Nut (economie)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nut (Engels: utility) is een maat voor relatieve tevredenheid. Het is de totale tevredenheid die een consument bij het consumeren van een combinatie van goederen en diensten ondervindt. Het kan gemodelleerd worden als kardinale of ordinale grootheid. In het laatste geval is bij de vergelijking van nutswaarden alleen van belang welke groter is, niet hoeveel groter. Een groter nut correspondeert met preferentie, en een ordinale nutsfunctie met een preferentierelatie. Samen met de rijkdom en de prijzen van de goederen en diensten bepaalt deze de optimale "consumptiepakketten". Het model kan in principe nog uitgebreid worden door consumptie in het ene jaar en in het andere jaar te onderscheiden, zodat ook keuzes zoals nu of later consumeren en voorkeur voor lenen of sparen worden meegenomen, en met kansverdelingen van consumptiepakketten, zodat onder meer ook voorkeur voor of afkeer van onzekerheid wordt meegenomen.

De leer van utilitarisme zag de maximalisatie van het nut als een moreel criterium voor de organisatie van de samenleving. Volgens utilitaristen, zoals Jeremy Bentham (1748-1832) en John Stuart Mill (1806-1873), zou de samenleving er naar moeten streven het totale nut van alle individuele leden samen te maximaliseren, met als doel het realiseren van het grootste geluk voor het grootste aantal mensen. Een recentere theorie, die rond 1970 door John Rawls (1921-2002) werd geformuleerd, stelde dat de samenleving het nut zou moeten maximaliseren van dat individu dat in eerste instantie de minste hoeveelheid nut ontving. In beide visies op nut zijn respectievelijk de liberale en sociaal democratische visies op de samenleving te herkennen.

Nut wordt meestal door economen in zulke constructies toegepast als de indifferentiecurve. Deze plot de combinatie van goederen, waarvan een individu of een samenleving accepteert dat deze een bepaald niveau van tevredenheid biedt. Individueel- en sociaal nut kan worden geconstrueerd als de waarde van respectievelijk een nutsfunctie en een sociale welvaartsfunctie. Wanneer dezen worden gecombineerd met productie-of grondstofbeperkingen, kunnen deze functies onder bepaalde veronderstellingen worden gebruikt om de Pareto-efficiëntie te analyseren, zoals wordt geïllustreerd door Edgeworth-boxen in contractcurven. Zulke Pareto-efficiëntie is een centraal begrip in de welvaartseconomie.

Geschiedenis[bewerken | brontekst bewerken]

Blaise Pascal had in 1654 het puntenprobleem opgelost, daarmee de waarde van een goed of dienst bepalend door de verwachte opbrengst. Deze wiskundige verwachting is het gewogen gemiddelde van alle mogelijke uitkomsten, waarbij de weging afhankelijk is van de kans dat een bepaalde uitkomst zich voordoet.

Op de horizontale as is de rijkdom uitgezet en op de verticale as het nut. AB is daarbij de aanvankelijke rijkdom. Bij toenemende rijkdom neemt het nut minder snel toe, volgens Bernoulli met een logaritmische functie[1]

In 1738 publiceerde Daniel Bernoulli Specimen Theoriae Novae de Mensura Sortis. In deze nieuwe theorie om het lot te meten stelde hij dat de waarde van een goed niet moet worden gemeten aan de hand van de verwachte opbrengst, maar op basis van emolumentum of de morele verwachting, het nut voor de bezitter. Wat voor een arm persoon een aanzienlijk bedrag is, is voor een rijk persoon veel minder relevant, het nut van iedere kleine toename van het vermogen is omgekeerd evenredig met de omvang van dat vermogen.[2]

Met de Sint-Petersburgparadox toonde hij aan dat de wiskundige verwachting niet de enige factor is die de investeringsbereidheid bepaalt. Doordat het Sint Petersburg-spel uit een oneindig aantal rondes kan bestaan, is het gewogen gemiddelde van de opbrengst ook oneindig. Op basis van de wiskundige verwachting zou dan elke eindige inleg acceptabel zijn. Er is echter een kans van 50% dat de opbrengst 1 dukaat is, waardoor elk weldenkend mens af zal zien van een grote inleg. Dat maakt dat de morele verwachting wel eindig is.

Dat de morele verwachting ook van belang is, toonde Bernoulli aan met het voorbeeld van een loterijlot dat met gelijke waarschijnlijkheid ofwel niets, ofwel twintigduizend dukaten oplevert, met dus een gewogen gemiddelde van tienduizend dukaten. Hij stelt dat een zeer arme man het lot desondanks voor negenduizend dukaten zal willen verkopen, terwijl een rijke man het voor die prijs zal willen kopen. Hoewel de objectieve waarde – de prijs – voor beiden gelijk is, is de subjectieve waarde dat niet, aangezien de relatieve positie de arme man veel meer verbetert met negenduizend dukaten dan die van de rijke man. De morele verwachting is dus afhankelijk van de omstandigheden waarin iemand zich bevindt en verklaart het mijden van risico van de arme man en het risico zoeken van de rijke man. De hypothese van Bernoulli bleek daarmee goed in staat om zaken te verklaren als waarom verzekeringen worden afgesloten. Voor kansspelen was dit echter juist een slechte verklaring. In plaats van een concave logaritmische functie, past daar een convexe functie, omdat er grote waarde wordt gehecht aan een kleine kans op een grote winst.

Met de eerdere benadering zou bij een transactie ofwel de koper, ofwel de verkoper nadeel ondervinden. Het inzicht van Bernoulli betekende dat beiden baat konden hebben bij de transactie wat van belang was bij de latere formulering van de wet van vraag en aanbod en voor de ideevorming rond besluitvorming onder onzekerheid.

Ferdinando Galiani publiceerde in 1751 Della moneta waarin hij stelde dat de waarde van geld en goederen gebaseerd is op het nut dat ze hebben voor mensen. In 1789 ontdekte Jeremy Bentham dit idee van grensnut opnieuw. Nut werd bij hem een balans van pijn en genot, waarbij het eerste verminderd en het tweede vermeerderd moet worden:

Nature has placed mankind under the governance of two sovereign masters, pain and pleasure. It is for them alone to point out what we ought to do, as well as to determine what we shall do.[3]

Deze grondslag van het utilitarisme of nuttigheidsdenken rekende hij uit met de felicific calculus of hedonistische calculus, bestaande uit de omstandigheden:

  • intensiteit
  • duur
  • zekerheid
  • nabijheid
  • productiviteit
  • zuiverheid
  • reikwijdte

Hieruit volgde de berekening van het geluk. Bentham was zich bewust van wat de eerste wet van Gossen zou worden, ook wel de wet van het afnemend grensnut:

One Guinea, suppose, gives a man one degree of pleasure: [...] it is not true by any means that a million of guineas given to the same man at the same time would give him a million of such degrees of pleasure.[4]

Dit zou echter alleen zichtbaar zijn bij grote verschillen, bij kleinere verschillen zou het verband tussen geld en geluk directer zijn.

Doordat iedereen in gelijke mate meetelt, heeft nut een egalitair karakter. Zoals uit een opmerking van attorney-general Alexander Wedderburn bleek, kon het principe van het grootste geluk voor het grootste aantal mensen problematisch zijn als een overheid het principe van het grootste geluk voor een enkeling voor ogen heeft:

‘This principle (said Wedderburn) is a dangerous one.’ Saying so, he said that which, to a certain extent, is strictly true: a principle, which lays down, as the only right and justifiable end of Government, the greatest happiness of the greatest number—how can it be denied to be a dangerous one? dangerous it unquestionably is, to every government which has for its actual end or object, the greatest happiness of a certain one, with or without the addition of some comparatively small number of others, whom it is matter of pleasure or accommodation to him to admit, each of them, to a share in the concern, on the footing of so many junior partners.
Dangerous it therefore really was, to the interest — the sinister interest — of all those functionaries, himself included, whose interest it was, to maximize delay, vexation, and expense, in judicial and other modes of procedure, for the sake of the profit, extractible out of the expense. In a Government which had for its end in view the greatest happiness of the greatest number, Alexander Wedderburn might have been Attorney General and then Chancellor: but he would not have been Attorney General with £15,000 a year, nor Chancellor, with a peerage with a veto upon all justice, with £25,000 a year, and with 500 sinecures at his disposal, under the name of Ecclesiastical Benefices, besides et caeteras[5]

Adam Smith maakte in The Wealth of Nations uit 1776 verschil tussen gebruikswaarde en ruilwaarde met zijn waardeparadox:

The word value, it is to be observed, has two different meanings, and sometimes expresses the utility of some particular object, and sometimes the power of purchasing other goods which the possession of that object conveys. The one may be called "value in use"; the other, "value in exchange." The things which have the greatest value in use have frequently little or no value in exchange; and, on the contrary, those which have the greatest value in exchange have frequently little or no value in use. Nothing is more useful than water: but it will purchase scarce anything; scarce anything can be had in exchange for it. A diamond, on the contrary, has scarce any value in use; but a very great quantity of other goods may frequently be had in exchange for it.[6]

William Forster Lloyd zette zich af tegen Smith en omschreef in 1833 waarde als:

the feeling of affection or esteem for the object, arising from a sense of the loss of the gratification contingent on the loss of the object.[7]

Het werk van de bescheiden Lloyd bleef echter onopgemerkt tot Seligman het in 1903 ontdekte.[8] Lloyd kwam dicht bij de wet van het afnemend marginale nut, maar wist de uiteindelijke conclusie niet te trekken. Twee jaar na de dood van Lloyd formuleerde Hermann Heinrich Gossen deze wet alsnog.

Antoine-Augustin Cournot maakte in 1838 onderscheid tussen ruilwaarde en nut, waarbij die laatste wisselende definities ongeschikt was voor wetenschappelijk gebruik:

Il faut bien distinguer l'idée abstraite de richesse ou de valeur échangeable, idée fixe, susceptible par conséquent de se prêter à des combinaisons rigoureuses, d'avec les idées accessoires d'utilité, de rareté, d'appropriation aux besoins et aux jouissances de l'homme, que réveille encore, dans le langage ordinaire, le mot de richesses: idées variables et indéterminées de leur nature esquelles dès lors on ne saurait asseoir une théorie scientifique.[9]

Wel zag hij een negatief verband van nut met vraag:

Admettons donc que le débit ou la demande annuelle D est, pour chaque denrée, une fonction particulière F (p) du prix p de cette denrée. Connaître la forme de cette fonction, ce serait connaître ce que nous appelons la loi de la demande ou du débit. Elle dépend évidemment du mode d'utilité de là chose, de la nature des services qu'elle peut rendre ou des jouissances qu'elle procure, des habitudes et des moeurs de chaque peuple, de la richesse moyenne et de l'échelle suivant laquelle la richesse est répartie.[9]

Ook Jules Dupuit kwam in 1844 in een zoektocht naar de ideale prijs voor een tolbrug met de wet van het afnemend marginale nut en leidde daaruit de vraagcurve af. Hierbij kwam hij ook tot het relatieve nut, wat Alfred Marshall later consumentensurplus zou noemen.[10]

John Stuart Mill werd beïnvloed door Bentham en diens grootste-geluk-principe. Bentham was zeer calculerend, wat het utilitarisme op de nodige kritiek kwam te staan, zoals Mills dit in Utilitarianism uit 1863 verwoordde:

Again, defenders of utility often find themselves called upon to reply to such objections as this- that there is not time, previous to action, for calculating and weighing the effects of any line of conduct on the general happiness.[11]

Hoewel de basisprincipes misschien niet te meten zijn, kan er volgens Mill wel gebruikgemaakt worden van secundaire principes, zoals ook zeelieden gebruikmaken van astronavigatie om hun weg op zee te vinden. Veel later kwam A.J. Ayer ook tot de conclusie dat de rekenmethode van Bentham een mythe was en dat de enige mogelijke benadering die van de samenleving als geheel was en niet die van het individu. Hoewel Bentham er niet in was geslaagd om moraliteit upon the sure path of a science te brengen, had hij wel een richting gegeven die daaraan bijdroeg.[12] Nut of value in use is volgens Mill de uiterste ruilwaarde:

Value in use, or as Mr. De Quincey calls it, teleologic value, is the extreme limit of value in exchange. The exchange value of a thing may fall short, to any amount, of its value in use; but that it can ever exceed the value in use, implies a contradiction; it supposes that persons will give, to possess a thing, more than the utmost value which they themselves put upon it as a means of gratifying their inclinations.[13]

Anders dan de Oostenrijkse school stelt, werd in de klassieke economie dus ook gebruikgemaakt van het subjectieve nut. Mill stelde dat de ruilwaarde bepaald wordt door twee factoren, de gebruikswaarde of nut en schaarste:

That a thing may have any value in exchange, two conditions are necessary. It must be of some use; that is [...] it must conduce to some purpose, satisfy some desire. No one will pay a price, or part with anything which serves some of his purposes, to obtain a thing which serves none of them. But, secondly, the thing must not only have some utility, there must also be some difficulty in its attainment.[13]

Kritiek[bewerken | brontekst bewerken]

Het begrip nut is een klassiek begrip in de lesstof van de middelbare school economie. Het is echter een omstreden begrip, omdat het niet tastbaar is en niet gemeten kan worden. Het is een abstract begrip, waarmee in een model van de economische werkelijkheid de werking van bepaalde economische processen op een eenvoudige manier uitgelegd kan worden. Economen gebruiken het in modellen om het gedrag van rationeel handelende agenten te voorspellen, of te verklaren. Dat kan ook zonder het begrip nut, alleen wordt het model wiskundig gezien veel lastiger om te doorgronden.

Stel een agent ontleent een hoeveelheid nut aan het consumeren van bepaalde goederen, en stel die agent is rationeel, en stel meer is beter, dus die agent wil zijn nut maximaliseren. En dan komen de beperkingen om de hoek kijken, zoals markt en techniek, waardoor er keuzes gemaakt moeten worden. Economen houden vol dat agenten in de economie rationele keuzes maken, of, dat het gedrag van agenten het beste voorspeld wordt in een model dat gebaseerd is op rationele keuzes. De modellen van het CPB gaan daar bijvoorbeeld van uit.

Niet-rationele overwegingen verstoren de gebruikte analyse. De stroming der gedragseconomen bestudeert de niet-rationele beslisbomen en tracht deze modelmatig te omschrijven.

Zie ook[bewerken | brontekst bewerken]

Referenties[bewerken | brontekst bewerken]

  1. Bernoulli (1954)
  2. the utility resulting from any small increase in wealth will be inversely proportionate to the quantity of goods previously possessed. Bernoulli (1954) p. 25
  3. Bentham, J. (1789): An Introduction to the Principles of Morals and Legislation
  4. Baumgardt, D. (1966): Bentham and the Ethics of Today. With Bentham Manuscripts Hitherto Unpublished, Octagon Books, p. 559
  5. Bentham, J. (1776): A Fragment on Government
  6. Smith, A. (1776): An Inquiry into the Nature and Causes of the Wealth of Nations
  7. Lloyd, W.F. (1833): A Lecture on the Notion of Value as Distinguished Not Only From Utility, but also from Value in Exchange
  8. Seligman, E.R.A. (1903): 'On Some Neglected British Economists' in Economic Journal, Volume 13, Issue 51, p. 335–363
  9. a b Cournot, A.A. (1838): Recherches sur les principes mathématiques de la théorie des richesses
  10. Dupuit, A.J.J.J. (1844): 'De la mesure de l'utilité des travaux publics' in Annales des ponts et chaussées
  11. Mill, J.S. (1863): Utilitarianism
  12. Ayer, A.J. (1954): Philosophical Essays, Macmillan, p. 268-269
  13. a b Mill, J.S. (1848): Principles of Political Economy