Volkomen mededinging

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Perfecte markt)
Ga naar: navigatie, zoeken
Economie
NY stock exchange traders floor LC-U9-10548-6.jpg

Dit artikel maakt deel uit van de serie:
Economische wetenschap


Deelgebieden
Micro-economie
Macro-economie
Econometrie
Internationale economie
Ontwikkelingseconomie
Bedrijfseconomie

Invloedrijke economen
Adam Smith
David Ricardo
Karl Marx
Alfred Marshall
Joseph Schumpeter
John Maynard Keynes
Milton Friedman
Friedrich Hayek
Lijst van bekende economen

Verwante vakgebieden
Economische sociologie
Geschiedenis van de economie
Internationale politieke economie
Politieke economie

Portaal  Portaalicoon  Economie

Volkomen mededinging is een model van mededinging. Een markt waarop dergelijke mededinging plaatsvindt noemt men een volkomen (of perfecte) markt. Dit model is afkomstig uit de algemene evenwichtstheorie van Léon Walras en is van daaruit een van de standaardmodellen van de (neoklassieke) micro-economie geworden. De precieze definitie verschilt per auteur, maar kenmerken waaraan een perfecte markt moet voldoen omvatten doorgaans de volgende:[1][2]

  • veel kleine kopers en verkopers. Elk bedrijf is zo klein dat het niet in staat is de prijs te beïnvloeden door het aanbodvolume aan te passen. Ook zijn er zo veel bedrijven dat het verlaten van de markt door een bedrijf de prijs niet beïnvloedt;
  • volledig inwisselbare producten. Voor kopers van deze gestandaardiseerde producten moet alleen de prijs van belang zijn;
  • alle bedrijven moeten volledig op de hoogte zijn van de economische en technische informatie die van belang is voor hun besluitvorming;
  • kopers zijn rationele actoren die hun eigen nut maximaliseren;
  • afwezigheid van externaliteiten, toetredingsbarrières en transactiekosten.

De perfecte markt is een wiskundige idealisering, die in de praktijk niet kan bestaan: echte bedrijven hebben de mogelijkheid om aanbod en prijzen te bepalen door diverse bedrijfsstrategieën, zoals productdifferentiatie. Dit heet in de theorie van perfecte markten de 'marktmacht' van de bedrijven en afwijkingen van het model noemt men imperfecte markten of marktfalen. Hoewel perfecte markten het standaardmodel van concurrentie zijn in de mainstream-economie, zijn ze onder heterodoxe economen (en zelfs sommige neoklassieke economen) sterk omstreden.

Eigenschappen[bewerken]

Léon Walras (1813-1910).

Bij een perfecte markt is sprake van een perfecte prijselasticiteit. De winstvoet (het rendement op kapitaal) is voor alle aanbieders op de lange termijn exact hetzelfde. In de neoklassieke theorie worden winsten (in bedrijfseconomische zin) echter voorgesteld als een onderdeel van de kosten, namelijk als opportuniteitskosten, zodat men stelt dat er géén winst wordt behaald. Enkel op de korte termijn is het maken van een hogere winst ('surpluswinst') mogelijk, maar deze zal toetreders aantrekken totdat de prijzen gedaald zijn tot een niveau waarop de 'kosten' net gedekt zijn. Het bestaan van winst op de lange termijn wordt dan ook niet verklaard door de theorie van volkomen concurrentie, maar simpelweg aangenomen: iedere investeerder heeft 'recht' op een normale winst op zijn kapitaal.[1]

Een perfecte markt leidt tot een uitkomst die Pareto-efficiënt is; niemand kan erop vooruit gaan zonder dat iemand anders erop achteruit gaat.

Handel op een perfecte markt vindt enkel plaats wanneer de markt in evenwicht is. Problematisch is dat in een perfecte markt, geen van de deelnemers enige invloed heeft op de prijs, die daardoor nooit kan veranderen; hierdoor wordt het evenwicht nooit bereikt. Walras loste dit op door zich voor te stellen dat de economie als geheel in rondes werkt, en dat voor elke ronde een veilingmeester het totaal aan vraag en aanbod inventariseert. De veilingmeester stelt dan de prijzen bij, net zo lang tot een algemeen evenwicht is bereikt. Pas zodra dit proces van 'aftasten' (tâtonnement) afgerond is, mogen productie en uitruil plaatsvinden.[3]

Geschiedenis[bewerken]

De theorie van volkomen concurrentie werd in de jaren 1870 opgesteld door Walras, een leidende figuur in de opkomende neoklassieke school (toen nog niet zo genoemd). Walras' ideeën maken deel uit van een bredere verandering in de economische theorie die de grensnutaanpak (of marginalisme) heet en die de aandacht van de economische wetenschap verlegde van de analyse van productie naar de analyse van markten.

De snelle populariteit van de perfecte markt en de grensnutaanpak meer in het algemeen kan gezien worden in het licht van de sociale en economische situatie in Europa. Na een periode van relatieve sociale vrede tussen 1848 en 1870, nam de sociale onrust weer toe ten gevolge van een economische crisis die de boeken in zou gaan als de Grote Depressie (1873-1896). Ook was in 1867 het eerste deel verschenen van Karl Marx' economische hoofdwerk Het Kapitaal, dat vanuit de beginselen van de klassieke economie een beeld van de markteconomie als stelsel van uitbuiting schilderde. In deze omstandigheden had de liberale economische wetenschap behoefte aan een nieuwe rechtvaardiging voor de markt, die geleverd werd door Walras' idee van volkomen marktwerking: voortaan konden crises verklaard worden als verstoringen van de volkomen concurrentie, bijvoorbeeld veroorzaakt door de collectieve looneisen van vakbonden.[4]

Vanaf de jaren 30 van de twintigste werd de theorie controversieel als gevolg van het debat omtrent het socialistisch calculatieprobleem: de vraag of een centraal geleide economie, dan wel een markteconomie het efficiëntst zou zijn. De linkse neoklassieke econoom Abba Lerner wees erop dat Walras zelf socialistische sympathieën had en stelde dat volkomen concurrentie het best begrepen kon worden als een model van marktsocialisme, met het centrale planbureau als Walras' alwetende veilingmeester, niet als model voor een kapitalistische economie.

Hierop kwamen twee antwoorden van pro-markteconomen. Friedrich Hayek en Ludwig von Mises lieten het idee van volkomen concurrentie los en formuleerden een alternatieve theorie, waarin niet volledige informatie maar juist informatievoorsprongen en -achterstanden een cruciaal onderdeel van de concurrentiestrijd vormen, en waarin handel niet hoeft plaats te vinden in een situatie van evenwicht.[5] Hiermee onderscheidde hun Oostenrijkse school zich van de neoklassieke economie.

Het andere antwoord was dat van de neoklassieken, die voortbouwden op Walras' evenwichtstheorie, maar hieruit de veilingmeester verwijderden en in plaats daarvan stelden dat de markteconomie als geheel deze rol zou kunnen vervullen. De standaardversie van de evenwichtstheorie is tegenwoordig de versie van Arrow en Debreu, die beiden de Prijs van de Zweedse Rijksbank voor economie ontvingen voor hun werk op dit terrein.

Naast de Oostenrijkers verwerpen ook de postkeynesianen en (neo-)marxisten volkomen concurrentie, omdat ze deze onrealistisch achten; in deze scholen wordt eerder onvolkomen (vooral monopolistische) concurrentie als het basismodel voor het twintigste- en eenentwintigste-eeuwse kapitalisme gebruikt.

Kritieken[bewerken]

Hoewel volkomen markten het standaardmodel van concurrentie zijn in de mainstream-economie, zijn ze onder heterodoxe economen sterk omstreden. Diverse kritieken zijn in de loop der jaren in stelling gebracht tegen de theorie van volkomen markten en volkomen mededinging, waaronder de volgende:

  • Volkomen mededinging is de afwezigheid van concurrentie. Deze stelling werd bijvoorbeeld geponeerd door onder anderen Friedrich Hayek en Frank Knight, die opmerkten dat in een volkomen markt, alle actoren volstrekt passief zijn. Ze zijn de controle over hun eigen prijzen kwijt, terwijl deze op echte markten een voornaam wapen van concurrentie is.
  • Het prijsmechanisme ontbreekt. Als alle kopers en verkopers prijsnemers zijn, dan komt de prijs uit 'de markt' voort; maar 'de markt' is niet meer dan de vergadering van kopers en verkopers. Walras' veilingmeester lost dit probleem ten dele op, maar op echte markten is geen alwetende, belangeloze veilingmeester aanwezig. De moderne algemene evenwichtstheorie heeft geen mechanisme dat de veilingmeester vervangt; men neemt slechts aan dat er zo'n mechanisme is en dat het dezelfde uitkomst oplevert als de veilingmeester.
  • Perfecte informatie is in tegenspraak met rationele verwachtingen. De theorie van volkomen markten wil dat alle aanbieders zo klein zijn dat hun handelen geen effect op de prijs zal hebben: ze denken dat hun aanbodcurve horizontaal is. Maar als alle aanbieders klein zijn én perfecte informatie en rationele verwachtingen bezitten, dan zullen ze inzien dat de andere aanbieders op dezelfde manier op een prijssignaal reageren als zijzelf. De geïnformeerde aanbieder weet dat als zij de productie opvoert, anderen dit voorbeeld volgen, en daarmee weet ze dat de aanbodcurve een dalend verloop heeft.[6]
  • Handel vindt alleen plaats in evenwicht. Deze theoretische aanname wordt in de praktijk geïnterpreteerd als de vereiste dat markten op de korte termijn in evenwicht komen, bijvoorbeeld binnen een paar maanden na elke schok, en dan in evenwicht blijven. Zulke lange-termijnevenwichten zijn echter moeilijk aan te wijzen.

Literatuur[bewerken]

Noten[bewerken]

  1. a b David W. Pearce (red.), MIT Dictionary of Modern Economics, MIT Press, 1992, “perfect competition”, pp. 327-328.
  2. Heertje (1962) geeft bijvoorbeeld enkel homogeniteit en transparantie als voorwaarden voor een volkomen markt; het optreden van veel kopers en aanbieders is een bijkomende voorwaarde voor volkomen concurrentie op een dergelijke markt.
  3. Dirk Piekenbrock, Tâtonnement. Gabler Wirtschaftslexikon. Springer. Geraadpleegd op 2017-04-11
  4. Screpanti en Zamagni (2005), pp. 170-173.
  5. Wolfgang Kasper (2008), Competition, Concise Encyclopedia of Economics, Liberty Fund.
  6. Shaikh (2016).