Afschrijving

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Een afschrijving in bedrijfseconomische zin is het in de boekhouding tot uitdrukking brengen van de waardedaling van een bedrijfsmiddel over een bepaalde periode. Er wordt steeds afschrijving toegepast om de slijtage door het gebruik tot uitdrukking te brengen.

Achtergrond[bewerken]

Deze afschrijving vormt een kostenpost in de winst-en-verliesrekening en leidt dus tot een lager resultaat in de verslagperiode. Deze kosten worden afschrijvingskosten genoemd. De termen economische levensduur, technische levensduur en restwaarde zijn hier van belang. De afschrijvingskosten worden bepaald door de aanschafwaarde te verminderen met de restwaarde en de uitkomst hiervan vervolgens te delen door de economische levensduur.

Zou men dit nalaten dan zouden de winsten in de gebruiksjaren te hoog en in het aanschafjaar te laag zijn. Hierdoor zou men geen rekening houden met het feit dat het bedrijfsmiddel op een dag versleten is en dat men een nieuw moet kopen. Wanneer te veel geld aan de onderneming is onttrokken door te hoge winsten, kan men op dit moment in de problemen komen wanneer men dit niet kan betalen.

In feite wordt het matchingprincipe voor de jaarrekening hier toegepast: ieder jaar draagt zijn eigen kosten en lasten. De investering in het bedrijfsmiddel wordt dan ook via de afschrijvingen aan de onderscheiden jaren toegerekend. Het betreft een louter boekhoudkundige gebeurtenis: de uitgave (investering) zal immers vaak reeds jaren tevoren gedaan zijn. In Nederland wordt niet wettelijk bepaald hoe een onderneming moet of mag afschrijven.

Mogelijkheden[bewerken]

Er zijn veel verschillende mogelijkheden van afschrijven:

  • Lineair
  • Lineair tot restwaarde
  • Degressief (naar lineair)
  • Degressief (vast percentage van de boekwaarde)
  • Sum of the year digits (vast afnamebedrag)
  • Normale annuïteitenmethode
  • Gebaseerd op gebruik/prestatie

De bekendste methoden worden hieronder uitgelegd met een voorbeeld.

Voorbeeld lineaire afschrijving zonder restwaarde[bewerken]

Een bedrijfsmiddel heeft bij aanschaf een waarde van € 10.000. De economische levensduur wordt op 5 jaar geraamd; nadien heeft het activum geen waarde meer. De jaarlijkse afschrijving van het object is dan:
€ 10.000 / 5 = € 2.000
In het voorbeeld wordt ervan uitgegaan dat het product geen restwaarde heeft. Dat zal niet altijd zo zijn.

Voorbeeld lineaire afschrijving met restwaarde[bewerken]

Een auto wordt gekocht voor € 25.000, na 3 jaar zal deze vermoedelijk nog een restwaarde van € 13.000 hebben. Het activum heeft immers nog wel een zekere inruilwaarde. De economische levensduur is verstreken, maar de technische levensduur zeker nog niet. De jaarlijkse afschrijving is dan:
(€25.000 - €13.000) / 3 = € 4.000

De voorbeelden gaan uit van een lineaire afschrijving (de afschrijving is per periode gelijk). In werkelijkheid zal de waardeafname niet altijd lineair zijn. Het gaat dan om bedrijfsmiddelen, die vooral in de eerste jaren het meeste nut afwerpen. Om hier aan tegemoet te komen zijn er verschillende methoden van afschrijving ontwikkeld. De belangrijkste naast de lineaire methode is afschrijving met een vast percentage van de boekwaarde. Bij deze methode wordt de afschrijving elk jaar lager, omdat door de afschrijvingen de boekwaarde elk jaar lager wordt. Deze methode heet 'degressieve afschrijving'.

Formule voor berekening vast percentage van de boekwaarde[bewerken]

\textrm{vast\ percentage\ boekwaarde} = \left[1 - \left(\frac{\textrm{restwaarde}}{\textrm{aanschafwaarde}}\right)^\frac{1}{n}\right] * 100%

Waarbij n het aantal jaren is waarin men wenst af te schrijven.

Stel dat de auto uit het vorige voorbeeld in tien jaar wordt afgeschreven tot € 2.500,-, dan vindt men als volgt het afschrijfpercentage.
\left[1 - \left(\frac{2.500}{25.000}\right)^\frac{1}{10}\right] * 100% = 20,57%.
Na een jaar is de afschrijving 25.000 * 20,57% = € 5.141,79, en de boekwaarde 25.000 - 5.141,79 = € 19.858,21
Na twee jaar is de afschrijving 19.858,21 * 20,57% = € 4.084,27 en de boekwaarde 19.858,21 - 4.084,27 (of 25.000 - 5.141,79 - 4.084,27) = € 15.773,93
Aldus levert dit het volgende schema op.
Jaar Afschrijving Boekwaarde einde jaar
1 5.141,79 19.858,21
2 4.084,27 15.773,93
3 3.244,25 12.529,68
4 2.577,00 9.952,68
5 2.046,99 7.905,69
6 1.625,98 6.279,72
7 1.291,56 4.988,16
8 1.025,92 3.962,23
9 814,92 3.147,31
10 647,31 2.500,00
Aan het eind van het tiende jaar is de boekwaarde exact € 2.500,-. Wanneer men het totaal berekent van de kolom afschrijving, komt men uit op € 22.500,-, precies het bedrag dat diende te worden afgeschreven.


De keuze voor de methode van afschrijven wordt vaak bepaald door praktische en fiscale overwegingen. In specifieke gevallen is door de wetgever of regelgever aangegeven tegen wat voor waarde gewaardeerd dan wel afgeschreven moet worden. Afhankelijk van het type product dat afgeschreven wordt, kan/moet men een andere afschrijving gebruiken.

Bij belangrijke waardedalingen van de bedrijfsmiddelen kunnen inhaalafschrijvingen nodig zijn.

De belastingwet hanteert vergelijkbare noties als het om afschrijven gaat. Wel is daar door de Wetgever sinds 2007 in bepaalde gevallen een bepaalde afschrijvingsduur voorgeschreven. Bij onroerende objecten is de WOZ-waarde een rol gaan spelen.

Fiscale overwegingen[bewerken]

Een onderneming heeft niet slechts een bedrijfseconomische maar ook een fiscale jaarrekening. Deze balans ontstaat door de fiscale wetgeving toe te passen op de bedrijfseconomische jaarrekening. Deze wetgeving bevat naast onder andere vrijstellingen, aftrekbeperkingen en extra aftrekposten, ook afschrijvingsregels. Hierdoor kunnen afschrijvingsverschillen ontstaan met de bedrijfseconomische jaarrekening. Omdat deze verschillen invloed hebben op de winst, kan dit derhalve de belastingdruk verhogen of verlagen.

Bij fiscale planning probeert men in de regel op de fiscale balans de kosten zo snel mogelijk te nemen. Degressieve methoden genieten hier de voorkeur omdat in de beginjaren hogere kosten worden genomen. Hierdoor wordt de fiscale winst gedrukt en is de te betalen belasting lager. Uiteraard betekent dit uitstel van belastingheffing naar latere jaren en het ontstaan van een latente belastingschuld, maar een verschuiving van kosten naar de toekomst betekent tevens rentevoordeel: een bedrag in de toekomst heeft een lagere contante waarde dan hetzelfde bedrag nu.

Deze overweging speelt tevens mee bij momenten waarop men vervreemdingsvoordelen in de fiscale winst moet nemen en dus fiscaal moet 'afrekenen' (bijvoorbeeld bij bedrijfsovernames). Men kan hier vaak onder voorwaarden kiezen niet af te rekenen. In dit geval worden de oude boekwaarden aangehouden omdat de onderneming geacht wordt te zijn 'voortgezet'.Het voordeel is uiteraard dat in het overnamejaar geen drainage van financiële middelen door de extra belastingheffing plaatsvindt. Nadeel voor de overnemer is dan wel dat hij lagere afschrijvingen heeft en dus hogere fiscale winsten en daarmee meer belastingheffing.

Zie ook[bewerken]