Afweer

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

De afweer bij de mens (immuniteit) tegenover ziekteverwekkers (pathogenen) kan kunstmatig ingedeeld worden in aangeboren ("innate") immuniteit en verworven ("adaptive") immuniteit. Het is de taak van het immuunsysteem om ziekteverwekkers te detecteren en vervolgens te elimineren.

Voorbeelden:

Er zijn verschillende manieren om ziekteverwekkers af te weren. Dit zijn de belangrijkste:

  1. Een mechanische: de intacte huid en slijmvliezen vormen voor verreweg de meeste soorten een niet te nemen barrière.
  2. Een chemische: Dit is bijvoorbeeld het zuur in de maag of de zuurgraad van de schede, maar ook de natuurlijk aanwezige bacteriën op de huid en in de darmen.
  3. Een cellulaire: sommige witte bloedcellen kunnen bacteriën insluiten en zo onschadelijk maken.
  4. Een humorale: in bloed en lichaamsvloeistof kunnen zich antistoffen bevinden, die bacteriën, virussen en soortvreemde eiwitten onschadelijk maken.

De witte bloedcellen, waarvan we er circa 5000 per mm3 hebben, doden de ziekteverwekkers die in het bloed terechtkomen. Ze kunnen namelijk van vorm veranderen (type: macrofaag) en door omvloeiing (fagocytose) de ziekteverwekker opnemen. Dode witte bloedcellen vormen samen met de opgenomen schadelijke stoffen etter en kunnen zo deze schadelijke stoffen het lichaam uit werken.

Barrières[bewerken]

De afweer wordt over het algemeen ingedeeld in drie barrières. Hieronder worden deze barrières kort uitgelegd.

Huid[bewerken]

De huid is (op een paar plekken als mond en ogen na) een gesloten orgaan. Ziekteverwekkers kunnen er moeilijk doorheen. Door talgklieren in de huid wordt talg afgescheiden (vet), hierdoor wordt de huid waterafstotend en bestendig tegen micro-organismen. De bacteriën in de huid maken het pathogene bacteriën moeilijk zich te handhaven. Deze bacteriën worden onderscheiden in residente (blijvende) en transiënte (voorbijgaande) populaties. Ook na zorgvuldig wassen van de handen blijft de residente populatie aanwezig. Dit is externe niet-specifieke afweer. Ook slijmvliezen en zure gebieden vallen onder de eerst afweer. Slijmvliezen scheiden antistoffen uit die potentiële ziekteverwekkers uitschakelen. In zure gebieden kunnen de meeste micro-organismen niet overleven. Ook trilharen in de luchtwegen en micro-organismen in de darmen vallen onder de eerste barrière.

Witte bloedcellen[bewerken]

Als indringers de eerste barrière passeren (bijvoorbeeld door innemen van voedsel) stuiten ze op de tweede barrière. Deze bestaat uit acties en handelingen van witte bloedcellen, namelijk macrofagen, granulocyten en naturalkillercellen. Het zijn fagocyten die ofwel de ziekteverwekkers zelf ofwel aangetaste lichaamscellen opruimen door ze te fagocyteren. Dit is interne niet-specifieke afweer.

De aspecifieke afweer bestaat uit stoffen en cellen die zich niet specifiek richten tegen een ziekteverwekker. Fagocyten zijn cellen die andere cellen vernietigen ('opeten', fagocytose) en eventueel het antigeen op hun membraan plaatsen zodat het in de lymfeknopen kan worden gepresenteerd aan andere witte bloedcellen waardoor de specifieke afweer wordt geactiveerd.

Specifieke afweer[bewerken]

Verschillende B-cellen met antigeen-receptoren en antigeen moleculen.

De specifieke afweer is de afweer die (door de aspecifieke afweer) wordt geactiveerd ter bestrijding van een specifieke ziekteverwekker. Hij bestaat uit B- en T-cellen.

De specifieke afweer verloopt als volgt: Fagocyten, van de algemene afweer, ‘’eten’’ de ziekteverwekkers op door ze in te sluiten. De fagocyt is nu een antigeen presenterende cel geworden (APC). De APC gaat dan naar de lymfeklieren, om zijn antigeen te presenteren aan t-helpercellen. Als er een t-helpercel met de APC kan binden, kan er een verdere reactie ontstaan, namelijk activatie van de B-cellen en T-cellen. De T- en B-cellen, oftewel T- en B-lymfocyten, beginnen zich te vermenigvuldigen. De B-cellen worden dan getransformeerde plasmacellen. Iedere plasmacel kan antilichamen vormen. Hij is in staat tot een massaproductie van wel 2000 antilichamen per seconde. De T-cellen gaan na de vermenigvuldiging cytokinen produceren. Cytokinen zijn erg belangrijk, want zij stimuleren de B-cellen. Als er geen cytokinen zijn, worden deze niet geactiveerd. Daarnaast activeren de cytokinen de fagocyten. Bovendien activeren de cytokinen ook een bepaalde groep, die ook tot de T-cellen behoort, die de gehele immuunreactie in balans houden. T-lymfocyten worden alleen gebruikt bij bestrijding van virussen, ze binden zich aan het eiwit van een geïnfecteerde cel door middel van de receptor van de lymfocyt, zodat die dood gaat. B-cellen maken antistoffen die koppelen aan de ziekteverwekker. Bij virussen zorgen de antistoffen ervoor dat ze geen cellen meer binnen kunnen gaan, omdat de virussen worden geneutraliseerd. Bij bacteriën zorgen ze er samen met complementfactoren voor dat ofwel de cel direct kapotgaat ofwel hij makkelijk vernietigd kan worden door fagocyten. Bij toxinen (giftige stoffen die ook worden gemaakt door bacteriën) zorgen ze ervoor dat die geneutraliseerd worden.