel van gouden haken en lussen van blauw draad. Aangezien de kleden slechts 28 el maten, hingen ze aan weerszijden een el boven de grond.

Over de onderste dekkleden werd een dek van geitenhaar gelegd. Dit bestond uit een deel van vijf kleden en een deel van zes kleden, alle bij elkaar gehouden door koperen haken in lussen, vijftig in getal. De afmeting van deze kleden was dertig bij vier el, zodat het geheel groter was dan de onderste bedekking.

De derde bedekking bestond uit één enkel dekkleed van roodgeverfde ramsvellen.

Als laatste werd een vierde dekkleed gelegd.[n 21] Over het gebruikte materiaal voor dit dekkleed bestaat veel controverse, aangezien men niet met zekerheid kan zeggen hoe het gebruikte Hebreeuwse woord תחש (ta′chasj) vertaald dient te worden.[41] In het verleden meenden sommige Bijbelvertalers dat het woord 'blauw' betekent, maar tegenwoordig zijn de meeste Bijbelcommentators het er met elkaar over eens dat het om een dier moet gaan. Een aantal Joodse commentators denkt dat het gaat om een zeezoogdier, zoals een bruinvis, een dolfijn of een doejong.[41] De Duitse theoloog Wilhelm Gesenius vermoedt dat het gebruikte Hebreeuwse woord vertaald moet worden als 'das' of 'rob' (zeehond).[42] Het kan verwondering wekken dat al deze dieren onrein zijn volgens de wetten die Mozes van God gekregen had. Ze werden hier echter gebruikt in afdekkingsmateriaal en niet als voedsel of offergave. Kennelijk gold er dan geen verbod. Zo werden ook bijvoorbeeld afbeeldingen van onreine leeuwen gebruikt als versiering op de koperen wagentjes in het voorhof van Salomo's Tempel.[v 73]

Het Heilige[bewerken]

De hogepriester brengt een offer op het reukaltaar in het Heilige.[43]

Het Heilige was de voorste ruimte in de tabernakel; deze was alleen voor de priesters toegankelijk. De ruimte was tien el breed, tien el hoog en waarschijnlijk twintig el lang. Hier stonden de tafel met de toonbroden en het tempelgerei aan de noordzijde, de lampenstandaard aan de zuidzijde, en het reukaltaar aan de westzijde, vlak bij het gordijn dat het Heilige der Heiligen afschermde.[v 74] Al deze voorwerpen waren van goud of verguld acaciahout.

Reukaltaar[bewerken]

Het reukaltaar[n 22] was bestemd om daarop tweemaal daags reukwerk te branden. Dit reukwerk was van een speciale samenstelling die volgens de Israëlische wet alleen in de tabernakel mocht worden gebrand. Op overtreding stond de doodstraf.[v 76] Het reukaltaar diende te worden geplaatst vlak voor het gordijn dat het Heilige der Heiligen afschermde.

De oppervlakte van het altaar was een el in het vierkant en twee el hoog. Aan de bovenzijde had het een gouden opstaande rand met op de vier hoeken hoornvormige versieringen van goud. Onder de rand was aan twee zijden een gouden ring bevestigd voor de draagbomen. Zowel het altaar als de draagbomen waren van acaciahout gemaakt en met zuiver goud bekleed. [v 77]

Er zijn meerdere theorieën over de oorsprong en de betekenis van de vier hoorns. In de Hebreeuwse Bijbel stonden hoorns vaak symbool voor macht in allerlei vormen, zoals de macht van koningen[v 78] of militaire macht.[v 79] Mogelijk stonden de vier hoorns van het altaar derhalve symbool voor Gods macht, maar er zijn ook andere theorieën. Volgens sommige commentators zijn de versieringen bijvoorbeeld overgenomen uit andere godsdiensten, zoals die van Egypte.[44][45]

Tafel met de toonbroden[bewerken]

Priesters vervangen het toonbrood op de sabbat.

Het tweede voorwerp in het Heilige was de tafel voor de toonbroden. Deze was twee el lang, een el breed en anderhalve el hoog en had een opstaande rand van één span hoog, wat gelijk staat aan de spanwijdte van een hand, circa 22 centimeter. Aan de poten waren ringen bevestigd voor de draagbomen. De tafel en de draagbomen waren, net als het geraamte van de tabernakel, vervaardigd van acaciahout en vervolgens verguld.[v 80] Op de tafel dienden twee stapels van elk zes toonbroden te liggen, met daarop vers hars. Op elke sabbat werden nieuwe broden op de tafel gelegd en werden de oude broden door de priesters opgegeten.[v 81] Aangezien het brood zich een week lang in het Heilige bevond, was het in de ogen van de Israëlieten zelf heilig geworden en diende het op een heilige plaats te worden gegeten, mogelijk in het voorhof.[46] Volgens Flavius Josephus werd het hars in twee gouden bekers op de stapels geplaatst en na het vervangen van het brood op het reukaltaar verbrand.[47]

De Hebreeuwse uitdrukking die met 'toonbrood' is vertaald is לחם הפנים (lechem haPānīm), wat letterlijk 'Brood des Aangezichts' of 'Brood der Tegenwoordigheid' betekent.[48][n 23] De ingrediënten voor het toonbrood werden door het volk geleverd en door de Levieten verwerkt. Terwijl de meeste giften van het volk op gezette tijden buiten op het brandofferaltaar werden geofferd, werden de toonbroden voor de afscheiding van het Heilige der Heiligen geofferd, dat wil zeggen: voor 'Gods aangezicht'. Bijbelgeleerden weten niet zeker wat de exacte functie van het toonbrood was, maar mogelijk illustreerde dit offer dat de connectie tussen God en zijn volk verliep via de Levitische priesters.[49]

Op de tafel lagen niet alleen de toonbroden. Ook het tempelgerei werd daarop gelegd: gouden schotels, bekers, kannen en schalen die, volgens de tekst in Exodus, gebruikt werden om plengoffers uit te gieten.[v 83] Het Bijbelverslag vermeldt echter nergens bij welke gelegenheid deze plengoffers werden gebracht. Sommige commentators opperden derhalve het idee dat het drinkoffer niet werd uitgegoten maar, net als het toonbrood, louter diende als een aanschouwelijk offer.[50]

Lampenstandaard[bewerken]

20e-eeuwse afbeelding van de lampenstandaard uit de tabernakel [51]

De lampen in de lampenstandaard, ook wel menora genoemd, dienden volgens de door Mozes opgetekende instructies altijd brandende gehouden worden. De standaard was van zuiver goud en bestond uit een voetstuk en een centrale arm, waaraan aan beide zijden nog drie armen waren bevestigd. Elke arm bevatte een olielamp en was gedecoreerd met versieringen in de vorm van amandelbloesems. Het totaalgewicht aan goud van de lampenstandaard en bijbehorende snuiters en vuurpotten bedroeg een talent, wat mogelijk overeenkomt met circa 34 kilogram.[v 84]

Volgens het Bijbelverslag was de manifestatie van God vanaf het voorhof zichtbaar als een vuur of een wolk boven het achterste tentgedeelte. Vanuit het Heilige werd de manifestatie echter door het voorhangsel aan het zicht onttrokken. Gods aanwezigheid werd in dit tentgedeelte kenbaar gemaakt door het altijd brandende licht van de lampenstandaard.[52] De menora is een van de oudste en bekendste symbolen van het jodendom. Hij heeft voor veel joden zijn rituele betekenis verloren sinds de vernietiging van de laatste Joodse tempel door de Romeinen, maar afbeeldingen van de menora worden nog veel gebruikt, zoals op het Wapen van Israël.

Het Heilige der Heiligen[bewerken]

De hogepriester betrad alleen op de Verzoendag het Heilige der Heiligen.

Aan de achterzijde van het Heilige hing een voorhangsel dat een tweede, waarschijnlijk kubusvormige ruimte afschermde. In de Bijbel wordt deze ruimte soms aangeduid met Heilige der Heiligen, dat is een letterlijke vertaling van de Hebreeuwse constructie waarmee Allerheiligste wordt bedoeld.[53] Deze ruimte mocht door niemand worden betreden, met uitzondering van de hogepriester, en dan nog alleen om daar op de jaarlijkse Verzoendag (Jom Kipoer) het zoenoffer te brengen voor de zonden van het volk.[v 85]

De kubusvorm van het Heilige der Heiligen kan op verschillende manieren worden geïnterpreteerd, net als de vierkante vorm van de twee altaren. Het getal vier wordt in de Bijbel vaak in ruimtelijke zin gebruikt om universaliteit te symboliseren. Zo stonden de twaalf stieren onder het koperen bekken met hun gezicht naar de vier windrichtingen.[v 86][n 24] In het eerste hoofdstuk van Ezechiël zou het getal vier in verband kunnen worden gebracht met de Goddelijke openbaring.[54] Volgens de joodse filosoof Philo van Alexandrië duidde het getal vier bovendien op een complete harmonie.[55]

Digitale impressie van de Ark van het Verbond

Ark van het Verbond[bewerken]

Het Heilige der Heiligen bevatte slechts één object, namelijk de Ark van het Verbond. Deze stond symbool voor de aanwezigheid van God, door de joden Sjechiena genoemd (Hebreeuws: שכינה: 'het wonen'). De Ark was twee en een halve el lang, anderhalve el breed en anderhalve el hoog. Hij was van acaciahout gemaakt en aan de binnen- en buitenzijde bedekt met zuiver goud. Voor het vervoer ervan waren aan de Ark vier ringen bevestigd, waardoor twee draagbomen van verguld acaciahout werden gestoken die daar moesten blijven zitten, ook wanneer de tabernakel geruime tijd op dezelfde plek zou blijven staan. In de Ark dienden, volgens de instructies in Exodus, de stenen tafelen met daarop de Tien geboden gelegd te worden.[v 91] Later werden ook een kruik met manna en de staf van Aäron in de Ark gelegd, maar deze voorwerpen bevonden zich daar niet meer toen Salomo de tempel inwijdde.[v 92] Volgens de Torah bevatte de Ark bovendien de eerste tafelen met de Tien Geboden die Mozes gebroken had.[v 93][24]

Het massief gouden deksel van de Ark wordt in de Hebreeuwse tekst הַכַּפֹּ֗רֶת (hak·kap·pō·reṯ) genoemd, wat letterlijk 'genadestoel' betekent.[56] Deze term is afgeleid van het Hebreeuws grondwoord voor 'bedekken'. Wanneer de hogepriester op de Verzoendag het Heilige der Heiligen binnentrad, spatte hij bloed op de grond voor de Ark, om zo de zonden van het volk te bedekken. Het deksel van de Ark wordt daarom in sommige Bijbelpassages, zoals Hebreeën 9 vers 5, aangeduid met de term 'verzoendeksel'. Het deksel was versierd met twee cherubs die met hun gezicht naar elkaar geplaatst waren en hun vleugels uitspreidden boven de Ark. God verklaarde aan Mozes dat hij tot hem zou spreken met een stem die zou klinken vanuit de ruimte tussen deze cherubs.[v 94] De Ark was derhalve Gods vaste locatie, waar hij zijn tegenwoordigheid manifesteerde. Dit in tegenstelling tot de afgodsbeelden die omliggende volken gebruikten.[57]

Het voorhof[bewerken]

Replica van het voorhof met het brandofferaltaar en het koperen bekken [1]

Het voorhof was een afgebakend terrein rond de tent van de tabernakel van vijftig bij honderd el. Het terrein werd afgeschermd door een linnen tentdoek van vijf el hoogte en had, net als de tabernakel, een ingang aan de oostzijde. Het doek werd aan koperen zuilen bevestigd, die op hun beurt in een koperen voetstuk werden geplaatst. Elke lange zijde telde twintig zuilen en elke korte zijde tien zuilen. Tussen de vier middelste zuilen aan de oostzijde was de ingang afgeschermd door een gordijn van twintig el lang, dat bestond uit kleden van getwijnd linnen en blauwe, purperen en scharlaken stoffen, hetzelfde materiaal als de binnenste dekkleden van de tabernakel. Terwijl alle voorwerpen in de twee tentafdelingen van goud waren of verguld, waren de voorwerpen in het voorhof van massief koper of met koper bekleed.

Het voorhof werd als een onderdeel van de tabernakel gezien en was volgens de Israëlitische wet een heilige plaats. Personen die ceremonieel onrein waren mochten deze ruimte niet betreden. Eventuele offergaven werden bij de ingang afgegeven.[v 95] Het voorhof deed niet alleen dienst als offerplaats, maar ook als een plek waar Israëlieten hun gebed op konden zenden 'voor het aangezicht van God'. In het Bijbelboek 1 Samuel staan bijvoorbeeld twee gebeden die zijn toegeschreven aan Samuels moeder Hanna, die ze uitsprak voor de tabernakeltent te Silo.[v 96]

Brandofferaltaar[bewerken]

Impressie van het koperen altaar [12]

Het brandofferaltaar stond tussen de ingang van de tabernakel en de ingang van het voorhof geplaatst en diende voor het verbranden van graanoffers en offerdieren. Het mat vijf bij vijf el en was drie el hoog. Het was van acaciahout vervaardigd en vervolgens met koper bekleed, vandaar de bijnaam 'koperen altaar'. Het altaar vertoonde veel overeenkomst met het reukaltaar. Op elk van de vier hoeken was aan de bovenzijde een hoornvormige versiering van koper gemaakt en aan de binnenzijde zaten koperen ringen. Hierin hing een koperen traliewerk waarop de offergaven werden gelegd. Aan de zijkant van het altaar waren koperen ringen bevestigd voor de draagbomen, die ook van met koper bedekt acaciahout gemaakt waren. Het koperen gerei van het brandofferaltaar bestond uit schoppen, vorken, schalen, vuurpotten en bakken die de as van het verbrande offer opvingen.[v 97]

In oude culturen waren heiligdommen vaak vrijplaatsen voor mensen die wilden ontsnappen aan gerechtelijke vervolging. Kennelijk begonnen de Israëlieten het brandofferaltaar ook zo te zien, maar volgens de Israëlitische wet was het brandofferaltaar hier niet voor bedoeld.[v 98] De Bijbel verhaalt hoe Salomo's halfbroer Adonia en legeraanvoerder Joab na een mislukte staatsgreep asiel zochten in het voorhof door de hoornen van het altaar vast te grijpen. Adonia werd gespaard, maar Joab werd geëxecuteerd.[v 99][58]

Koperen bekken[bewerken]

Voordat de priesters de tabernakel betraden of offers brachten op het brandofferaltaar dienden zij hun handen en voeten te wassen in het koperen bekken, dat tussen de tent en het koperen altaar stond. In tegenstelling tot de instructies voor het vervaardigen van de overige voorwerpen in en om de tabernakel waren de instructies van dit bekken weinig gedetailleerd. Het diende op een koperen onderstel te staan, maar er worden geen afmetingen of gewichten genoemd.[v 100] Het bekken wordt in het Hebreeuws כִּיּוֹר (kiyyir) genoemd, dat zowel 'bassin' als 'pot' of 'vat' kan betekenen.[59] In de Masoretische Tekst wordt niet gesproken over het vervoer van het bekken, maar in de Septuagint staat in Numeri 4:14 opgetekend dat het bekken en het onderstel werden verpakt in een purperen kleed met daaromheen een blauw dekkleed, om vervolgens vervoerd te worden op draagbomen.[60] In de meeste Bijbelvertalingen wordt dit gedeelte echter weggelaten.

Latere toevoegingen[bewerken]

Toen de tabernakel in Silo stond werd de omheining kennelijk vervangen door een muur met een poort, daar het verslag in 1 Samuel spreekt over deuren die elke ochtend geopend werden.[v 101][61] Aangezien Samuel volgens hetzelfde Bijbelboek 'in de tempel' lag, is het mogelijk dat er bovendien slaapvertrekken waren gebouwd in het voorhof.[v 102][62]

Plaats in het kamp[bewerken]

19e-eeuwse illustratie van de tabernakel en de rangschikking van de stammen rondom

Volgens Exodus 25 vers 8 beloofde God aan Mozes dat hij 'in het midden' van de Israëlieten zou wonen.[v 103] Tijdens de tocht naar het beloofde land gaf de indeling van het Israëlische kamp een letterlijke invulling aan deze tekst, aangezien de Israëlieten hun tenten rondom de tabernakel opsloegen. Dit werd gedaan conform de aan Mozes gegeven instructies die staan opgetekend in het tweede hoofdstuk van het Bijbelboek Numeri, het vierde boek van de Pentateuch. De tabernakel was volgens het Bijbelverslag altijd vanuit elke kampafdeling te zien, aangezien de aanwezigheid van God kenbaar werd gemaakt boven het Heilige der Heiligen, overdag door een wolk en 's nachts door een vuur.[v 104][63]

Rond het voorhof werden de Levieten gebivakkeerd. Zij werden gegroepeerd naar de afstammelingen van Levi's zonen: Kehat, Gersom en Merari. De Gersomieten werden in het westen gelegerd en de Merarieten in het noorden. De Kehattieten werden in het zuiden gelegerd, met uitzondering van Aäron en zijn nakomelingen; dezen werden in het oosten gelegerd, aan de kant van de ingang van het voorhof.[v 105] Om de tenten van de Levieten heen werden de overige twaalf stammen gelegerd.[n 25] In het oosten waren de stammen Juda, Issachar en Zebulon gelegerd, in het zuiden de stammen Ruben, Simeon en Gad, in het westen de stammen Efraïm, Manasse en Benjamin en in het noorden de stammen Dan, Aser en Naftali.[v 106]

De aanwezigheid van de tabernakel vereiste dat het hele Israëlitische kamp rein was. In de wetten die Mozes opgetekend zou hebben, stonden speciale instructies om deze reinheid te waarborgen. Melaatsen dienden bijvoorbeeld buiten het kamp in quarantaine te worden gehouden,[v 107] oorlogsbuit mocht niet in het kamp worden gereinigd[v 108] en de Israëlieten dienden buiten het kamp hun behoeften te doen.[v 109]

Levietendienst[bewerken]

Na de uittocht uit Egypte werd bepaald dat alle eerstgeborenen van de Israëlieten aan God toebehoorden.[v 110] Toen de tabernakel gereed was, vervingen 22 000 mannelijke Levieten deze 'eerstelingen', zodat de eerstgeborenen weer vrij waren.[v 111][n 26] Alle werkzaamheden met betrekking tot de tabernakel werden verricht door mannelijke Levieten van dertig tot vijftig jaar,[v 112] voor lichtere werkzaamheden was de ondergrens 25 jaar.[v 113] Koning David veranderde deze leeftijd in twintig jaar, aangezien de tabernakel niet meer vervoerd hoefde te worden met de bouw van de tempel in het vooruitzicht.[v 114] Leviticus, het derde boek van de Pentateuch, staat in het teken van de Levietendiensten. Numeri en Deuteronomium, het vierde en het vijfde boek, bevatten aanvullende bepalingen voor de Levieten en hun werkzaamheden.

De Levieten waren onderverdeeld in drie afdelingen, de Kehattieten, de Merarieten en de Gersomieten. Tot de Kehattieten behoorden bovendien de Kohaniem, de afstammelingen van Mozes' broer Aäron. Zij waren de enigen die als priesters dienstdeden in de tabernakel en het voorhof. Alle Levieten waren vrijgesteld van de dienstplicht en van andere werkzaamheden dan de tabernakeldienst.[v 115] Om in het levensonderhoud van de Levieten te voorzien gaven de overige twaalf stammen hen een tiende deel van hun oogst en veestapel en na een succesvolle krijgstocht een deel van de buit.[v 116]

Vervoer[bewerken]

De inventaris van de tabernakel en het voorhof werd afgedekt en vervoerd op de schouders.

Tijdens de reis naar het Beloofde Land gaf God de Israëlieten telkens het teken om op te breken en verder te trekken door de wolk boven de tabernakel omhoog te heffen.[v 117] Voor het transport van de tabernakel en de inventaris kreeg Mozes uitvoerige instructies opgedragen, die onder andere beschreven welke Levieten verantwoordelijk waren voor welk onderdeel. De Kehattieten zorgden voor de heiligste zaken. De Kohaniem namen eerst het voorhangsel van het Heilige der Heiligen af en pakten de gehele inventaris van de tabernakel en het voorhof in doeken in. De voorwerpen in de tabernakel mochten namelijk niet gezien worden door andere Levieten dan Aäron en zijn nakomelingen,[v 118] ook niet door de overige Kehattieten, die verantwoordelijk waren voor het vervoer ervan.[v 119]

De Gersomieten zorgden voor de tent- en dekkleden, de doeken van het voorhof en het ingangsgordijn en de tentkoorden van de tabernakel.[v 120] De Merarieten vervoerden de tentkoorden van de omheining van het voorhof en het gehele skelet van de tabernakel en de omheining, inclusief de zuilen, de voetstukken en de tentpinnen.[v 121] Voor het vervoer kregen de Gersomieten en de Merarieten met runderen bespannen wagens ter beschikking, maar de Kehattieten dienden hun heilige vracht op de schouders te dragen.[v 122] Wanneer de tabernakel werd verplaatst, waren de Kehattieten de laatsten die vertrokken, zodat de overige Levieten de tijd hadden om de tabernakel op tijd weer op te bouwen.[v 123] Zodra de Kehattieten arriveerden, richtten de Kohaniem de tabernakel weer in.

Muziek[bewerken]

David stelde onder de Levieten een aantal zangers en muzikanten aan, zoals de Korachieten, nakomelingen van de tegen Mozes rebellerende Korach. Drie Levieten kregen de leiding over de muziek en zang in de tabernakel, namelijk de Korachiet Heman, de Merariet Ethan en de Gersomiet Asaf.[v 124] Een aantal Psalmen vermeldt in het opschrift 'de zonen van Korach'[v 125] en de naam van Asaf,[v 126] mogelijk een aanduiding voor Asaf en zijn nakomelingen tezamen.

Kledingvoorschriften voor de priesters[bewerken]

Illustratie van de hogepriester (links) en een knielende priester [43]

De instructies voor het vervaardigen van de tabernakel bevatten ook beschrijvingen van de kleding van de dienstdoende priesters. Zij moesten op het tabernakelterrein linnen broeken dragen, met daaroverheen een lang linnen gewaad en een linnen gordel. Op hun hoofd moesten ze een linnen hoofddeksel dragen.[v 127]

De hogepriester droeg over zijn linnen broek en linnen gewaad een blauwe mantel,[n 27] waarvan de zoom was versierd met gouden belletjes en kleine granaatappels. Hierdoor konden de omstanders horen wanneer de hogepriester zich in de tabernakel bevond.[v 128] Over het gewaad heen werd een linnen efod gedragen, een langwerpige doek met een gat in het midden waar het hoofd doorheen gestoken kan worden, zoals bij een poncho. In dit doek waren gouddraad en purperen en blauwe stoffen verweven of geborduurd. De gordel die de efod op zijn plaats hield was van hetzelfde materiaal.[v 129]

Op de schouders van de mantel waren twee onyxstenen aangebracht, waaraan met gouden kettinkjes een borststuk was bevestigd.[v 130][n 28] Dit borststuk was een doek van hetzelfde materiaal als de efod en bevatte twaalf verschillende edelstenen met de namen van Jakobs twaalf zonen erin gegraveerd.[n 29] Het doek van het borststuk was tweemaal zo lang als breed, maar werd dubbelgevouwen op de borst gedragen met de vouw naar beneden. Op deze manier ontstond een draagzak waarin de hogepriester de Urim en de Tummim droeg, twee voorwerpen die dienstdeden in rechtszaken. Het borststuk werd daarom ook wel 'borststuk der rechtspraak' of 'borststuk der Godspraak' genoemd.[v 131]

De hogepriester droeg een linnen hoofddeksel,[v 132] dat waarschijnlijk verschilde van de hoofddeksels van de overige priesters. Het Bijbelverslag vermeldt in Leviticus namelijk dat de overige priesters hun hoofddeksel om het hoofd wonden, terwijl de hogepriester het op zijn hoofd plaatste.[v 133] Volgens sommige Bijbelvertalingen was het een tulband,[65] maar Flavius Josephus beschreef het als een hoofddeksel met een conische vorm[66] en sommige Bijbelvertalingen gebruiken daarom het woord 'mijter'.[67] Met een blauwe snoer werd op het hoofddeksel een gouden plaat bevestigd, waarop de tekst "De Heiligheid van JHWH" stond gegraveerd.[v 134][n 2]

Offers[bewerken]

Offergaven op het brandofferaltaar en reiniging in het koperen bekken in het voorhof [12]

De offers die in de tabernakel werden gebracht dienden een aantal doelen, waaronder boetedoening, reiniging en dankzegging.[68] De Israëlieten mochten volgens de Bijbel alleen offers brengen op plaatsen die door God waren goedgekeurd. Tijdens de reis door de wildernis naar het beloofde land werd er derhalve, na de inwijding van de tabernakel, alleen op het tabernakelterrein geofferd.[v 135] De offers mochten uitsluitend worden verricht door de Kohaniem. Wanneer anderen een offer aan God wilden brengen, overhandigden zij de offergave aan de dienstdoende priesters.[v 136]

Voordat een offer werd gebracht of de tabernakeltent werd binnengegaan moesten de priesters hun handen en voeten in het koperen bekken wassen.[v 100] Ook mocht een priester niet op het tabernakelterrein komen wanneer hij onrein was, bijvoorbeeld omdat hij onlangs een lijk of een onrein dier had aangeraakt of geslachtsgemeenschap had gehad. Priesters dienden zich in zulke gevallen geheel in water te wassen en tot de zonsondergang te wachten, pas dan waren zij weer ceremonieel rein.[v 137]

Tweemaal per dag werd door de priesters een mannelijk eenjarig lam op het koperen altaar in het voorhof geofferd, tezamen met meelbloem als graanoffer. In de tabernakel werd tweemaal daags voor het voorhangsel van het Heilige der Heiligen wijn als een plengoffer uitgegoten,[v 138] werd de olie in de lampen van de lampenstandaard ververst en werd reukwerk op het reukaltaar gebrand.[v 139] Op de wekelijkse sabbat werden geen twee maar vier lammetjes geofferd.[v 140] Op de tafel der toonbroden in de tabernakel werden op die dag bovendien de twaalf ringvormige toonbroden verwisseld, die de Kehattieten hadden gebakken van meelbloem.[v 141]

Op speciale dagen werden extra offers gebracht op het koperen altaar en in de tabernakel. Op de Verzoendag bijvoorbeeld deed de hogepriester in het Heilige der Heiligen verzoening voor het Israëlitische volk. Hiervoor slachtte hij een jonge stier en een geit, waarop hij hun bloed mengde en rond de Ark van het Verbond sprenkelde. Daarna bestreek hij de vier hoornen van het reukaltaar met het bloed en strooide hij zevenmaal druppels bloed in het rond op het reukaltaar.[v 142][n 8] Andere vaste dagen waarop extra offers werden gebracht waren de eerste dag van elke maand,[v 143] en de drie jaarlijkse feesten: de Pesachweek,[v 144] de Sjavoeot (het oogstfeest of wekenfeest)[v 145] en de Soekot (het loofhuttenfeest).[v 146] Op deze feesten dienden alle mannelijke Israëlieten zich voor de tabernakel te verzamelen.[v 147] Toen de tabernakel in Israël stond was het voor veel Israëlitische gezinnen gebruikelijk om voor de viering van de Pesachweek naar het heiligdom te reizen.[v 148][n 30] Mogelijk vierden de mannen de overige feestweken zonder hun gezin.

Naast de gaven die op een vast tijdstip dienden te worden geofferd waren er nog andere soorten offergaven. Deze konden door Israëlieten of proselieten (bekeerde buitenlanders) aan de dienstdoende priester worden overhandigd. De eerste hoofdstukken van Leviticus behandelen bijvoorbeeld gelofteoffers, vrijwillige offers en dankoffers, die naar eigen inzicht door de gever konden worden aangeboden uit dankbaarheid of om een verbond te bekrachtigen.[v 150] Wanneer het offer een dier betrof, werd het geslacht en werd het bloed rond het koperen altaar in het voorhof gesprenkeld.

Wanneer een individu of een groep personen een zonde had begaan, dienden een of meer dieren uit de veestapel te worden gegeven als zondeoffer.[v 151] Nadat het dier was geslacht, werd het bloed in de meeste gevallen in de tabernakel gebracht en voor het voorhangsel in druppels in het rond gestrooid.[v 152][n 31] Wanneer iemand een zware zonde had begaan volgens de Israëlische wet, stond de zondaar als het ware in de schuld bij God en diende hij een schuldoffer te geven. Dit was gewoonlijk een dier uit het kleinvee, maar wanneer de schuldige niet genoeg bestaansmiddelen had, kon hij in sommige gevallen ook volstaan met twee tortelduiven of twee jonge duiven, of wanneer hij arm was een kleine hoeveelheid meelbloem.[v 153][n 32]

Aanvullende priestertaken[bewerken]

Door hun dienst in de tabernakel waren de priesters vertegenwoordigers van God en zij bekleedden in die hoedanigheid een groot aantal nevenfuncties. Zo traden ze op als rechter bij ernstige misdrijven als mishandeling en moord,[v 154] en moedigden zij het Israëlitische leger aan wanneer dit ten strijde trok.[v 155] Ook hadden de priesters een grote rol in het 'rein' houden van het kamp. Een persoon die mogelijk onrein was geworden moest men bijvoorbeeld naar de tabernakel brengen en door de priesters laten beoordelen. Hetzelfde gold voor een mogelijk onrein voorwerp. Als de priesters oordeelden dat de persoon of het voorwerp inderdaad onrein was, gaven ze vervolgens instructies uit Gods wet. Nadat de instructies waren volbracht konden de priesters de persoon of het voorwerp weer rein verklaren.[v 156] De afschriften van de wet werden door de priesters bewaard. Zij dienden er op gezette tijden en bij bepaalde gelegenheden uit voor te lezen aan het volk.[v 157]

Overeenkomsten met latere heiligdommen[bewerken]

Jerusalem temple3.jpg
Digitale impressie van Salomo's Tempel
Plan of Soloman's Temple.jpg
Grondplan van Salomo's tempel in Jeruzalem[70]

Tempel van Salomo[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Tempel van Salomo voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De eerste joodse tempel die koning Salomo in Jeruzalem liet bouwen was in grote lijnen een uitvergroot model van de tabernakel en het voorhof. Door een gelijksoortige indeling en inventaris konden de door Mozes opgetekende wetten met betrekking tot de offerdiensten ook in de tempel gehandhaafd blijven.

Volgens het Bijbelboek 1 Kronieken kreeg Salomo kort voor hij de troon besteeg het gedetailleerde ontwerp voor deze tempel van zijn vader David, die het op zijn beurt van God zelf ontvangen zou hebben.[v 158] De verslagen in 1 Koningen hoofdstuk 6 en 7 en 2 Kronieken hoofdstuk 3 en 4 bevatten uitvoerige beschrijvingen, inclusief maatvoeringen en materiaalsoorten. Daar het niet meer nodig was om Gods heiligdom te demonteren en te vervoeren konden grotere afmetingen voor het heiligdom en de inventaris gebruikt worden. Voor de tempel en de omheiningen werden in plaats van acaciahout, tentdoeken en dierenvellen zwaardere materialen gebruikt als gezaagde steen, cederhout en jeneverhout.

Het tempelgebouw dat Salomo liet bouwen had een aantal toevoegingen op het ontwerp van de tabernakel, zoals de twee gouden zuilen Boaz en Jachin, die de oostelijke ingang flankeerden. Verder was de tempel voorzien van een voorhal en een groot aantal vertrekken op het dak en ook in aanbouwen op de zuidelijke, westelijke en noordelijke zijden. Deze vertrekken dienden onder andere als voorraad- en schatkamers.[v 159]

Heilige vertrekken[bewerken]

De tempel bevatte net als de tabernakel de twee heilige vertrekken, het Heilige en het Heilige der Heiligen. Voor het grondplan van deze vertrekken werden dezelfde verhoudingen aangehouden als in de tabernakel. De vloeren en muren waren bedekt met goud en versierd met graveerwerk van cherubs, palmfiguren en bloesems.[v 160]

Interieur Salomo's tempel.jpg

Het eerste heilige vertrek, het Heilige genaamd, was veertig el lang, twintig el breed en dertig el hoog[v 161] en was dus in verhouding hoger dan het Heilige van de tabernakel, dat net zo hoog als breed was. De inventaris bestond enkel uit massief gouden voorwerpen. Naast een reukaltaar bevatte het tien tafels voor de toonbroden en tien lampenstandaarden.[n 33] Volgens de Talmoed werd tussen deze tien lampenstandaarden de oorspronkelijke, door Bezaleël gemaakte lampenstandaard geplaatst.[72] De lampenstandaard die staat afgebeeld op de Boog van Titus met de roofbuit van Jeruzalem doet vermoeden dat het oorspronkelijk ontwerp werd gehandhaafd.

Het Heilige der Heiligen was twintig el lang, twintig el breed en twintig el hoog. Het had dus een kubusvorm, zoals waarschijnlijk ook het geval was in de tabernakel. Het vertrek werd niet alleen afgeschermd door een gordijn, maar ook door twee cederhouten, met goud beslagen deuren. In het Heilige der Heiligen stond de oorspronkelijke Ark van het Verbond, inclusief de bijbehorende draagbomen. Dit was het enige voorwerp uit de tabernakel dat volgens het Bijbelverslag niet door Salomo vervangen was. De Ark werd geflankeerd door twee cherubs van tien el hoog die Salomo van hout liet maken en met goud liet overtrekken. Deze cherubs hielden hun vleugels, net als die van de cherubs op het verzoendeksel, boven de Ark uitgespreid.

Binnenste voorhof[bewerken]

In afwijking van het tabernakelterrein had het tempelcomplex twee voorhoven in plaats van één. Alleen het binnenste voorhof had een ceremoniële functie en bevatte het brandofferaltaar en het koperen bekken. Aan de binnenzijde van de omheining van het binnenste voorhof waren vertrekken aangebracht waar de priesters van het geofferde voedsel konden eten.[v 163]

Het brandofferaltaar was gemaakt van massief koper en was aanzienlijk groter dan dat van de tabernakel: twintig el in het vierkant en tien el hoog.[v 164] Terwijl de Bijbel weinig gegevens bevat over het koperen bekken van de tabernakel, wordt dat van de tempel uitvoerig in het Bijbelverslag beschreven. De bekkenschaal was gegoten uit koper en had het uiterlijk van een lelie. De schaal was vijf el hoog en had een doorsnede van tien el. Veel Bijbelvertalingen noemen dit koperen bekken daarom de 'koperen zee'. De bekkenschaal rustte op twaalf koperen stieren die hun achterzijde naar elkaar hadden gekeerd en in groepjes van drie naar de vier windrichtingen gekeerd stonden.[v 165] Behalve dit grote wasbekken werden tien kleinere koperen bekkens op wagentjes gebruikt om offergaven te reinigen.[v 166]

Verdere geschiedenis[bewerken]

Al vroeg in de geschiedenis van de tempel ging Salomo er toe over om andere goden te aanbidden,[v 167] waarop een periode aanbrak waarin de door Mozes opgeschreven wetten betreffende de priesterdienst niet naar behoren werden vervuld. De Bijbel maakt slechts eenmaal melding van de Ark van het Verbond na de regering van Salomo, namelijk wanneer koning Josia de Ark terug in de tempel liet plaatsen.[v 168] De Tempel werd verwoest door de Babyloniërs tijdens de regering van Sedekia, de laatste joodse koning.[v 169]

Ezechiëls tempelvisioen[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Derde Tempel voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Afbeelding van de stad met de Derde Tempel, door de Engelse architect Charles Chipiez

Het Bijbelboek Ezechiël bevat profetieën betreffende de val van Jeruzalem en een beschrijving van de daarop volgende Babylonische ballingschap. In de hoofdstukken 40 tot 48 van het boek staat een visioen van Ezechiël opgetekend, waarin hij naar een stad op een hoge berg in Israël wordt gebracht. Een engel leidde hem rond in een tempel en mat hiervan de verschillende onderdelen op. Ezechiël kreeg de opdracht om de tempel en de stad aan de overige Israëlieten te beschrijven en tekende derhalve een uitvoerige beschrijving op met een uitgebreide maatvoering.[v 170] Het is onwaarschijnlijk dat de beschrijving het bouwplan betrof voor de tempels die Zerubbabel of Herodes de Grote later bouwden, daar deze veel kleiner waren dan de visionaire tempel. Islamieten en andere religieuze groeperingen menen dat het gaat om een in de toekomst te bouwen tempel in Jeruzalem,[73] anderen menen dat het verslag puur symbolisch geïnterpreteerd moet worden. Enkele Bijbelcommentators noemen het visioen de moeilijkste passage in het Oude Testament.[74][75]

Net als de Tempel van Salomo had de tempel in het visioen, door de joden en verschillende christelijke groeperingen de 'Derde Tempel' genoemd,[n 34] een groot aantal overeenkomsten met de tabernakel. Er werd voor de beschrijving van de tempel en zijn onderdelen een langere el gebruikt dan gewoonlijk; de lengte bedroeg een el en een handbreedte, dus een zesde langer dan de standaardel.[v 171][n 14] Het eerste vertrek in de tempel mat veertig bij twintig el. Het verslag maakt slechts melding van één voorwerp, namelijk een houten altaar. Deze was twee el in het vierkant en drie el hoog. Het altaar wordt ook de 'tafel die voor Gods aangezicht is' genoemd [v 172] en heeft kennelijk betrekking op het reukaltaar of de tafel met de toonbroden (een lampenstandaard ontbreekt in het verslag). Achter deze ruimte bevond zich het kubusvormige Heilige der Heiligen, dat twintig el in het vierkant mat.[v 173] In de buitenmuur van de tempel bevonden zich negentig zijvertrekken verdeeld over drie verdiepingen.

De tempel had twee voorhoven in plaats van een: een buitenste en een binnenste. Beide voorhoven hadden drie van wachtlokalen voorziene poorten, op het zuiden, het oosten en het noorden. In de binnenste drie poorten bevonden zich de slachttafels voor de offerdieren. Het binnenste voorhof was op een verhoogd plateau gebouwd. Hier bevond zich behalve eetvertrekken voor priesters en zangers ook het brandofferaltaar. Dit was geplaatst voor de ingang van de tempel, die op het oosten lag. Het altaar had een trap op het oosten en bestond uit vier, naar boven toe steeds smaller wordende gedeelten. De omtrek mat achttien el in het vierkant en het geheel was elf el hoog. Op de vier bovenste hoeken waren hoorns aangebracht.[v 174] Ezechiëls verslag beschrijft niet van welk materiaal het gemaakt was. Een vermelding van een wasbekken ontbreekt.

Hoofdstuk 48 handelt over het laatste deel van het visioen waarin de inrichting van het land Israël wordt beschreven. De Levieten kregen land toegewezen rond de stad. Het overige land Israël werd in twaalf horizontale stroken over de andere stammen verdeeld. De stadsmuur had aan elk van haar vier zijden drie stadspoorten en elke stam had zijn eigen stadspoort. Kennelijk is dit een verwijzing naar de opstelling van de dertien stammen rond de tabernakel in Mozes' tijd. De opstelling van de toegewezen poorten komt echter niet overeen met de schikking van de twaalf stammen in het Israëlitische kamp.[v 106]

Tempel van Zerubbabel[bewerken]

Zerubbabel keerde in de 5e eeuw v.Chr. terug uit de Babylonische ballingschap en kwam naar Jeruzalem om er een nieuwe tempel te bouwen, ongeveer een eeuw na de verwoesting door de Babyloniërs. Als eerste werd een brandofferaltaar gebouwd en ingewijd, nog voordat er aan het fundament van de tempel begonnen werd.[v 175] Volgens het Bijbelverslag in het boek Ezra werd deze tempel minder imposant dan de eerste.[v 176]

Het gebouw was zestig el hoog en zestig el breed, maar de lengte wordt niet in het verslag vermeld, net zomin als details over het voorhof en het tempelgerei. Ook wordt er niet over de Ark van het Verbond gesproken. Kennelijk was deze na Josia's regering uit de tempel verwijderd. Zonder de Ark kon de hogepriester niet meer de juiste procedures op de jaarlijkse Verzoendag volgen. Volgens het verslag in het apocriefe boek 1 Makkabeeën stond er in het heilige behalve het reukaltaar slechts één lampenstandaard en een tafel voor de toonbroden. Het verslag maakt ook melding van het verwijderen van het koperen altaar, nadat het ontheiligd werd door koning Antiochus Epiphanes. Judas Makkabeüs herbouwde kort daarop het brandofferaltaar uit ongehouwen stenen.[v 177][n 35]

Tempel van Herodes[bewerken]

Jerus-n4i.jpg
Model van de door Herodes gebouwde tempel
Arch of Titus Menorah.png
Detail van de Boog van Titus met de menora en de tafel voor het toonbrood

Een aantal jaren voor de millenniumwisseling maakte Herodes de Grote plannen om de tempel te herbouwen. Om de joden tegemoet te komen liet Herodes de benodigde materialen verzamelen voordat hij de oude tempel liet herbouwen. Vermoedelijk werden de bouwwerkzaamheden afgestemd met de priesters, opdat ook tijdens de herbouw de offers op de gestelde tijden gebracht konden worden.[76] Alleen Levitische priesters mochten in de tempel komen. Daarom liet Herodes een aantal van hen opleiden tot vakman.[77]

De joden spreken over deze tempel als de 'Tweede Tempel', net als over die van Zerubbabel. Het betreft namelijk de herbouw van de reeds bestaande tempel. Tijdens de herbouw vond de tempeldienst bovendien vrijwel ongehinderd voortgang. Herodes breidde het tempelterrein uit met extra voorhoven, waaronder het voorhof voor de vrouwen en het voorhof voor de heidenen. Deze groepen mochten de tempel niet dichter naderen dan tot in het voorhof dat voor hen was bestemd.

Het ontwerp voor Herodes' tempel was gebaseerd op de tempel van Salomo, inclusief de zijvertrekken. Ook de afmetingen voor de heilige binnenste vertrekken werden aangehouden. Voor het Heilige der Heiligen hing een voorhangsel van blauwe, witte, scharlaken en purperen stoffen en voor de tempelingang was een gordijn van hetzelfde materiaal gehangen. Het Heilige der Heiligen was vrijwel leeg, maar het Heilige bevatte de door Mozes opgetekende voorwerpen zoals die ook in de tabernakel stonden: het reukaltaar, de lampenstandaard en de tafel voor de toonbroden. In het voorhof stond het wasbekken en een uit ongehouwen stenen gebouwd brandofferaltaar, dat vijftig bij vijftig el mat en vijftien el hoog was. Het was voorzien van vierentwintig ringen waaraan de te offeren dieren vastgebonden konden worden. Naast het altaar stonden acht marmeren tafels waarop de offerdieren konden worden geslacht en acht pilaren met daarop cederhouten stammen, waaraan de karkassen van de geofferde dieren gehangen konden worden.[77]

Tijdens het bestuur van Lucceius Albinus (6264) werd de bouw van de nieuwe tempel voltooid.[n 36] De tempel werd enkele jaren later echter verwoest door het Romeinse leger aan het einde van de Joodse Oorlog.[77] De Romeinse keizer Titus liet een triomfboog in Rome bouwen waarop oorlogsbuit uit de tempel afgebeeld is, inclusief de lampenstandaard en de tafel voor het toonbrood.

Synagoges[bewerken]

Interieur van een synagoge met de bima en de aron hakodesj achter het parochet

Toen de joden in ballingschap naar Babylon werden gevoerd konden zij Mozes' instructies voor de offerdiensten niet meer opvolgen, omdat er maar één Heilige der Heligen bestond. Over het algemeen wordt aangenomen dat dit de periode is waarin de eerste synagoges werden gebouwd. De joden konden dan wel geen offers brengen aan hun god, zij konden zich wel vergaderen om hem te aanbidden en elkaar uit de torah voor te lezen.[n 37] Volgens de Jeruzalemse Talmoed, Philo's De Vita Mosis en Josephus' Contra Apion dateert de synagoge echter al uit Mozes' tijd.[78]

Ook na de terugkeer uit Babylon was de synagoge populair als gebeds- en gemeenschapshuis, al bleef de tempel het heiligste gebouw voor de joden. Rond de millenniumwisseling bevond zich een groot aantal synagoges in Israël, zoals blijkt uit de vele vermeldingen in de vier Evangeliën en het boek Handelingen. Dat synagoges al vele generaties eerder in Israël bestonden blijkt onder andere uit Handelingen 15:21:

Aanhalingsteken openen Want Mozes heeft er van oude tijden in elke stad, die hem prediken, en hij wordt op elken sabbat in de synagogen gelezen.
— Handelingen 15:21 - Statenvertaling
Aanhalingsteken sluiten

Op het moment dat Jeruzalem en de tempel werden verwoest door het Romeinse leger bevonden zich volgens de Babylonische Talmoed 394 synagoges in de stad, volgens de Jeruzalemse Talmoed waren dit er zelfs 480.[79]

Het uiterlijk van de synagoges verschilt aanzienlijk per streek en bouwperiode, maar het interieur bevat veel overeenkomsten. Veel elementen komen overeen met die uit de oorspronkelijke tabernakel, zoals de ark of aron hakodesj (Hebreeuws voor 'heilig kabinet').[n 38] Net zoals de Ark van het Verbond de Tien Geboden bevatte, bevat de ark in de synagoge de Thora-rollen.[79] De ruimte in de ark is de heiligste plek in de synagoge, zoals het Heilige der Heiligen dat in de tabernakel was. De ark wordt afgesloten met deuren, maar ook door een parochet. Het openen van de ark wordt door de joden gezien als een eer en wanneer dit gebeurt, staat de hele vergadering op.[80]

De ruimte voor de ark wordt als heilig beschouwd.[n 39] Hier staat onder andere de bima, een verhoogde plaats waar de Thora wordt voorgelezen. Voor de ark hangt de ner tamid, oftewel het eeuwig licht, in navolging van Gods gebod om altijd een licht voor het gordijn te laten branden.[v 179] In veel synagoges staat bovendien een menora. Deze heeft meestal zes of acht armen in plaats van zeven, zoals de lampenstandaard in de tabernakel, omdat veel joden een exacte kopie ongepast vinden.[72][80] Op de joodse feestdagen verzamelen Kohaniem zich voor de synagoge om de vergadering te zegenen, zoals dat ook in Bijbelse tijden gebeurde voor de tabernakel.[v 180]

De offers werden vervangen door gebed. Hieruit ontstond de gewoonte van de rituele handwassing met water uit een klein wasbekken, voordat een gebed wordt gezongen. Dit is te vergelijken met het reinigen van de handen en voeten in het oorspronkelijke koperen bekken in het voorhof. Het huidige wasbekken kan qua vorm en materiaal sterk verschillen per synagoge, maar is meestal van koper en heeft een tuit vlak boven de bodem, waaruit het water over de handen wordt gegoten.[81]

Christelijke kerken[bewerken]

Verwijzingen naar de oorspronkelijke tabernakel zijn ook te vinden in diverse kerken van het christendom. Sommige kerkgebouwen zijn naar de tabernakel vernoemd, zoals De Tabernakel in Ede en de Metropolitan Tabernacle in Londen, respectievelijk kerken van de Christelijke Gereformeerde Kerk en het Baptisme. De mormoonse tabernakel is een heiligdom waar mormonen kerkdiensten, conferenties en informelere bijeenkomsten houden.[82]

De Rooms-Katholieke Kerk, de Oosters-Orthodoxe Kerk en enkele lutherse en anglicaanse kerken bewaren de eucharistie in een brandwerende kluis die tabernakel wordt genoemd. De binnenzijde van de tabernakel is verguld of bekleed met witte zijde. Zoals de Ark van het Verbond voor de Israëlieten symbool stond voor Sjechiena, oftewel Gods tegenwoordigheid, staat de christelijke tabernakel symbool voor de behuizing van Christus' Werkelijke Tegenwoordigheid en is derhalve een van de heiligste voorwerpen in de kerk. Voor de tabernakel brandt een godslamp zolang de eucharistie er aanwezig is. Net als bij de joodse ner tamid wordt zo het gebod in Exodus opgevolgd om altijd een licht voor het Heilige der Heiligen te laten branden.[83]

Visies op de symboliek[bewerken]

Veel van de symboliek van de tabernakel en de inventaris van tabernakel en voorhof wordt in de boeken van het Oude Testament behandeld. Zo stond de Ark van het Verbond symbool voor Gods tegenwoordigheid, het koperen bekken voor reiniging of heiliging, en de tabernakel in zijn geheel voor Gods verblijf in het midden van zijn volk. Deze uitleggingen worden door de drie voornaamste abrahamitische religies erkend: het jodendom, het christendom en de islam.[73] Andere aspecten van de tabernakel laten zich echter niet zo makkelijk begrijpen en hebben geleid tot wijd uiteenlopende interpretaties, met name onder de joden en de christenen.[n 40]

Joodse interpretaties[bewerken]

De aanbidding van het Gouden Kalf
- Nicolas Poussin (1633)

Volgens de Italiaanse rabbijn Owadja Sforno werden de instructies voor de bouw van de tabernakel gegeven na de aanbidding van het gouden kalf. De tabernakel zou een blijk zijn van Gods vergeving, maar hield wel in dat de aanbidding van de joden voortaan aan regels gebonden werd.[84] Volgens de 12e-eeuwse rabbijn Maimonides aanbaden de Israëlieten het gouden kalf uit de behoefte om iets tastbaars te aanbidden, zoals zij dat hadden gezien toen zij nog in Egypte waren. Door de tabernakel zou God volgens Maimonides aan deze behoefte voldoen.[v 181][85] De kabbalist Nachmanides spreekt dit echter tegen, volgens hem wilde God door middel van de tabernakel zijn volk op een aanschouwelijke wijze tonen dat hij in hun nabijheid wilde zijn en zou een studie van de symboliek dit besef nog meer doen groeien.[86]

De 13e-eeuwse rabbijn Juda Halevi benadrukte dat Bezaleël en Aholiab de tabernakel exact bouwden volgens Gods instructies, want men kan God niet leren kennen door eigen inzicht te gebruiken, maar alleen door Gods gedachten te doorgronden.[84] Veel joodse rabbijnen en filosofen onderschreven deze opinie en zochten naar een diepere symboliek van de tabernakel. Zo zou de lampenstandaard volgens sommigen een verwijzing zijn naar de brandende braamstruik op de berg Sinaï die, net als de lampen, niet uitdoofde.[87] De zeven lampen op de lampenstandaard zouden zes planeten en een centrale zon vertegenwoordigen, die samen het heelal symboliseren. De lampenstandaard stond voor het voorhangsel van het Heilige der Heiligen, net zoals het heelal voor Gods aangezicht staat: Gods ogen zien alles.[72] Ook de maten van de tabernakel en de inventaris vormen een onderwerp van studie. De halve eenheden in de maatvoering van de Ark van het Verbond zouden volgens sommige rabbijnen bijvoorbeeld symbool kunnen staan voor de openhartigheid van diegenen die de Thora willen begrijpen of voor de empathie die een Thorageleerde met zijn medemens dient te hebben, tot aan verdriet toe.[84]

Volgens de Midrasj Tadshe, een van de kleine midrasjim (rabbijnse exegesen),[88] beelden de twee altaren twee verschillende vormen van devotie uit. Het koperen brandofferaltaar zou staan voor lichamelijke devotie, aangezien het lichaam zich, net als dit altaar, voedt met dierlijk vlees. Op het gouden reukaltaar wordt het vluchtige reukwerk verbrand en dit altaar beeldt volgens de midrasj derhalve de devotie van de ziel uit.[89] Dit lijkt in lijn te zijn met Davids woorden in Psalm 141, waarin hij wenst dat zijn gebed als reukwerk voor Gods aangezicht wordt bereid.[v 182] Andere rabbijnen vergeleken de door het reukwerk gesymboliseerde devotie van de ziel met de studie van de Thora, terwijl het koperen altaar liefdadigheid aan de armen verbeeldt.[89]

Uitleg volgens het Nieuwe Testament[bewerken]

Een aantal boeken van het Nieuwe Testament geeft uitleggingen betreffende de symboliek van de tabernakel en de inventaris. De gedachte dat de tabernakel symbool staat voor Gods verblijf tussen de mensen wordt ondersteund in Openbaring, waar een tekst uit Ezechiël 37 vers 27 wordt geciteerd:[90]

Aanhalingsteken openen En ik hoorde een grote stem uit den hemel, zeggende: Ziet, de tabernakel Gods is bij de mensen, en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen Zijn volk zijn, en God Zelf zal bij hen [en] hun God zijn.
— Openbaring 21:3 - Statenvertaling
Aanhalingsteken sluiten

Een uitgebreide behandeling van de symboliek van de tabernakel is te vinden in de hoofdstukken 8 en 9 van de Brief aan de Hebreeën. Deze verklaren dat de tabernakel een afschaduwing is van een tempel die zich in de hemel bevindt. Terwijl in vroegere tijden de hogepriester elk jaar verzoening deed voor het volk door bloed te sprenkelen in het Heilige der Heiligen, deed Jezus Christus iets soortgelijks door zijn leven te geven. Door dit volmaakte offer in de hemel aan te bieden werd de weg vrij gemaakt 'tot in de heilige plaats'.[v 183][n 41] De protestante evangelist Johannes de Heer vergeleek in dit licht het reukaltaar met de verlossing door Jezus Christus. Het reukaltaar staat immers tussen het volk in het voorhof en God in het Heilige der Heiligen in, zo zou Christus als verzoener tussen de mensen en God staan.[91] Jezus' dood luidde volgens de christenen een 'nieuw verbond' in, waardoor de noodzaak om offers in de tempel te brengen kwam te vervallen. Doordat het tempelgordijn van boven naar beneden doormidden scheurde toen Jezus stierf werd volgens sommige commentators dit verbond vanuit de hemel bekrachtigd.[v 185][92]

In het eerste hoofdstuk van Openbaring wordt een visioen beschreven waarin zeven kandelaars rondom Jezus Christus staan. Het verslag vergelijkt deze kandelaars met zeven christelijke gemeenten in Klein-Azië.[v 186] De leden van de gemeente Efeze krijgen in het tweede hoofdstuk de raad om weer op het rechte pad te gaan. Wanneer ze dit niet doen zal hun licht weggenomen worden, wat betekent dat hun gemeente zal worden opgeheven.[v 187] Volgens de Britse predikant Matthew Henry ontvangt de door een kandelaar gesymboliseerde kerk haar licht van God en geeft dit door aan de kerkleden. De kerk dient derhalve heilig en puur te zijn, wat wordt gesymboliseerd door het goud van de kandelaars.[93] Er is onzekerheid of het over zeven losse kandelaars gaat of over een zevenarmige lampenstandaard, zoals in de tabernakel. Bijbelcommentators die menen dat het over losse kandelaars gaat opperen diverse theorieën over de symboliek. Volgens het Pulpitcommentaar bijvoorbeeld wordt de verspreiding van de christelijke kerken in de wereld gesymboliseerd, wat een contrast vormt met de vaste plaats van de oude joodse tempel in Jeruzalem. Volgens de Schotse geestelijke William Robertson Nicoll wordt door het uit elkaar halen van de kandelaren gesymboliseerd dat de joodse menora zijn symboliek verloren heeft.[94]