Franz Koenigs

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Franz Koenigs geschilderd door zijn schoonvader Leopold von Kalckreuth (1855–1928)

Franz Wilhelm Koenigs (Kierberg (nabij Brühl), 3 september 1881Keulen, 6 mei 1941) was een Duitse zakenman en kunstverzamelaar die zich met zijn gezin in Nederland vestigde. In 1939 werd hem het Nederlandse staatsburgerschap verleend.

Handelmaatschappij in Nederland[bewerken]

Franz Koenigs werd in Duitsland geboren in welvarende familie van Rijnlandse textielfabrikanten en bankiers. Na de Vrede van Versailles van 1919 hadden Duitse bedrijven te maken met allerlei beperkingen voor de handel met Frankrijk en Groot-Brittannië die niet golden voor handel met en via het tijdens de Eerste Wereldoorlog neutrale Nederland.

In 1920 richtte Koenigs samen met zijn Belgische neef Rhodius in Amsterdam de N.V. Rhodius Koenigs Handelmaatschappij op waarmee die handelsbeperkingen ontlopen konden worden. Het bedrijf fungeerde vooral als een bankbedrijf dat kredieten verstrekte aan de Duitse industrie. Koenigs werd directeur van dit succesvolle bedrijf en in 1922 vestigde hij zich met zijn gezin in Nederland. In 1923 verhuisden ze naar Haarlem waar Franz Koenigs een omvangrijke kunstcollectie ging verzamelen die vooral bestond uit tekeningen van oude meesters: de Koenigs-collectie.

Collectie in onderpand[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Koenigscollectie voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Na de Beurskrach van 1929 en de daaropvolgende Grote Depressie in het begin van de jaren 30 kwam Koenigs in grote financiële problemen. Onder druk van een dreigend faillissement besloot hij om geld te lenen bij de door Siegfried Kramarsky geleide bank Lisser & Rosenkranz. Hiervoor werd de kunstcollectie in onderpand gegeven waarbij Koenigs wist te bedingen dat de collectie in bruikleen aan het Museum Boymans (huidige Museum Boijmans Van Beuningen) werd gegeven.

De lening van 1,3 miljoen gulden ging in op 5 juni 1935 en gold voor een periode van 5 jaar. Op 9 februari 1939 verkreeg Koenigs en zijn familie de Nederlandse nationaliteit. Pogingen van de uit Duitsland afkomstige joodse Kramarsky om tot Nederlander te worden genaturaliseerd, faalden. Gezien de dreiging van nazi-Duitsland na de Anschluss van Oostenrijk in 1938 en de invasie van Polen op 1 september 1939 vluchtte Kramarsky met zijn familie op 11 november 1939 naar Lissabon om daarvandaan door te reizen naar de Verenigde Staten waar ze in januari 1940 aankwamen.

Verkoop collectie[bewerken]

Dr. Hans Posse

Op 2 april 1940 besloten de aandeelhouders van Lisser & Rosenkranz over te gaan tot de liquidatie van de bank waarna de collectie te koop werd aangeboden hoewel de 5 jaar van de lening nog niet verstreken waren. Directeur Dirk Hannema van het Museum Boymans vroeg Willem van der Vorm en Daniël George van Beuningen om de collectie aan te kopen en aan het museum te schenken. Van Beuningen kocht de gehele collectie maar in januari 1941 verkocht hij een lot van 527 meest waardevolle tekeningen aan Hans Posse die het aankocht voor het Führermuseum in Linz.[1] Bijna alle andere stukken uit de Koenigs-collectie werden uiteindelijk aan het Museum Boymans geschonken.

Oorlog en overlijden Franz Koenigs[bewerken]

Spoedig na de Duitse inval in Nederland werd Koenigs opgepakt en enkele dagen vastgehouden voor verhoor. Onder druk van Helmut Wohltat, Beauftragter voor De Nederlandsche Bank, trok Koenigs zich terug uit de directie van de Rhodius Koenigs Handelmaatschappij waar hij wel een lid van de raad van commissarissen mocht blijven. Ondanks zijn afkeer van het nationaalsocialisme bleef hij toch handel drijven met Duitsers. Op 6 mei 1941 overleed hij toen hij op het station in Keulen tussen de trein en het perron terechtkwam. Geruchten dat dit moord of zelfmoord was, zijn nooit bewezen.

Na de oorlog[bewerken]

Aan het einde van de Tweede Wereldoorlog namen de Russen de door Posse aangekochte stukken als oorlogsbuit in beslag. In 1943 spraken de geallieerden in de zogeheten Joint Declaration echter af dat alle transacties met de Duitsers tijdens de oorlog ongeldig zouden worden verklaard. Vrijwillig aan Duitsers verkochte Nederlandse kunstwerken zouden toevallen aan de Nederlandse staat. Lange tijd ontkenden de Russische autoriteiten iets te weten van deze kunstwerken.

Erich Honecker van de DDR gaf in 1987 tijdens een staatsbezoek aan Nederland 33 tekeningen terug. In 1992 gaf het Moskouse Poesjkinmuseum toe dat zij 307 tekeningen uit de Koenigs-collectie hadden die daar ondanks Nederlandse druk nog steeds zijn. Meer succes had premier Balkenende die in het voorjaar van 2004 de Oekraïense president Koetsjma wist te bewegen om die zomer 139 tekeningen en drie prenten terug te laten keren naar Nederland.

Claims Keunigscollectie[bewerken]

Enkele jaren na de oorlog hebben een of meer erfgenamen van Keunigs een onderzoek in laten stellen of zij Van Beuningen aan konden spreken op de doorverkoop van een deel van de collectie aan Hans Posse. Het was alom bekend dat het de wens van Franz Koenigs was geweest de collectie in het Boijmans Museum bij elkaar te houden. Uit het onderzoek bleek dat de verkoopovereenkomst slechts rechtsbetrekkingen schiep tussen Van Beuningen en de Amsterdamse bank N.V. Lisser & Rosenkranz waarbij geen sprake was van een derden beding op grond waarvan de erven nakoming in rechte konden afdwingen. Van Beuningen kon dus vrij beschikken over de aankoop en was gerechtigd te verkopen. Na dit negatief juridisch advies heeft de familie van verdere aanspraak afgezien.[2]

Claim door kleindochter[bewerken]

Vanaf 1997 claimt een van de kleindochters van Franz Koenigs, C.F. (Christine) Koenigs (1952) dochter van zoon F.F.R. Koenigs (1918-2000) en A.C. Hers, de gehele collectie. Zij diende claims in bij de Stichting Boijmans Museum, de Staat der Nederlanden, de Gemeente Rotterdam en bij verschillende buitenlandse musea.[3] Haar claim uit 1997 op de hele collectie werd door de Nederlandse Staat in september 1997 afgewezen. Zij had deze claim naar eigen zeggen namens de 'Erven Koenigs' ingediend. Het merendeel van de erfgenamen distantieerde zich echter van de vordering en ontzegden haar het recht namens de Erven of familie Koenigs te handelen.[4] Christine Koenigs was zelf geen erfgenaam.

Een claim uit 2002 op 34 schilderijen en 37 tekeningen door kleindochter C.F. (Christine) Koenigs mede namens haar moeder A.C. Koenigs-Hers, werd op 10 december 2003 door de staatssecretaris van OCW op advies van de Restitutiecommissie (rapport 1.6) afgewezen.[5] Ook een hernieuwde claim door enkele familieleden werd in 2013 door de staatssecretaris afgewezen.[6]

Een claim ingediend door de kleindochter bij The Courtauld Institute of Art in Londen, betreffende drie Rubensschilderijen werd door het Britse Spoliation Advisory Panel op 28 november 2007 eveneens afgewezen.[7]

In 2016 startten zes nazaten, vijf kleinkinderen en een achterkleinkind van Koenigs, in Rotterdam een rechtszaak waarin zij honderden tekeningen terugeisen van Museum Booijmans van Beuningen. Behalve het museum is de gemeente Rotterdam gedaagd.[8] Kern van het geding is de vraag Maakte deze bruikleen deel uit van een eerdere [1935], veel grotere bruikleen die deels aan het museum is geschonken? Kleindochter Christine Keunigs claimt dat de werken in 1935 in bruikleen zijn gegeven aan het Museum Boijmans.[9] Museum Boijmans van Beuningen claimt dat de werken in april 1940 door de Amsterdamse bank Lisser & Rosenkranz zijn verkocht aan Daniël George van Beuningen,[10] die de werken op zijn beurt schonk aan het museum, waardoor het museum de rechtmatige eigenaar is.[11]