Perfecte markt

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Samenvoegen   Ten minste één Wikipediagebruiker vindt dat de onderstaande inhoud, of een gedeelte daarvan, samengevoegd zou moeten worden met Volkomen concurrentie, of dat er een duidelijkere afbakening tussen deze artikelen dient te worden gemaakt  (hier melden).
Samenvoegen van Ten minste één Wikipediagebruiker vindt dat de tekst van Competitieve markt in dit artikel ingevoegd zou moeten worden, of dat er een duidelijkere afbakening tussen deze artikelen dient te worden gemaakt. Als de tekst wordt ingevoegd, dient dat artikel een redirect te worden (hier melden).
Léon Walras (1813-1910).

Een perfecte markt of volkomen mededinging is een model van een markt met onbelemmerde marktwerking. Dit model is afkomstig uit de algemene evenwichtstheorie van Léon Walras en is van daaruit een van de standaardmodellen van de (neoklassieke) micro-economie geworden. De precieze definitie verschilt per auteur, maar kenmerken waaraan een perfecte markt moet voldoen omvatten doorgaans de volgende:[1]

  • veel kleine kopers en verkopers. Elk bedrijf is zo klein dat het niet in staat is de prijs te beïnvloeden door het aanbodvolume aan te passen. Ook zijn er zo veel bedrijven dat het verlaten van de markt door een bedrijf de prijs niet beïnvloedt;
  • volledig inwisselbare producten. Voor kopers van deze gestandaardiseerde producten moet alleen de prijs van belang zijn;
  • alle bedrijven moeten volledig op de hoogte zijn van de economische en technische informatie die van belang is voor hun besluitvorming;
  • kopers zijn rationele actoren die hun eigen nut maximaliseren;
  • afwezigheid van externaliteiten, toetredingsbarrières en transactiekosten.

De perfecte markt is een wiskundige idealisering, die in de praktijk niet kan bestaan: echte bedrijven hebben de mogelijkheid om aanbod en prijzen te bepalen door diverse bedrijfsstrategieën, zoals productdifferentiatie. Dit heet in de theorie van perfecte markten de 'marktmacht' van de bedrijven en afwijkingen van het model noemt men imperfecte markten of marktfalen. Benaderingen van een perfecte markt zijn onder meer de markt voor landbouwproducten en de bulkvaart.

Eigenschappen[bewerken]

Bij een perfecte markt is sprake van een perfecte prijselasticiteit. Het maken van winst is op korte termijn mogelijk, maar zal toetreders aantrekken totdat de prijzen gedaald zijn tot een niveau waarop de kosten net gedekt zijn. Het bestaan van winst op de lange termijn wordt dan ook niet verklaard door de theorie van volkomen concurrentie, maar simpelweg aangenomen: iedere investeerder heeft 'recht' op een normale winst op zijn kapitaal.

Een perfecte markt leidt tot een uitkomst die Pareto-efficiënt is; niemand kan erop vooruit gaan zonder dat iemand anders erop achteruit gaat.

Handel op een perfecte markt vindt enkel plaats wanneer de gehele economie in evenwicht is. Problematisch is dat in een perfecte markt, geen van de deelnemers enige invloed heeft op de prijs, die daardoor nooit kan veranderen; hierdoor wordt het evenwicht nooit bereikt. Walras loste dit op door zich voor te stellen dat de economie als geheel in rondes werkt, en dat voor elke ronde een veilingmeester het totaal aan vraag en aanbod inventariseert. De veilingmeester stelt dan de prijzen bij, net zo lang tot een algemeen evenwicht is bereikt. Pas zodra dit proces van 'aftasten' (tâtonnement) afgerond is, kan de uitruil plaatsvinden.[2]

Controverse[bewerken]

De theorie van volkomen concurrentie werd in de jaren 1870 opgesteld door Walras, een leidende figuur in de opkomende neoklassieke school. Vanaf de jaren 30 van de twintigste werd de theorie controversieel als gevolg van het debat omtrent het socialistisch calculatieprobleem: de vraag of een centraal geleide economie, dan wel een markteconomie het efficiëntst zou zijn. De linkse neoklassieke econoom Abba Lerner wees erop dat Walras zelf socialistische sympathieën had en stelde dat volkomen concurrentie het best begrepen kon worden als een model van marktsocialisme, met het centrale planbureau als Walras' alwetende veilingmeester, niet als model voor een kapitalistische economie.

Hierop kwamen twee antwoorden van pro-markteconomen. Friedrich Hayek en Ludwig von Mises lieten het idee van volkomen concurrentie los en formuleerden een alternatieve theorie, waarin niet volledige informatie maar juist informatievoorsprongen en -achterstanden een cruciaal onderdeel van de concurrentiestrijd vormen, en waarin handel niet hoeft plaats te vinden in een situatie van evenwicht.[3] Hiermee onderscheidde hun Oostenrijkse school zich van de neoklassieke economie.

Het andere antwoord was dat van de neoklassieken, die voortbouwden op Walras' evenwichtstheorie, maar hieruit de veilingmeester verwijderden en in plaats daarvan stelden dat de markteconomie als geheel deze rol zou kunnen vervullen. De standaardversie van de evenwichtstheorie is tegenwoordig de versie van Arrow en Debreu, die beiden de Prijs van de Zweedse Rijksbank voor economie ontvingen voor hun werk op dit terrein.

Naast de Oostenrijkers verwerpen ook de postkeynesianen en (neo-)marxisten volkomen concurrentie, omdat ze deze onrealistisch achten; in deze scholen wordt eerder onvolkomen (vooral monopolistische) concurrentie als het basismodel voor het twintigste- en eenentwintigste-eeuwse kapitalisme gebruikt.

Reclame[bewerken]

Omdat een perfecte markt uitgaat van het principe van volledige informatievoorziening van de consument is het vraagstuk van reclame en marketing controversieel. Aanhangers van de neo-liberale Chicago school of economics gaan ervan uit dat marketing een positief effect heeft. Omdat er in de echte wereld op bijvoorbeeld agrarische producten na geen homogene producten bestaan, kan marketing helpen om een zo goed mogelijke product markt te creëren waar concurrentie een zo perfect mogelijke markt neerzet. Economen van de Harvard-universiteit wijzen echter op de negatieve effecten van reclame, niet alleen geeft dit aan dat een situatie van volledige informatievoorziening niet mogelijk is. Ook moet een producent investeren in reclame, waardoor de welvaart die geproduceerd wordt afneemt.

Literatuur[bewerken]

  • (en) Bruyn, S.T.H. (1991): A Future for the American Economy. The Social Market, Stanford University Press.
  • (nl) Arnold Heertje (1962/2008): De kern van de economie, Stenfert Kroese/DBNL.
  • (en) Schumpeter, J.A. (1954): History of Economic Analysis, Oxford University Press,
  • (en) Screpanti, E.; Zamagni, S. (2005): An Outline of the History of Economic Thought, Oxford University Press,
  • (en) Anwar Shaikh (2016): Capitalism: Competition, Conflict, Crises, Oxford University Press.

Noten[bewerken]

  1. Heertje (1962) geeft bijvoorbeeld enkel homogeniteit en transparantie als voorwaarden voor een volkomen markt; het optreden van veel kopers en aanbieders is een bijkomende voorwaarde voor volkomen concurrentie op een dergelijke markt.
  2. Dirk Piekenbrock. Tâtonnement. Gabler Wirtschaftslexikon. Springer Geraadpleegd op 2017-04-11
  3. Wolfgang Kasper (2008), Competition, Concise Encyclopedia of Economics, Liberty Fund.