Georges Dumézil

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Georges Dumézil

Georges Dumézil (Parijs, 4 maart 1898 - aldaar, 11 oktober 1986) was een Franse linguist en godsdienstwetenschapper. Hij werkte als hoogleraar aan de Universiteit van Istanboel en de École pratique des hautes études. Het grootste deel van zijn leven deed hij onderzoek naar de Indo-Europese samenleving. Het tegenwoordige Anatolië was de bakermat van deze beschaving, die zich over een groot deel van Europa en Azië uitstrekte. [1] Hij ontwikkelde een theorie, de Indo-Europese godentrias, die de maatschappij van de vroegste volkeren en hun godenverering ontsluierde. Dumézil kreeg hierdoor wereldfaam en zijn werk is van grote invloed op het gebied van vergelijkende mythologie en Indo-Europese studies.

Jeugd en vorming[bewerken | bron bewerken]

Georges Dumézil groeide op in Parijs, als zoon van Jean Anatole Dumézil en Marguerite Dutier. Zijn vader was generaal in het Franse leger. Van kinds af aan was hij dol op verhalen. Als achtjarige kon Georges al Duits lezen en droomde weg in de wereld van de Argonauten en Heracles. [2] Als twaalfjarige las hij over de heldendaden van Aeneas in de Franse vertaling, verdiepte zich in de Griekse en Duitse mythologie en wist de hand te leggen op een Arabische woordenlijst. Al vroeg ontdekte hij in zichzelf een grote passie voor het doorgronden van de grammatica.

Hij kreeg zijn opleiding aan elitelycea in Parijs, waar hij binnen korte tijd het Oudgrieks en Latijn meester was. De taalkundige Michel Bréal was van grote invloed op hem. Hij gaf hem op vijftienjarige leeftijd een woordenboek Sanskriet en stimuleerde Dumézil om deze taal te gaan studeren. In 1916 schreef hij zich in aan het École normale supérieure, maar kreeg een oproep om dienst te nemen in het leger. Tijdens de Eerste Wereldoorlog vocht hij als artillerie-officier aan het front. Vanwege zijn inzet ontving hij het Croix de Guerre. [3] Pas een jaar na de oorlog keerde hij terug naar het ENS.

Taalwetenschapper Antoine Meillet bracht hem in aanraking met de Iraanse talen en Indo-Europese linguïstiek, waarbij Dumézil meer geïnteresseerd was in mythologie dan in linguïstiek. In 1921 doceerde hij Frans aan de Universiteit van Warschau en ging tegelijkertijd door met zijn onderzoek naar literatuur in het Sanskriet. Hij zag sterke gelijkenissen met het werk van de Romeinse dichter Ovidius en kwam tot de conclusie dat beide talen (Sanskriet en Latijn) geworteld waren in een gemeenschappelijke Indo-Europese erfenis.

Toen hij nog gelegerd was aan het oorlogsfront en een nacht de slaap niet kon vatten, stond hij op om nog wat gedachten op te schrijven, voor het geval dat hij de volgende dag zou sneuvelen.

Bij de bestudering van oude beschavingen heb je aan de ene kant vergelijkende grammatica en anderzijds vergelijkende mythologie. De linguïstiek is gericht op de feiten en volgde de ontwikkelingen van de taal als een rechte lijn in de tijd. De vergelijkende mythologie is naar mijn mening lichtzinnig, anekdotisch en oppervlakkig; verzinsels van de linguïsten over het verre verleden, maar met de werkelijkheid heeft het waarschijnlijk niets te maken. [2]

In 1924 behaalde Georges Dumézil zijn PhD in vergelijkende godsdienstwetenschappen met het proefschrift Le festin d’immortalité (Het feest van de onsterfelijkheid). Hij beschreef hierin het gebruik van gewijde drank bij rituelen in de Indo-Iraanse, Germaanse en Slavische godsdienst.

Begin carrière[bewerken | bron bewerken]

Van 1925 tot 1931 werkte Dumézil als hoogleraar Godsdienstwetenschappen aan de Universiteit van Istanbul. Mustafa Kemal Atatürk had vernomen dat er in Frankrijk een strikte scheiding was (in het onderwijs) tussen kerk en staat : het z.g. laïcisme. Atatürk wilde dit systeem ook gebruiken om de macht van zijn moslimlandgenoten in te perken. Dumézil stichtte een faculteit, waar, als enige ter wereld, volledige vrijheid heerste om welke religie dan ook te bestuderen. [4]

Hij maakte zich het Armeens en het Ossetisch eigen en een aantal andere niet Indo-Europese talen die in de Kaukasus gesproken werden. Zo was hij in staat om de Nart sages te bestuderen. Deze vertellingen zijn voor de Kaukasus even belangrijk als de Griekse mythologie voor het Westen. Tweeënnegentig verhalen over de Narts met paarden en tovenaars, waardoor de oude cultuur van volkeren, die bijna waren uitgestorven, bleef voortbestaan. [5]

Hij zag parallellen tussen de Griekse en Indo-Iraanse geesteswereld. Zo hadden de Grieken afbeeldingen van personen, met het lichaam van een paard en het hoofd van een mens. De oude Indiërs verbeelden het wezen andersom: het lichaam van een mens, het hoofd van een paard of een ander dier. De Grieken noemde de figuur een centaur en de Indiërs een Gandharva. Hij schreef er een boek over, Le problème des centaures (1929), maar twijfelde achteraf, of hij wel op het goede spoor zat. [2]

In 1930 publiceerde hij La préhistoire indo-iranienne des castes. Bestudering van teksten in het Avestisch, Perzisch, Grieks, Ossetisch en Arabisch leidde hem tot de conclusie dat er al in het Indo-Iraanse gebied een kastenstelsel bestond, ver voor de tijd dat dit systeem zich door migratie tot in Zuid-Azië verspreid had.

Van 1931 tot 1933 werkte Dumézil als lector Frans aan de Universiteit van Uppsala samen met Otto Höfler, die onderzoek had verricht naar Germaanse groepen krijgers, ook wel bekend als de Comitatus. Eind jaren dertig verdiepte Dumézil zich in de Germaanse godenverering. Hij borduurde verder op het werk van Jan de Vries, die onder meer het standaardwerk De Germaansche Oudheid op zijn naam had staan. Dumézil kwam tot de ontdekking dat de vroeg Germaanse samenleving op dezelfde sociale leest was geschoeid als de vroege Indo-Iraanse maatschappij. Hij vatte zijn bevindingen samen in het boek Mythes et dieux des Germains (1939).

Op hoge leeftijd moest Dumezil zich nog verweren tegen kritiek uit de marxistische hoek, dat "hij sympathie zou hebben gehad voor de nazicultuur vanwege dit onderzoek naar de Germanen." Vele vooraanstaande Fransen sprongen toen voor hem in de bres en verklaarden, net als hij zelf, dat er een duidelijk verschil is tussen geschiedkundig onderzoek en aanhanger zijn van een bepaalde cultuur.

De Indo-Europese godentrias[bewerken | bron bewerken]

Dumézil keerde in 1933 naar Frankrijk terug en kreeg een aanstelling bij de EPHE. Van 1935 tot 1968 was hij hoofd van de faculteit Vergelijkende Godsdienstwetenschappen. Tevens woonde hij colleges bij van de sinoloog Marcel Granet, wiens methodiek van godsdienstonderzoek Dumézil sterk inspireerde. Hij leerde Chinees en kon daardoor de Chinese mythologie doorgronden. Zijn faam als onderzoeker was hem vooruitgesneld, want toen Dumézil een keer bij Granet thuis kwam, verklaarde deze: "Ik had u al tien jaar geleden verwacht!" [2]

In 1934 schreef hij het boek Ouranos-Varuna over gelijkenissen tussen de Griekse mythologie (de god Uranus) en de Vedische tijd (de godheid Varuna). In Flamen-Brahman vergelijkt hij de rol van de Romeinse priester Flamen met die van Brahma in het oude India.

Na zoveel jaren taalkundig onderzoek verlegde Dumézil zijn koers. Er was een denkrichting die hem meer aansprak. De socioloog Marcel Mauss was zijn voorbeeld, want hij had onderzoek gedaan naar de sociale werkelijkheid in de vroegste tijden. De organisatie van de (antieke) samenlevingen met de verschillende klassen en hiërarchie en hoe deze terug te zien was in de mythologie.

Georges Dumézil lanceerde in 1938 een nieuwe theorie: de Indo-Europese godentrias . Volgens Dumézil bestond er van oudsher een vastgelegde driedeling in de hiërarchie: priesters, krijgers en ambachtslieden. De priesters bezaten de macht over zowel de geestelijke als de juridische wereld, de krijgers hadden als taak om de orde te handhaven en de ambachtslieden dienden zorg te dragen voor de gezondheid, vruchtbaarheid en welvaart. Dit idee zag Dumézil terug in de mythologie en de heldensagen bij alle volkeren. In de Noordse mythologie waren deze rollen toebedeeld aan de goden Odin, Thor en Freya, en in de Vedische mythologie Varuna, Mitra en Indra. Deze formulering van Dumézil betekende een revolutie in het onderzoek naar oude beschavingen.

Na de Tweede Wereldoorlog[bewerken | bron bewerken]

Na de Tweede Wereldoorlog vervolgde Dumézil zijn vergelijkende studie naar Vedische, Romeinse en Noordse mythologie. De godenwereld in het Iraanse taalgebied en Griekenland speelden een minder belangrijke rol in zijn werk. Op de EPHE werkte hij nauw samen met Claude Lévi-Strauss en Mircea Eliade. Ze werden beschouwd als de meest invloedrijke cultureel antropologen aller tijden. In 1948 besloot het Collège de France tot de oprichting van een nieuwe studierichting: Indo-Europese geschiedenis.

Eind jaren veertig schreef Dumézil nog een boek over de Indo-Europese invloed op het oude Rome L'héritage indo-europeen a Rome. Maar zijn twijfel over de universele theorieën van Durkheim en Lévi-Strauss groeide. Zij betoogden namelijk dat de godenwereld er overal ter aarde in grote lijnen hetzelfde uitzag. Dumézil had echter een aantal talen en mythologie van inheemse volkeren in zowel Noord- als Zuid-Amerika bestudeerd en geconstateerd dat drie goden eenheid bij deze stammen helemaal niet voorkwam. In 1955 bracht doceerde Dumézil een aantal maanden aan de Universiteit van Lima en bestudeerde de taal en godenleer van het Quecha. In 1958 verscheen van zijn hand L'idéologie tripartie des indo-européens, dat beschouwd wordt als de beste introductie van de ideeënleer van Dumézil. In 1975 trad hij toe tot de Academie Française, op voordracht van Lévi-Strauss, die hem als volgt omschreef:

Georges Dumézil is een persoon, die een meer dan encyclopedische kennis bezit en terreinen verkent, die ver uit elkaar liggen. Hij brengt ons bij een wereld die we voorheen nog niet kenden. [4]

Ook na zijn pensionering ging Dumézil verder met zijn talenstudie. Hij zou meer dan 40 talen leren en heeft zelfs het Oebychs voor uitsterven behoed. Dankzij de inspanningen van Dumézil is er een hernieuwde belangstelling voor Indo-Europese studies, met name in de Verenigde Staten.Op latere leeftijd werd Dumezil een bekende persoonlijkheid in het openbare debat.

Dumézil stierf op de 11 oktober 1986 aan een hersenbloeding. Gedurende zijn leven schreef hij meer dan vijfenzeventig boeken en honderden wetenschappelijke artikelen. Hij had bewust afgezien van het schrijven van zijn memoires, omdat hij van mening was dat zijn wetenschappelijk werk zijn erfenis vormde.

Galerij[bewerken | bron bewerken]

Zie de categorie Georges Dumézil van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.