Wereld-systeemtheorie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De wereld-systeemtheorie of wereld-systeemanalyse is een theoretisch raamwerk in de internationale betrekkingen en de sociologie, voornamelijk ontwikkeld door Immanuel Wallerstein. Wallerstein kiest in zijn werk expliciet voor een 'niet-disciplinaire benadering' (te onderscheiden van een multidisciplinaire). Volgens hem zijn de scheidslijnen tussen antropologie, economie, politicologie, sociologie en geschiedenis gebaseerd op de liberale staatsopvatting en hinderlijk bij het bestuderen van sociale systemen in hun totaliteit.[1]

Wallerstein gebruikt expliciet het koppelteken om onderscheid te maken met een algemeen begrip van een wereldsysteem dat de hele wereld omvat.[2]

Invloeden[bewerken]

De wereld-systeemtheorie valt onder de "kritische stromingen" van de internationale betrekkingen en leunt voor een deel op de theorieën van Karl Marx. Een ander deel van de theorie leunt op het werk van Franse historici van de Annales-groep, met name Fernand Braudel, over de ontwikkeling van het vroege kapitalisme van ca. 1400 tot 1800. Daarnaast is een groot deel door Wallerstein opgetekend naar aanleiding van uitgebreide ervaring in Afrika. Als laatste belangrijke invloed is de dependencia-theorie te herkennen waarin de uitbuitingsrelatie van de derde wereld door de eerste wereld centraal staat.

Economische structuur[bewerken]

De wereld-systeemtheorie werd voor het eerst uiteengezet in 1974 in het eerste boek uit een geplande serie van vier over Het moderne wereld-systeem, waarvan er tot op heden drie verschenen. Hierin wordt de ontwikkeling van de Europese economische integratie vanaf de zestiende eeuw beschreven. Deze integratie resulteerde al in dit vroege stadium in een wereld-economie, niet in de zin dat de economie de wereld zou beslaan, maar dat ze een economische en politieke wereld op zichzelf vormt. De Europese kapitalistische wereld-economie is uniek in de geschiedenis omdat ze geen wereld-rijk vormt, maar een wereld-systeem bestaande uit verschillende staten. De ontwikkeling van het wereld-systeem is er één van expansie in fasen: ontwikkelingen als kolonialisme, imperialisme en globalisering zijn stadia in de groei van het Europese wereld-systeem naar een mondiaal systeem.

De theorie gaat ervan uit dat in een kapitalistisch systeem de internationale economische wereldorde in plaats van wederzijds afhankelijk, en dus gelijkwaardig, er een van afhankelijkheid is en daarmee een van uitbuiting. De verschillende gebieden in de wereld zijn volgens de theorie in te delen drie delen: de kern, de semiperiferie en de periferie. De theorie behandelt de relatie tussen deze drie delen in een historisch kader dat gelijkloopt met het ontstaan van een wereldmarkt. De kerngebieden, die nu de westerse wereld omvatten, zijn de kapitaalkrachtigste gebieden en hebben vooral behoefte aan goedkope grondstoffen en voedsel die geruild worden voor o.a. hoogwaardige industriële goederen. De periferie levert de goedkope grondstoffen en voedsel en ruilt die voor de goederen uit de kern. Hierdoor worden de kerngebieden beter ten koste van de periferie gebieden. De semiperiferie bestaat uit de gebieden die kenmerken van kern en periferie combineren. Dit kunnen kerngebieden in verval zijn, of perifere gebieden in ontwikkeling.

De theorie gaat uit van lange aaneengesloten cycli in de wereldconjunctuur die bepalend zijn voor de ontwikkeling van de economie. Deze Kondratieff-golven van elk tussen de ongeveer 30 en 80 jaar zorgen voor eerst een opleving, de A-fase, en daarna een stagnatie, de B-fase van de wereldeconomie. De opgang en neergang van deze cycli vallen samen met de opgang en neergang van hegemonieën in de wereldpolitiek, overeenkomstig de stelling van Marx dat een economische basis de maatschappelijke inrichting, in dit geval van de wereldpolitiek, bepaalt. De opgang wordt veroorzaakt door technologische innovaties die de ontwikkeling van de kapitalistisch economie versterken, zoals de ontwikkeling van de stoommachine. De neergang daarentegen wordt bepaald door drie tegenstellingen in de maatschappelijke betrekkingen:[3]

  1. de tegenstelling tussen economie en politiek, waarbij iedere staat zijn eigen positie probeert te verbeteren terwijl de belangen van de kapitalistische economie dwars door landen heen loopt;
  2. de tegenstelling tussen vraag en aanbod, waarbij een situatie van schaarste zich vertaalt in een mogelijkheid voor arbeiders om meer loon te vragen waarbij de klassenverschillen worden verkleind;
  3. de tegenstelling tussen kapitaal en arbeid die leidt tot een verdere expansie van de wereldeconomie en verslechterende verhoudingen tussen arbeiders en kapitalisten.

De eerste tegenstelling zorgt voor een strijd tussen landen onderling om hun positie in het wereld-systeem ten opzichte van elkaar te verbeteren, zonder dat de economische relaties veranderen. Een land kan bijvoorbeeld van de semiperiferie naar de kern van de wereldeconomie verhuizen.

De tegenstelling tussen vraag en aanbod leidt tot een verbeterde positie van arbeiders ten opzichte van kapitalisten waarbij het mogelijk is om sociale voorzieningen op te bouwen of een hoger loon te vragen.

Door de toenemende tegenstelling tussen kapitaal en arbeid is er een economische noodzaak om de productiemiddelen te verbeteren op het moment van toenemende depressies in de economie. Tegelijkertijd zorgt ook de concurrentiestrijd tussen bedrijven ervoor dat er steeds meer arbeidsbesparende innovaties ontstaan. Vooral ten tijde van deze crises ontstaat een reserveleger van werklozen waarbij arbeidsmigratie versterkt zodoende de positie van het kapitaal tegenover die van de arbeiders.

Wereld-systeem[bewerken]

Sommige kerngebieden kunnen zo sterk worden dat ze hegemonie uitoefenen over de andere spelers in het systeem. Uniek aan het kapitalisme is echter dat dergelijke hegemonie niet leidt tot de vorming van een imperium, zoals dat in andere historische gevallen van economische integratie is gebeurd.[1][4]

Het kapitalisme ontstond volgens Wallerstein na de crisis in de feodaliteit van de late middeleeuwen. Inmiddels is het kapitalisme zelf in een crisis beland, die al sinds het begin van de 20e eeuw voortduurt. De Russische Revolutie van 1917 was de "symbolische ontsteking" van deze crisis. Wallerstein waagt zich niet aan voorspellingen omtrent een spoedig einde aan het kapitalisme: integendeel, het systeem is sterker dan ooit, en een koele, analyserende houding voorkomt desillusie over de mogelijkheid tot systemische verandering.[5]

Vanaf het einde van de Tweede Wereldoorlog zijn de Verenigde Staten de wereldhegemoon. In deze positie hebben zij zich als kern van het wereld-systeem kunnen ontwikkelen ten koste van de periferie. Vanaf de jaren zeventig bevindt de economie zich echter in de B-fase van de economische cyclus waarbij de positie van de Verenigde Staten afneemt ten opzichte van andere kernlanden en opkomende landen uit de Arabische wereld. Wallerstein plaatst de pogingen van de VS om haar positie door militair in te grijpen in Afghanistan en Irak te handhaven in deze neergang. In deze tijd waarin de structurele zwakte van het het Wereld-systeem duidelijk wordt ziet Wallerstein dan ook de mogelijkheid om de structuur van het Wereld-systeem te veranderen.[6]

Kritiek[bewerken]

Kritiek op de wereld-systeemtheorie richt zich vooral op het deterministische karakter van de verhoudingen en de rol van het kapitalistische wereld-systeem. Daarnaast is het vaak niet duidelijk wanneer er sprake is van de semiperiferie. Desondanks is de wereld-systeemtheorie een belangrijke theorie binnen de huidige internationale betrekkingen.

Literatuur[bewerken]

  • Wallerstein, I. (2004): World-systems analysis. An introduction, Duke University Press.

Noten[bewerken]

  1. a b Immanuel Wallerstein (1978). Europese wereld-economie in de zestiende eeuw: het moderne wereld-systeem. Nieuwkoop: Heureka.
  2. Wallerstein (2004): A world-system is not the system of the world, but a system that is a world and which can be, most often has been, located in an area less than the entire globe. World-systems analysis argues that the units of social reality within which we operate, whose rules constrain us, are for the most part such world-systems (other than the now extinct, small minisystems that once existed on the earth). World-system analysis argues that there have been thus far only two varieties of world-systems: world-economies and world empires. A world-empire (examples, the Roman Empire, Han China) are large bureaucratic structures with a single political center and an axial division of labor, but multiple cultures. A world-economy is a large axial division of labor with multiple political centers and multiple cultures. In English, the hyphen is essential to indicate these concepts. "World system" without a hyphen suggests that there has been only one world-system in the history of the world.
  3. Bart Tromp (2002): De wetenschap der politiek: Verkenningen, p. 412.
  4. Terence K. Hopkins en Immanuel Wallerstein, red. (1996): The Age of Transition. Trajectory of the World-System 1945-2025. Zed Books/Pluto Press.
  5. Immanuel Wallerstein (1984/1999). Patterns and Perspectives of the Capitalist World-Economy. Heruitgave in Paul R. Viotti en Mark V. Kauppi (1999): International Relations Theory. Realism, Pluralism, Globalism, and Beyond. Allyn & Bacon.
  6. Globalisation or the age of transition? A long term view of the trajectory of the World-System, Wallerstein, I., International sociology, 15 (2000) 249 – 265.