Wet van Say

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Jean-Baptiste Say

De Wet van Say stelt dat elk aanbod zijn eigen vraag schept. Dit economische principe wordt toegeschreven aan de Franse zakenman, politicus en econoom Jean-Baptiste Say (1767-1832).

Onmiddellijk gevolg van de wet van Say is dat een algehele overproductiecrisis niet kan voorkomen: recessies ontstaan niet door een gebrek aan vraag of aan geld. Hoe meer goederen (waar vraag naar is) er worden geproduceerd, hoe meer diezelfde goederen (aanbod) de vraag vormen naar andere goederen. Voorspoed zou dan ook vergroot moeten worden door de productie te stimuleren, niet de consumptie. Vanuit Says standpunt leidt het vergroten van de geldhoeveelheid simpelweg tot inflatie; meer geld om dezelfde hoeveelheid goederen te kopen representeert geen echte vergroting van de vraag.

Says formulering[bewerken]

James Mill gaf de wet van Say als volgt weer: “De productie van goederen creëert, en is de enige en universele oorzaak die een markt creëert voor de geproduceerde goederen”. In Says woorden: “producten worden betaald met producten” (1803: blz. 153), of “een overschot kan slechts ontstaan als er te veel productiemiddelen voor het ene product worden aangewend en te weinig voor een ander”. (1803: blz. 178-9). Uitgebreid op dit punt ingaand schreef hij:

Aanhalingsteken openen

Het is nuttig om op te merken dat op het exacte moment dat een product gemaakt is, het een markt veroorzaakt voor andere producten voor de volledige waarde van het product zelf. Als de producent de laatste hand aan het product heeft gelegd, zal hij het zo snel mogelijk willen verkopen uit angst dat de waarde zal afnemen terwijl hij het bezit. Hij is niet minder geneigd om het geld dat hij ervoor kan krijgen kwijt te raken; aangezien ook de waarde van geld kan afnemen. Maar de enige manier om van geld af te komen is om het één of andere product te kopen. Hierdoor is het enkele feit dat er een product geproduceerd is een nieuwe mogelijkheid voor andere producten. (J.B. Say, 1803: p.138-9)

Aanhalingsteken sluiten

Hij schreef ook:

Aanhalingsteken openen

Het is niet de overvloedigheid van geld maar de overvloedigheid van andere producten in het algemeen die voor verkopen kunnen zorgen. Geld speelt geen andere rol dan die van geleider in deze dubbele ruil. Als de uitwisselingen klaar zijn zal men zien dat er met producten voor producten is betaald.

Aanhalingsteken sluiten

Say was het oneens met de stelling dat het slecht ging met bedrijven omdat mensen niet genoeg geld hadden en er dus meer geld gedrukt zou moeten worden. Say beargumenteerde dat de mogelijkheid om dingen aan te schaffen alleen verhoogd kon worden door een hogere productie. James Mill gebruikte de wet van Say als argument tegen hen die de economie wilden oppeppen met niet-productieve consumptie. Consumptie vernietigt rijkdom, in tegenstelling tot productie die de bron is van economische groei. De vraag naar een product bepaalt de prijs van een product, niet of het geconsumeerd zal worden.

Waardering[bewerken]

De wet van Say werd aangehangen door de meeste klassieke en neoklassieke economen, James Mill, John Stuart Mill en David Ricardo voorop. Vroege kritiek kwam van Sismondi, Malthus en Marx. Die laatste wees op een fundamentele asymmetrie in elke ruil van goederen tegen geld: het bezit van de ene partij transformeert van een specifiek goed in het universele ruilmiddel geld, terwijl dat van de andere partij van universeel specifiek wordt. De transformatie van specifiek naar universeel geniet de voorkeur, zeker in tijden van onzekerheid. Te verwachten is dan dat geld opgespaard wordt en consumptie uitgesteld, ongeacht het aanbod.[1]

De crisis van de jaren 30 toonde de mogelijkheid van een recessie door overproductie/onderconsumptie duidelijk aan. Keynes kraakte de wet van Say in zijn General Theory of Employment, Interest and Money, onder verwijzing naar Malthus, en de neoklassieke economie meer in het algemeen maakte plaats voor de keynesiaanse theorie met haar nadruk op vraagstimulering door overheidsuitgaven. In de jaren 70 maakt de wet van Say een zekere opleving mee in de waardering door monetaristen en neoliberalen.

Zie ook[bewerken]

Noten[bewerken]

  1. David Harvey, Companion to Marx's Capital, Verso, 2010, pp. 65-68.