Immuniteit (biologie)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Afweer)
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Vaccinatie draagt bij aan groepsimmuniteit, en daarmee aan het indammen van de verspreiding van een ziekteverwekker

Immuniteit is het vermogen van levende wezens om zich te verweren tegen een ziekteverwekkend micro-organisme. Een immuun individu is onvatbaar voor een bepaalde ziekte, veelal een infectieziekte. Bij gewervelde dieren ontstaat natuurlijke immuniteit meestal nadat het dier een ziekte heeft doorgemaakt en hiervan hersteld is. In een immuun individu zijn antilichamen of geheugencellen in de circulatie aanwezig, die herhaling van dezelfde infectie kunnen voorkomen. Immuniteit is het gewenste effect van vaccinatie.

In de klinische immunologie wordt er vaak onderscheid gemaakt tussen passieve en actieve immuniteit. Passieve immuniteit biedt tijdelijke bescherming en wordt meestal bereikt door het inspuiten van voorgevormde antilichamen. Omdat de antilichamen na verloop van tijd worden afgebroken, neemt de bescherming langzaam maar zeker af. Bij actieve immuniteit vormt het individu zelf een immuunrespons tegen de ziekteverwekker, door ofwel besmetting of door inenting. Hierdoor is het geïmmuniseerde individu langere tijd beschermd.

Begripsgeschiedenis[bewerken | brontekst bewerken]

Louis Pasteur in zijn laboratorium, portret van Albert Edelfelt, 1885

Sinds mensenheugenis heeft de mens zich bezigghouden met de oorzaken van en bescherming tegen ziekten. In de Griekse oudheid, ten tijde van Hippocrates, die beschouwd wordt als de vader van de geneeskunde, werden ziekten toegeschreven aan een verandering of onevenwicht in een van de vier lichaamssappen (humores).[1] De eerste schriftelijke vermelding van het concept van immuniteit, komt mogelijk van de Atheense geschiedschrijver Thucydides, die in 430 v.Chr. het volgende over een pestepidemie schreef: "Zij die hersteld waren, kenden het verloop van de ziekte en waren vrij van angst. Niemand werd ooit een tweede keer aangevallen, in ieder geval niet met een dodelijke afloop".[2]

De eerste klinische beschrijving van immuniteit stamt uit de 9e eeuw, en wordr toegeschreven aan de islamitische geleerde Al-Razi. In zijn verhandelingen omschrijft hij de symptomatische uiting van ziekten als pokken en mazelen. Hij verklaarde daarbij dat blootstelling aan deze ziekteverwekkers aanleiding geeft tot een blijvende immuniteit (hoewel hij deze term zelf niet gebruikte).[2]

Het concept van immunisatie werd al lang voor de ontdekking van ziektekiemen gebruikt en toegepast. In 1798 kwam Edward Jenner op het idee om mensen opzettelijk te infecteren met koepokken, een mildere variant van de menselijke pokkenziekte. De besmette persoon ontwikkelde nauwelijks symptomen, en was beschermd (geïmmuniseerd) tegen de pokken. Tegen 1800 werd de procedure vaccinatie genoemd. In 1891 ontwikkelde Louis Pasteur op basis van de nieuwe inzichten een vaccin tegen hondsdolheid.[1]

Barrières[bewerken | brontekst bewerken]

De afweer wordt over het algemeen ingedeeld in drie barrières.

Huid[bewerken | brontekst bewerken]

De huid is op een paar plekken als mond en ogen na een gesloten orgaan. Ziekteverwekkers kunnen er moeilijk doorheen. Talgklieren in de huid scheiden talg, een soort vet, af waardoor de huid waterafstotend wordt en bestendig tegen micro-organismen. De van nature aanwezige bacteriekolonies op de huid maken het pathogene bacteriën moeilijk zich te handhaven. Deze natuurlijk aanwezige bacteriën worden onderscheiden in residente, blijvende en transiënte, voorbijgaande populaties. De residente populatie blijft ook na zorgvuldig wassen van de handen aanwezig en vormt de externe, niet-specifieke afweer. Slijmvliezen en zure gebieden vallen ook onder de eerste afweer. Slijmvliezen scheiden antistoffen uit die potentiële ziekteverwekkers uitschakelen. De meeste micro-organismen kunnen in zure gebieden niet overleven. Trilharen in de luchtwegen en micro-organismen in de darmen vallen onder de eerste barrière.

Aspecifieke directe afweer[bewerken | brontekst bewerken]

Als indringers erin slagen de eerste barrière te passeren, bijvoorbeeld via ingenomen voedsel of via ingeademde lucht, stuiten ze op de tweede barrière. Deze bestaat uit verschillend soorten witte bloedcellen, namelijk macrofagen, granulocyten en naturalkillercellen. Deze drie soorten cellen zijn fagocyten, die de ziekteverwekkers zelf, of de door hen aangetaste lichaamscellen, opruimen door ze te fagocyteren.

De aspecifieke afweer bestaat uit stoffen en cellen die zich niet specifiek tegen een soort ziekteverwekker richten. Fagocyten zijn cellen die andere cellen vernietigen, opeten en fagocyteren, en eventueel het antigeen op hun membraan plaatsen, zodat het in de lymfeklieren aan andere witte bloedcellen kan worden doorgegeven, waardoor de specifieke afweer wordt geactiveerd.

Specifieke indirecte afweer[bewerken | brontekst bewerken]

Verschillende B-cellen met antigeen-receptoren en antigeen moleculen

De specifieke afweer is de afweer die wordt geactiveerd om een specifieke ziekteverwekker te bestrijden en bestaat uit B- en T-cellen.

De specifieke afweer verloopt als volgt: Fagocyten, van de algemene afweer, eten de ziekteverwekkers op door ze in te sluiten. De fagocyt is nu een antigeen gevende cel APC geworden. De APC gaat dan naar de lymfeklieren, om zijn antigeen aan t-helpercellen te geven. Als er een t-helpercel zich aan de APC kan binden, kan er een verdere reactie ontstaan, namelijk de activering van de B-cellen en de T-cellen. De T- en B-cellen, oftewel T- en B-lymfocyten, beginnen zich te vermenigvuldigen. De B-cellen worden dan getransformeerde plasmacellen. Iedere plasmacel kan antilichamen vormen en is in staat tot een massaproductie van 2000 antilichamen per seconde. De T-cellen gaan na de vermenigvuldiging cytokinen produceren. Cytokinen zijn erg belangrijk, want zij stimuleren de B-cellen. Daarnaast activeren de cytokinen de fagocyten en een bepaalde groep die ook tot de T-cellen behoort, die de gehele immuunreactie in balans houdt. Actieve immunisatie is het opwekken van immuniteit na blootstelling aan een antigeen.

T-lymfocyten worden alleen gebruikt bij de bestrijding van virussen, ze binden zich aan het eiwit van een geïnfecteerde cel door middel van de receptor van de lymfocyt, zodat die dood gaat. B-cellen maken antistoffen die zich aan de ziekteverwekker hechten.

Bij virussen zorgen de immunoglobulinen, de antistoffen, ervoor dat die worden geneutraliseerd, zodat de virussen geen cellen meer binnen kunnen gaan.

Bij bacteriën zorgen ze er samen met complementfactoren voor, dat de cel direct kapotgaat of gemakkelijk door fagocyten kan worden vernietigd.

Bij toxinen, giftige stoffen die ook worden gemaakt door bacteriën, zorgen de antistoffen ervoor dat die worden geneutraliseerd.

Passieve immuniteit[bewerken | brontekst bewerken]

Passieve immuniteit is een tijdelijke vorm van bescherming tegen ziekteverwekkers, die ontstaat door het inenten van antistoffen, dit heet kunstmatige passieve immunisatie, of door de moedermelk of uitwisseling via de navelstreng, natuurlijke passieve immunisatie. Iemand wordt hierbij tegen de gevolgen van een infectie beschermd.

Zie de categorie Immunology van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.
  1. a b (en) Silverstein AM., A History of Immunology. Academic Press (2009), pp. 1-15. ISBN 978-0-12-370586-0.
  2. a b (en) Gherardi E, The Concept of Immunity History and Applications.. Immunology Course Medical School. University of Pavia. Gearchiveerd op 2 januari 2007.