Endemie (geneeskunde)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Bij infectieziekten noemt men een ziekte endemisch wanneer een ziekte blijft voorkomen in een bepaald gebied zonder dat de patiënten de ziekte elders hebben opgelopen. Bij endemische ziekten is het aantal besmettingen relatief constant: het aantal nieuwe besmettingen wordt gecompenseerd door het aantal personen bij wie de ziekte verdwijnt (hetzij door het sterven van de persoon of door genezing).

Wanneer het aantal besmetten exponentieel toeneemt (en vervolgens heel snel afneemt wegens een gebrek aan mogelijk te besmetten individuen), noemt met de ziekte niet endemisch maar epidemisch. Een epidemische ziekte sterft in een bepaald gebied ofwel uit ofwel wordt na verloop van tijd endemisch.

Voorbeeld[bewerken]

In bepaalde streken in India heerst bijvoorbeeld cholera en deze ziekte is er endemisch. Een ander voorbeeld zijn kinderziekten als waterpokken die in Europa endemisch zijn, maar malaria niet. Hoewel er frequent malariapatiënten naar Europa komen, kan de ziekte zich niet verspreiden vanwege de afwezigheid van de ziektevector: de mug Anopheles. Europa kende eveneens de pest van de 14e tot de 17e eeuw als een endemische ziekte. Lepra was tot de middeleeuwen endemisch in West-Europa maar komt tegenwoordig nog sporadisch voor in Nederland en dan nog uitsluitend als een importziekte.

Modellering[bewerken]

Opdat een infectie endemisch zou worden, moet elke geïnfecteerde ze gemiddeld aan een ander persoon doorgeven. Bij een volledig vatbare populatie komt dat overeen met een basis-reproductiegetal (R0) van 1. In een bevolking met immuniteit, geldt dat R0 vermenigvuldigd met het aantal vatbare personen, 1 is. S is het gedeelte van vatbare individuen in een populatie.

Wiskundige voorwaarde voor een endemische steady state:

 
\ {R_0} \times {S} = {1}