Slag bij Tannenberg (1410)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Slag bij Tannenberg
Voorstelling in de Kronieken van Berne door Diebold Schilling uit 1483
Voorstelling in de Kronieken van Berne door Diebold Schilling uit 1483
Datum 15 juli 1410
Locatie nabij Tannenberg en Grunwald
Resultaat Pools-Litouwse overwinning
Strijdende partijen
POL Przemysł II 1295 COA.svg Koninkrijk Polen

Coat of arms of Lithuania.svg Grootvorstendom Litouwen

Insignia Germany Order Teutonic.svg Duitse Orde
Leiders en commandanten
Koning Władisłaus II Jagiełło

Grootvorst Vytautas

Grootmeester Ulrich von Jungingen
Troepensterkte
39.000 man 32.000 man
Verliezen
Onbekend 14.000 gevangenen en 18.000 doden
Monument ter nagedachtenis aan de slag

De Slag bij Tannenberg (of Slag bij Grunwald, in Litouwen ook: Slag bij Žalgiris) vond plaats op 15 juli 1410 op een nabij de dorpen Tannenberg en Grünfelde (Pools: Grunwald, Nederduits: Groenenvelt).

Achtergrond[bewerken]

Het is het hoogtepunt in het conflict tussen de Duitse Ordestaat en het Grootvorstendom Litouwen over de regio Samogitië.

De veldslag[bewerken]

De slag vond plaats tussen twee bondgenootschappen. Aan de ene kant bevonden zich Poolse, Litouwse en Lipka-Tataarse strijdkrachten en soldaten die door de Pruisische steden waren betaald[bron?], onder bevel van de Poolse koning Władisłaus II Jagiełło (20 tot 25.000 man).

Aan de andere zijde bevonden zich de strijdkrachten van de Duitse Orde (14.000 man) onder de grootmeester van de Duitse Orde Ulrich von Jungingen.

Ulrich verraste op 15 juli de Pools-Litouwse legers door zich op volle sterkte op te stellen tussen de dorpjes Grunwald en Tannenberg op slechts enkele kilometers (7 km) van het meer van Lubien waar het kamp van Jagiełło was gelegen. In plaats van de nog niet georganiseerde Polen meteen aan te vallen besloot Ulrich zijn leger in te graven op een strategisch geplaatste heuvel. Hij wachtte af tot de Poolse koning het initiatief nam om aan te vallen.

Jagiełło weigerde echter om aan te vallen omdat hij nog steeds in een diplomatieke oplossing geloofde. Ook wordt beweerd dat hij aarzelde wegens de grote faam op het slagveld die de Duitse Orde in de laatste jaren had verworven. De Duitse ridders waren veel beter bewapend en een stuk ervarener dan de Poolse ruiterij die voornamelijk bestond uit Poolse en Litouwse lansiers, Lipka-Tataarse ruiters en Russische hulptroepen en slecht een minderheid aan ridders. Uiteindelijk besloot Ulrich de koning uit te dagen en stuurde hij twee bodes, Kazimir van Stettin en de keizerlijke heraut, naar het Poolse kamp om Jagiełło te hekelen. Hij diende van repliek maar werd uitgedaagd door de spottende toon van de twee arrogante ridders, ze beweerde dat Jagiełło zijn eer waagde door niet aan te vallen, en Jagiełło dreigde dat ze nog spijt zouden krijgen van deze dwaze woorden. Daarna beval hij hertog Witold, tevens zijn neef, de aanval te openen.

De Poolse linkerflank viel eerst ordelijk aan op de Duitse linies maar stuitte op de verbeten Duitse ridders die deze opmars een halt toeriepen. Op de rechterflank van het Poolse leger gaat het er wanordelijker aan toe wanneer de Litouwse, Russische en Tataarse ruiters een roekeloze aanval uitvoeren op de Duitse linkerflank. Hun terugtrekkingsmanoeuvre ontaard in een massale vlucht en de instorting van de rechterflank. Witold hield stand in het midden en Jagiełło stuurde zijn reserves naar de vluchtende rechterflank. Op dat moment zag Ulrich dat Jagiełło slechts bewaakt door enkele van zijn trouwste ridders op een heuvel aan de rand van het slagveld stond uit te kijken. Hij beval een aanval van zijn meest geduchte ridders op de rechterflank en stuurde een groepje naar de heuvel waar Jagiełło zich op bevond. Deze groep werd echter door Poolse ridders onderschept en op de rechterflank slaagde Witold erin de vluchtende troepen te laten omkeren en zich weer in de strijd te mengen. Het behoud van de centrale Poolse slaglinie gaf Witold nu de mogelijkheid om de verzwakte Duitse troepen te omsingelen met zijn immense cavalerie. Het slagveld veranderde al snel in een kluwen waarin het moeilijker en moeilijker werd vriend van vijand te onderscheiden en waarin de Duitse ridders hun superieure slagkracht niet konden benutten. Langzamerhand omsingelden de Pools-Litouwse legers de Duitse strijdmacht en leek de strijd gestreden. Ulrich besloot echter niet op te geven en beval zijn troepen stand te houden. Rond 19:00 uur waren de meeste soldaten van de Orde ofwel gevangengenomen ofwel gedood. 200 Duitse ridders waren gesneuveld. Ook Ulrich sneuvelde in de strijd. Het Weichselgebied werd vervolgens geplunderd.

Na de slag[bewerken]

Jagiełło's leger hergroepeerde op het slagveld en toen het eindelijk klaar was om verder op te trekken had graaf Heinrich von Paulen al met drieduizend mannen de burcht en tevens het bestuurscentrum van de Orde Mariënburg versterkt. Met haar hoge muren en slotgrachten was de vestiging haast niet te veroveren. De voorraden waarover het kasteel beschikte waren immens en na twee maanden moest Jagiełło het beleg opgeven. Nadien zou de oorlog nog vele jaren voortduren met wisselend succes aan beide kanten.

Gevolgen[bewerken]

Eerste vrede van Thorn[bewerken]

Na deze veldslag herkregen de Duitse ridders nooit meer hun oude macht. Voorlopig bezat de Poolse koning niet de mogelijkheden om grote gebiedsannexaties door te voeren. Hij liet het in de Eerste Vrede van Thorn in 1411 en die van Meln (Melno-See) in 1422 bij het opleggen van een hoge oorlogsschatting aan de Orde. Deze probeerde nu de verstandhouding met haar steden te verbeteren door hun autonomie-eisen in te willigen. Ook de Pruisische landadel die niet tot de Ridderschap van de Orde behoorde kreeg meer vrijheid. Niettemin ging het proces van verwijdering tussen de Ridderschap en haar onderdanen door. De stad Danzig nam de leiding in de oppositie en werd daarbij door de Poolse koning gesteund. De ene na de andere Ordensburcht werd belegerd en ingenomen, ook de hoofdzetel (de Marienburg) van de hoogmeester (grootmeester).

Tweede vrede van Thorn[bewerken]

50 edelen en 19 steden verenigden zich in 1440 in een oppositionele Pruisische Bond, die in 1454 de Poolse koning aanzocht om hun soeverein te worden. Daarop brak een Dertienjarige Oorlog (1454-1466) uit. Door geldgebrek kon de Orde huursoldaten niet betalen en gaf ze aan de legerleiders een aantal van haar burchten in pand. Omdat de leiders onmiddellijk geld wensten, verkochten ze de burchten aan de Poolse koning. De hoogmeester van de Orde moest zich daarop schikken in een Tweede Vrede van Thorn tot stand, die in 1466 de westelijke helft van Pruisen (West-Pruisen), zij het als autonome provincie, en het bisdom Ermland (Warmia) definitief aan Polen bracht. Ook de autonomie van de steden in deze gebieden werd met Pools-koninklijke privileges gehandhaafd. Deze zelfstandigheid werd echter ingetrokken aan het einde van de 16de eeuw en alleen Danzig en Elbing kunnen ook nadien als autonome steden beschouwd blijven worden. De hoogmeester van de Orde had zijn bestuurscentrum inmiddels verlegd van Marienburg naar Koningsbergen (Königsberg).

In 1525 werd het restant van het gebied van de Orde geseculariseerd tot erfelijk hertogdom (Hertogdom Pruisen) onder de laatste hoogmeester Albrecht van Brandenburg-Ansbach. Hij moest de Poolse koning als leenheer erkennen, maar het hertogdom zou zich daar later van kunnen losmaken omdat de Orde en zijn hoogmeester weliswaar de Poolse koning als soeverein erkend had, maar de hertog meende dat hij die relatie niet hoefde over te nemen. Pas in 1702 kon hij zich op grond van de machteloosheid van de Poolse koning formeel van diens soevereiniteit losmaken en zichzelf tot koning van Pruisen uit laten roepen. Daarna zou het gebied als provincie Oost-Pruisen het kernland worden van het in macht groeiende koninkrijk Pruisen, dat uiteindelijk in 1871 met de Duitse eenwording in het Duitse Rijk leidde. Bestuurlijk werd Oost-Puisen in 1772 verenigd, zo men wil herenigd, met West-Pruisen dat toen geannexeerd werd na de Eerste Poolse deling. In 1795 werd Danzig de hoofdstad. Later zouden Oost en West-Pruisen verdeeld worden als twee verschillende provincies binnen het koninkrijk Pruisen.

Nalatenschap[bewerken]

Sinds de 18de eeuw werd in de Poolse nationale geschiedenis de slag van Tannenberg (in Polen slag van Grunwald) voorgesteld als een krachtmeting tussen het Duitse en het Poolse volk en als een zege van dat laatste over het eerste. Dat is echter een modern-anachronistische opvatting die met de toenmalige machtsverhoudingen en -strevingen weinig van doen heeft. In het Ordeleger vochten ook Poolstalige strijders uit Oost-Pruisen en elders mee, terwijl een aantal Duitstalige edelen weer dienden onder de Poolse en Litouwse kroon. De Duitse burgerijen van de steden van de 'Pruisische Bond' steunden met geld het 'Poolse' leger. Partijkeuze werd niet op grond van nationale identiteit gemaakt maar uit economische en juridische belangen en door de grote aantallen huursoldaten op grond van de geboden soldij en uit de zucht naar oorlogsbuit. Desalniettemin maakt Grunwald in Polen deel uit van de nationale identiteit gebaseerd op anti-Duitse gevoelens die in een doorgaande lijn worden gezien lopend van de middeleeuwen tot in de Tweede Wereldoorlog. In Litouwen wordt vooral de rol van de Litouwse groothertog en bondgenoot van de Poolse koning benadrukt. Overigens, in de eeuwen na 1410 zou de Litouwse adel zich laten opnemen in de Poolse szlachta en de Litouwse bevolking onder sterke poloniseringsdruk komen.