Kwantiteitstheorie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

In de monetaire economie is de kwantiteitstheorie van het geld de theorie dat de geldhoeveelheid een directe, positieve relatie heeft met het prijspeil. Vroege versies van deze theorie werden geformuleerd door John Locke en David Hume.[1]

De theorie kan uitgedrukt worden aan de hand van de Fishervergelijking

met M = de totale hoeveelheid geld in omloop, V = de omloopsnelheid van het geld, P = het algemene prijspeil en T = het handelsvolume. De kwantiteitstheorie luidt, in het kort, dat M bepalend is voor P: vergroting van de geldvoorraad leidt tot verhoging van het prijspeil. Onderliggende aannames zijn dat V een afspiegeling is van institutionele factoren (gewoontes, beschikbaarheid van banken, e.d.), terwijl T bepaald wordt door reële factoren die losstaan van M en V.[1]

De theorie werd vanaf de jaren dertig van de twintigste eeuw uitgedaagd door de Keynesiaanse economie,[2] maar vanaf de vroege jaren zeventig geactualiseerd en nieuw leven ingeblazen door de monetaristische school binnen de economie. Terwijl de hoofdstroom-economen het erover eens zijn dat de kwantiteitstheorie op de lange termijn hout snijdt, bestaat er onenigheid over de toepasbaarheid ervan op de korte termijn. Critici van de theorie stellen dat omloopsnelheid niet stabiel is en dat op de korte termijn prijzen niet flexibel zijn, zodat om deze reden de directe relatie tussen de geldhoeveelheid en prijsniveau niet opgaat op de korte termijn.

Alternatieve theorieën zijn onder andere de real bills doctrine en meer recent de fiscale theorie van het prijspeil.

Voetnoten[bewerken]

  1. a b Mark Blaug, Economic theory in retrospect, Cambridge University Press, 1985, p. 18.
  2. Hyman Minsky, John Maynard Keynes, McGraw-Hill Professional, 2008, p. 2.