Misdrijf

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
De goochelaar.
Terwijl een persoon uit het publiek vol ongeloof toekijkt, wordt zijn beurs gestolen door een man in priestergewaad en lorgnet, die achter hem staat. Terwijl hij dit doet kijkt de man naar de hemel. Alleen de metgezel van de modieus geklede dame schijnt er iets van te merken en wijst haar op de beurzensnijder.

De term misdrijf is een juridisch begrip, dat in het Belgische en Nederlandse strafrecht verschillende betekenissen heeft.

Nederland[bewerken | brontekst bewerken]

In het Nederlandse strafrecht is een misdrijf net als een overtreding een strafbaar feit. Overtredingen zijn over het algemeen minder ernstig dan misdrijven, maar op de zwaarste overtredingen staat een hogere straf dan op de lichtste misdrijven.

De meeste misdrijven staan omschreven in het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht. Daarnaast staan er misdrijven in bijzondere wetten, zoals de Wegenverkeerswet 1994, de Opiumwet, de Wet wapens en munitie en de Wet op de economische delicten.

Zie Strafrecht (Nederland) voor de toepasselijkheid van het Nederlandse strafrecht, de rol van de verschillende rechterlijke instanties, en het opleggen van straffen en maatregelen.

Voor voorbeelden van misdrijven zie misdrijven in het Wetboek van Strafrecht; verder:

België[bewerken | brontekst bewerken]

De term "misdrijf" is in het Belgisch strafrecht een overkoepelende term voor alle gedragingen die in strijd zijn met de strafwet en waarop een straf is gesteld. Een misdrijf bestaat traditioneel uit een materieel (de gedraging) en een moreel (de schuld) bestanddeel. Deze visie wordt door sommige auteurs echter op kritiek onthaald. Zo zou ze onvoldoende verfijnd zijn.[1] De Leuvense misdrijfleer pleit dan ook voor het gebruik van vier constitutieve elementen, namelijk de delictstypiciteit, de wederrechtelijkheid, de schuld en de strafwaardigheid.[1]

Elementen voor het bestaan van het misdrijf[bewerken | brontekst bewerken]

Vier elementen moeten aanwezig zijn zodat men kan spreken van een misdrijf:

  1. delicstypiciteit;
  2. wederrechtelijkheid;
  3. schuld; en
  4. strafwaardigheid.

Van zodra een van deze elementen ontbreekt, is er geen sprake van een misdrijf en kan men aldus niet worden vervolgd.

Delicstypiciteit[bewerken | brontekst bewerken]

Delictstypiciteit omvat een materieel en een moreel bestanddeel. Elk misdrijf heeft een materieel en een moreel bestanddelen: in het Belgisch strafrecht bestaan geen misdrijven zonder een moreel bestanddeel.

Materieel bestanddeel[bewerken | brontekst bewerken]

Het materieel bestanddeel wordt gevormd door een bepaalde gedraging of een bepaald verzuim (dus ook door iets niet te doen kan het materieel bestanddeel worden vervuld).

Het materieel bestanddeel vereist dat er sprake is van een uiterlijk waarneembare gedraging die krenkend of gevaarlijk is voor de beschermde waarden of rechtsgoederen.[2] Het materieel bestanddeel van het misdrijf moet voldoende omschreven worden in de strafbaarstelling. Het materieel bestanddeel van het misdrijf opzettelijke slagen luidt in artikel 398 Strafwetboek bijvoorbeeld: "Hij die (..) verwondingen of slagen toebrengt".

Niet enkel positieve daden, maar ook onthoudingen kunnen strafbaar worden gesteld, wat bijvoorbeeld het geval is bij schuldig verzuim uit art. 422bis Strafwetboek: "hij die verzuimt hulp te verlenen of te verschaffen aan iemand die in groot gevaar verkeert, hetzij hij zelf diens toestand heeft vastgesteld, hetzij die toestand hem is beschreven door degenen die zijn hulp inroepen".

Moreel bestanddeel[bewerken | brontekst bewerken]

Elk misdrijf heeft een moreel bestanddeel, zelfs indien de strafbaarstelling er niet expliciet een voorschrijft (in dat geval volstaat het algemeen opzet of onachtzaamheid, zie hieronder). Op deze regel bestaan er volgens het Hof van Cassatie geen uitzonderingen: er bestaan geen materiële misdrijven in het Belgisch strafrecht (ook voor verkeersmisdrijven is bijvoorbeeld een moreel bestanddeel vereist).

Met betrekking tot de invulling van het moreel bestanddeel wordt er een onderscheid gemaakt tussen opzettelijke en onopzettelijke misdrijven.

Opzettelijke misdrijven[bewerken | brontekst bewerken]

Bij opzettelijke misdrijven wordt het vereiste van het moreel bestanddeel in principe vervuld wanneer er sprake is van "opzet". Opzet houdt in dat men wetens en willens een verboden daad stelt of men verzuimt een geboden handeling te stellen. Wanneer de strafbaarstelling geen moreel bestanddeel voorschrijft, volstaat algemeen opzet (wetens en willens).

Niettemin kan de strafbaarstelling een bijzonder opzet voorschrijven. Dit houdt in dat de dader bijzondere beweegredenen had. Voorbeelden van bijzondere opzetten zijn:

  • bedrieglijk opzet: met het oogmerk om te bedriegen;
  • met het oogmerk om te schaden;
  • voorbedachte rade (vereist voor bijvoorbeeld moord): de dader heeft zijn handeling beraamd gedurende een zekere tijd die vooraf ging aan het strafbare feit;
  • bepaald opzet: de dader heeft zowel de handeling gewild als de gevolgen daarvan;
  • onbepaald opzet: de dader wil de daad en ook de gevolgen, maar de gevolgen zijn op dat ogenblik nog niet duidelijk bepaald;
  • het oogmerk om zichzelf te verrijken;
  • eventueel opzet: de dader wil de daad, heeft de gevolgen ervan voorzien en ze erbij genomen.

Wederrechtelijkheid[bewerken | brontekst bewerken]

Zie Rechtvaardigingsgrond voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Wanneer de dader geen rechtvaardigingsgronden kan inroepen, is de voorwaarde van wederrechtelijkheid vervuld. Er zijn vier rechtvaardigingsgronden:

  1. een gebod van de wet;
  2. een bevel van de overheid;
  3. wettige verdediging;
  4. de noodtoestand.

Schuld[bewerken | brontekst bewerken]

Zie Schulduitsluitingsgrond voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Indien er geen schulduitsluitingsgronden bestaan waarop de dader zich kan beroepen, is voldaan aan de voorwaarde van schuld. De schulduitsluitingsgronden zijn:

  1. overmacht of dwang;
  2. dwaling of onwetendheid.

Strafwaardigheid[bewerken | brontekst bewerken]

Zie Verschoningsgrond voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Bij een gebrek aan strafuitsluitende verschoningsgronden is de gedraging strafwaardig. Strafuitsluitende verschoningsgronden kunnen enkel worden aangenomen indien ze worden voorgeschreven door de wet, bijvoorbeeld:

  1. de bloedverwantschap is een strafuitsluitende verschoningsgrond voor diefstal;
  2. de aangifte bij de overheid vóór enige uitgifte van het valse geld en vóór enige vervolging door justitie is een strafuitsluitende verschoningsgrond voor valsmunterij.
Onopzettelijke misdrijven[bewerken | brontekst bewerken]

Het algemeen opzet bij onopzettelijke misdrijven neemt de vorm aan van "onachtzaamheid": de gedraging heeft aanleiding tot schadelijke gevolgen die de dader niet heeft gewild, maar die hij kon of moest voorzien en dus ook moest vermijden. Er is sprake van onachtzaamheid wanneer de handeling een door de strafbaarstelling schadelijk gevolg veroorzaakt ten gevolge van een gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg. Wanneer de dader de handeling heeft gesteld en zich daarbij het gevolg van zijn gedraging niet helemaal heeft voorgesteld, hoewel hij dat wel had kunnen en moeten doen, is er sprake van onvoorzichtigheid. Voorzorg ontbreekt wanneer de dader wel had gedacht aan de gevolgen van zijn handelen, maar er zeker van was dat ze zich niet zouden vordoen, hoewel hij beter had moeten weten.

Overzicht[bewerken | brontekst bewerken]

In België spreekt men van een kwantitatieve driedeling van strafbare gedragingen. Er zijn, wettelijk vastgelegd, drie categorieën van misdrijven, ingedeeld op basis van de straffen die op dat misdrijf staan:

Het misdrijf, naar de wetten strafbaar met een criminele straf, is een misdaad.
Het misdrijf, naar de wetten strafbaar met een correctionele straf, is een wanbedrijf.
Het misdrijf, naar de wetten strafbaar met een politiestraf, is een overtreding.

— Artikel 1 Strafwetboek

Om te weten in welke categorie een misdrijf valt, moet er gekeken worden naar de straf die de wet op het misdrijf stelt.

Indeling van de misdrijven en hun straffen in het Belgisch strafrecht
Misdrijf Strafmaat
Overtreding Op een overtreding staat een politiestraf uitgesproken door een politierechtbank.
Een politiestraf kan zijn: een geldboete (van 1 tot 25 euro, zonder opdeciemen), een gevangenisstraf (van 1 tot 7 dagen), een werkstraf (van 20 tot 45 uren) en/of een bijzondere verbeurdverklaring. Er bestaat discussie over de vraag of de elektronische enkelband een politiestraf kan uitmaken.
Wanbedrijf Op een wanbedrijf staat een correctionele straf, uitgesproken door een correctionele rechtbank.
De correctionele straf kan zijn: een geldboete van € 26 of meer, een gevangenisstraf (van 8 dagen tot 5 jaar), een werkstraf (van 46 tot 300 uren), een ontzetting van bepaalde politieke en burgerlijke rechten en/of een bijzondere verbeurdverklaring.
Misdaad Op een misdaad staat een criminele straf, uitgesproken door een hof van assisen.
De criminele straf kan zijn: een geldboete van € 26 of meer, opsluiting of hechtenis van 5 tot 30 jaar of levenslang, een ontzetting van bepaalde politieke en burgerlijke rechten en/of een bijzondere verbeurdverklaring.

Wijzigen van categorie[bewerken | brontekst bewerken]

Door de wet[bewerken | brontekst bewerken]

Wanneer er sprake is van strafverzwarende omstandigheden (bijvoorbeeld geweld) of strafverminderende omstandigheden (bijvoorbeeld poging).

Tijdens het onderzoek[bewerken | brontekst bewerken]

Een misdrijf kan van categorie veranderen door correctionalisering (misdaad wordt wanbedrijf) of contraventionalisering (wanbedrijf wordt overtreding) (zie het stuk over verzachtende omstandigheden). Bijvoorbeeld wanneer in de wet staat dat de schending gestraft kan worden met 10 jaar opsluiting, maar het Openbaar Ministerie besluit over te gaan tot correctionalisering, dan wordt dit een wanbedrijf, waardoor het feit nog met maximaal 5 jaar gevangenisstraf kan bestraft worden.

Na het invoeren van de wet Potpourri II in 2016 was het mogelijk om eender welk misdrijf te correctionaliseren. Voordien was dit enkel mogelijk voor misdrijven met een corresponderende gevangenisstraf van maximaal 20 jaar. De concrete verandering hield in dat bijvoorbeeld moord, waarvan de maximumstraf levenslange opsluiting/gevangenisstraf is, vanaf 2016 door de correctionele rechtbank kon worden berecht. Deze veralgemening werd echter vernietigd door het Grondwettelijk Hof bij arrest van december 2017 wegens strijdigheid met het gelijkheidsbeginsel (artt. 10-11 Gw.).

Door de rechtbank[bewerken | brontekst bewerken]

De categorie van het misdrijf wordt definitief bepaald door de straf die wordt gevonnist.

Belang[bewerken | brontekst bewerken]

Het onderscheid is van (technisch) belang voor de procedureregels die gevolgd moeten worden. Het verschil tussen de voorlopige en definitieve aard van het misdrijf zou problemen kunnen scheppen. Een voorbeeld is de duur van de verjaringstermijn waarbinnen de straf gevorderd moet worden: voor overtredingen is dat 6 maanden, voor wanbedrijven 5 jaar, voor misdaden 10 of 15 jaar.

Het onderscheid is ook van belang voor een aantal regels van materieel strafrecht: er gelden voor de verschillende categorieën andere regels in verband met opzet, deelneming, poging, herhaling, samenloop...

Verenigde Staten[bewerken | brontekst bewerken]

In de Verenigde Staten kent men net zoals in België een driedeling: infractions zijn overtredingen, misdemeanors zijn wanbedrijven en felonies zijn misdaden.

Externe link[bewerken | brontekst bewerken]

Op andere Wikimedia-projecten