Cesare Beccaria

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Portret van Cesare Beccaria
voorpagina van de eerste editie Dei deletti e delle pene, 1764

Cesare Beccaria (Milaan, 15 maart 1738 - 28 november 1794) was een Italiaanse filosoof en politicus wiens verlichte ideeën van grote invloed waren op het denken over het strafrecht. Hij verdedigde het depenaliseren van misdrijven die de maatschappij geen schade berokkenden (zelfmoord, blasfemie, ketterij, homoseksualiteit, echtbreuk...), het wettelijk omschrijven van delicten en straffen en het afschaffen van de gerechtelijke tortuur en de doodstraf. Daarmee legde hij de grondslag van wat is aangeduid als de Klassieke school van de criminologie.

Bijdragen aan het strafrecht[bewerken | brontekst bewerken]

In zijn filosofisch traktaat Dei delitti e delle pene (Over misdaden en straffen) uit 1764 toonde Cesare Beccaria zijn morele bekommernis over hoe strafrecht zou moeten zijn. De grondslag van het recht tot straffen vond hij in de verdragstheorie van John Locke. Deze stelde dat de maatschappij tot stand komt op grond van een afspraak tussen haar leden, die een deel van hun vrijheid geven aan de gemeenschap. De doelstelling van elke wetgeving moest volgens Beccaria het maximaal geluk voor een maximaal aantal mensen zijn, een utilitaristisch uitgangspunt. Hij ging in tegen wat zijns inziens duistere, complexe en wrede wetgeving was.

Enkele beginselen van het vigerend strafrecht zijn hierbij van belang:

  • Het legaliteitsbeginsel, later verwoord door Paul Anselm Feuerbach als "nullum crimen, nulla poena sine lege", dat wil zeggen: geen misdrijf, geen straf zonder voorafgaande wet
    Gevolg:
    • Wetgeving moet voor iedereen toegankelijk zijn.
    • Wetgeving moet worden opgesteld in de taal van het volk.
    • De rechter is gebonden door de letter van de wet (niet interpretatief).
  • Het proportionaliteitsbeginsel: een maximaal welzijn verzekeren met een minimum aan leed. De opgelegde straf moet net volstaan om te voorkomen dat de delinquent zijn medeburgers nog benadeelt.
  • Het subsidiariteitsbeginsel: De optimale straf is de minimale straf die toch effect sorteert. De beste preventie voor de criminaliteit is immers niet de wreedheid van de straf, maar wel het feit dat het onmogelijk is haar te ontlopen. Misdrijf en straf dienden ook kort op elkaar te volgen opdat de straf effect zou hebben. Hiermee pleitte Beccaria tegen martelen en de doodstraf.
    Gevolg:
    • Doodstraf kan volgens Beccaria geen zinnige straf zijn, want deze straf is definitief en onomkeerbaar.
    • Hij pleitte voor dwangarbeid en gevangenisstraf.
    • Uitzondering: een persoon die de staat in gevaar bracht kon wel tot de doodstraf veroordeeld worden.
  • Het gelijkheidsbeginsel: de strafrechtelijke sancties moeten dezelfde zijn voor de eerste burger en voor de nederigste.
  • Het publiciteitsbeginsel: de terechtzitting en de bewijsvoering moeten openbaar gebeuren, de geheime procedure moet afgeschaft worden.
  • Het personaliteitsbeginsel: hiermee kantte Beccaria zich tegen de algemene verbeurdverklaring van de goederen, die in feite de familie van de veroordeelden en bannelingen trof. Verbeurdverklaring is het afnemen van de goederen van het volledige gezin.

Het boek van Beccaria verscheen in diverse talen. Een Franse editie, met een voorwoord van Voltaire, kwam er in 1766 en in 1768 volgde in het Nederlands de Verhandeling over de misdaaden en straffen.

Nederlandse vertalingen[bewerken | brontekst bewerken]

Literatuur[bewerken | brontekst bewerken]