Naar inhoud springen

Frits Coers

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Frits Coers
Portret van Frits Coers door Willem van den Heuvel uit 1905
Portret van Frits Coers door Willem van den Heuvel uit 1905
Algemene informatie
Volledige naam Frederik Rudolph Coers
Bijnaam Frits de Mensch
Geboren 10 april 1868
Sindanglaut
Overleden 24 juli 1937
Utrecht
Beroep verzamelaar volksmuziek
Bekend van Liederen van Groot Nederland

Frederik Rudolph (Frits) Coers (Frzn) (Sindanglaut (Lemahabang), 10 april 1868Utrecht, 24 juli 1937) was een Nederlands verzamelaar van Nederlandstalige volksmuziek.

Coers werd als derde kind geboren binnen het gezin van zes kinderen van Frederik Rudolph Coers en Geertruida Johanna Wegman in Nederlands-Indië, specifiek het plaatsje Sindanglaut.[1][2][3] Hij doorliep in de toenmalige kolonie de lagere en middelbare school, waarna hij in 1887 naar Nederland verhuisde om geneeskunde te studeren aan de Rijksuniversiteit te Utrecht. Hij legde nog een semi-artsenexamen af, maar zou zijn studie halverwege neerleggen.[4][5] Coers zou altijd ingeschreven blijven als student, maar nooit afstuderen; hij stond daarom bekend als "eeuwige student".[6]

Coers begon daarop met het bestuderen en verzamelen van Nederlandstalige volksmuziek, een taak die hij tot vijf jaar voor zijn dood zou blijven volgen.[4] Hij verzorgde daardoor diverse spreekbeurten en bracht uitgaven uit van Liederen van Groot Nederland, met als doel dat men zoals vanouds het volkslied als nationaal bezit zou gaan waarderen.[7] Zodoende werkte hij aan de versterking van het Nederlandse als Groot-Nederlandse bewustzijn.[4] In totaal zou hij er circa 6000 bijeenbrengen.[8] De Vereeniging Het Nederlandsche Lied, die Coers in 1904 oprichtte en het Predicaat Koninklijk ontving, was eveneens bedoeld als financiële basis voor de bekostiging van zijn persoonlijke, artistieke activiteiten.[9] Hij was behoorlijk populair bij het Utrechtsch Studenten Corps, waar hij lid van was tot zijn zestigste levensjaar, en ook de hoogleraren in zijn poging het nationaliteitsgevoel te verhogen.[6] Bij het Corps was wakkerde hij via 'zangborrels' en 'bierjolen' Nederlandse volksliederen aan en een van zijn motto's hier was "Door het bier tot het lied!".[4] In het studentencorps werd een subafdeling en koor opgericht met de naam "Coers’ lied".[10][11][8][6] Coers organiseerde ook tal van concertavonden in het Koninklijk Concertgebouw ter promotie van de liederen.[8]

Naast Nederland onderhield hij als overtuigd Groot-Nederlander ook goede banden met Vlaamse nationalisten.[12][13] Hij was voor een tijd lid van de in Nederland opgerichte Dietsche Bond en gedurende zijn tijd in Utrecht richtte hij een lokale afdeling van het Willemsfonds op. Verder onderhield hij contacten met de Gentse studentenvereniging ’t Zal Wel Gaan en nam tevens deel aan Vlaamse en Groot-Nederlandse studentencongressen. Tijdens en direct na de Eerste Wereldoorlog werkte Coers aan het activistische en Groot-Nederlandse maandblad Dietsche Stemmen. Daarnaast kocht hij het grootste gedeelte op van de bibliotheek der Vlaamse componist, schrijver en etnomusicoloog Florimond van Duyse; iets dat mogelijk was dankzij de financiën die hij kreeg van het Utrechtsch Studenten Corps, waar hij lid van was tot zijn zestigste levensjaar.[6] Daarnaast naam hij deel aan de taalbeweging in Zuid-Afrika.[12]

Op 24 juli 1937 berichtte de Utrechtsche Courant dat Coers ernstig ziek was en werd verzorgd in het Utrechtse St. Joannes de Deo Ziekenhuis. [14] Een dag later werd in meerdere kranten het bericht naar buiten gebracht dat hij, na een langdurige ziekte, op zeventigjarige leeftijd was overleden.[5][8][12] Twee dagen later werd hij in de ochtend van 28 juli begraven op de begraafplaats Sint Barbara. De dienst was sober van aard en veel belangstellenden van zowel de studentencorpsen als (Vlaams) nationalistische groepen als het Algemeen-Nederlands Verbond en de Nederlands Zuid-Afrikaanse Vereniging waren aanwezig om hem een laatste eer te bewijzen.[15] Op 4 augustus werd bericht dat het Utrechtsch Studenten Corps plannen aan het maken was voor een passend grafmonument voor het graf van Coers.[16][4]

Willem van den Heuvel had hem geportretteerd en kunstenaar Maarten Pauw had hem vastgelegd in een plaquette ('platbeeld', zoals Coers een plaquette altijd noemde).[17] In 1954 werd deze plaquette op 11 mei in de studentensociëteit Placet hic Requiescere Musis aangeboden door een comité van oud-Corpsleden en onthuld.[18] Op 24 april 1976 schonk het Utrechtsch Studenten Corps een plaquette van Frits Coers aan het Academiegebouw op het Domplein. Deze plaquette is in de muur van de Academie gemetseld.[19] In de stad Utrecht is er een straat op het studentencomplex Tuindorp-West Complex naar hem vernoemd: de Frits Coerslaan.

Persoonlijk leven

[bewerken | brontekst bewerken]

Naast zijn liefde en passie voor de Nederlandse volksmuziek en goede banden met de Vlaamse beweging, publiceerde Coers tevens eigen gedichten onder het pseudoniem Frits de Mensch in studentenbladen. Hij was een man die bekend stond om zijn 'robuuste verschijning' en had zowel last van overgevoeligheid (tegenwoordig bekend als hypersensitiviteit) als heftige driftbuien, met flinke scheldpartijen waarin niets of niemand werd ontzien tot gevolg.[8][20] Hij werd in de periode waarin Abraham Kuyper Minister van Binnenlandse Zaken was (1901 - 1905) benoemd tot ridder in de Orde van Oranje-Nassau vanwege zijn verdiensten voor het Nederlandse lied.[18][21] Tussen 1933 en 1937 huurde de Vereeniging Het Nederlandsche Lied de villa Raadwijk aan de Utrechtse Vondellaan voor de grote muziekbibliotheek hier te stallen, maar Coers verhuurde in dit buitenhuis ook kamers aan studenten.[22] Tevens woonde hij er zelf nog in zijn laatste levensjaren, waar hij begon te kampen met ouderdomsklachten en een aftakelende geest. Ook zijn bibliofilie nam 'onrustbare neigingen' aan.[21][23] Tot slot was Coers een overtuigd Groot-Nederlander, liefhebber van het Huis van Oranje en nationalist: de actie die hij voerde voor zijn ideaal (het verzamelen van volksmuziek) kreeg om die reden een zuiver nationalistisch karakter.[12][21]