Gruuthuse-handschrift

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Fol. 28r van het Gruuthuuse-handschrift, met rechtsonder het lied 'Egidius waer bestu bleven'

Het Gruuthuse-handschrift is een middeleeuws verzamelhandschrift, in Brugge samengesteld, waarvan de oudste kern dateert van omstreeks 1395, terwijl de jongste bijdragen stammen uit omstreeks 1408. Het maakte waarschijnlijk deel uit van de Bibliotheek van Lodewijk van Gruuthuse.

Het handschrift geldt als de enige bron voor een groot aantal Middelnederlandse teksten. Sinds 2007 wordt het bewaard in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag onder signatuur KW 79 K 10.

Tot de liederen in het manuscript behoren het beroemde 'Egidiuslied' en het Kerelslied.

Lodewijk van Gruuthuse

Naamgever[bewerken]

Het handschrift, dat na zijn ontdekking omstreeks 1840 lange tijd bekendstond als het handschrift der Oudvlaemsche liederen en gedichten, werd in de loop van de twintigste eeuw vernoemd naar zijn eerst mogelijke eigenaar Lodewijk van Gruuthuse (ca. 1422-1492), wiens wapen in de late vijftiende eeuw in de benedenmarge van de eerste beschreven bladzijde werd toegevoegd. De Brugse patriciër en diplomaat Lodewijk van Gruuthuse was een groot verzamelaar van manuscripten, al ging het hem daarbij vrijwel uitsluitend om eigentijdse verluchte, handschriften en boeken. Het oudere Gruuthuse-handschrift, dat in het Middelnederlands was en op een paar initialen na, geen verluchting bevatte, moet in zijn collectie uitzonderlijk zijn geweest.

Geschiedenis[bewerken]

Het handschrift, dat na zijn ontdekking omstreeks 1840 lange tijd bekendstond als het handschrift der Oudvlaemsche liederen en gedichten, werd in de loop van de twintigste eeuw vernoemd naar zijn eerst bekende eigenaar Lodewijk van Gruuthuse (ca. 1422-1492), wiens wapen geschilderd is in de benedenmarge van de eerste beschreven bladzijde. Men heeft erover gediscussieerd of de wapenschilden inderdaad van Lodewijk van Gruuthuse waren, maar de ontdekking van identiek uitgevoerde wapenschilden in vier andere handschriften (onder meer BnF ms. fr. 1001) waarin de wapens op dezelfde manier werden aangebracht, heeft hierover zekerheid verschaft en liet toe de toevoeging van het wapenschild aan het Gruuthuse-handschrift te dateren omstreeks 1474.[1] Dit maakt het duidelijk dat er voor Lodewijk van Gruuthuse andere eigenaars zijn geweest. Wat er na het overlijden van Lodewijk met het handschrift is gebeurd blijft een raadsel.

Omstreeks 1840 wordt het ontdekt door J. A. De Jonghe bij baron De Croeser de Berges en men heeft alleen kunnen vaststellen dat een eigenaar uit de 18e of 19e eeuw, door toevoeging van aantekeningen doorheen het ganse handschrift gepoogd heeft te benadrukken dat de codex ooit in het bezit was geweest van Lodewijk van Gruuthuse en Margareta van Borsselen.

In het handschrift vindt men een lijst van de eigenaars van de laatste twee eeuwen in modern schrift. Het is van de hand van Jean van Caloen (1884-1972) die de (vermeende) afkomst van zijn familie van de Gruuthuses hiermee wou bevestigen.[2] Deze nota vermeldt dat het handschrift in de familie van de Caloens terechtkwam door het huwelijk in 1779 van barones Marie-Constance van Borsselen van der Hooghe (1752-1824) met de achttien jaar oudere Jean-Adrien van Caloen (1734-1813).[2] De Van der Hooghe's stamden af van een Middelburgse poorter Adriaan Jacobszoon die het kasteel Ter Hooghe had gekocht van Lodewijk van Gruuthuse en zich sedert 1485 'van der Hooghe' was gaan noemen, zich beroepend op een document van aartshertog Maximiliaan, waarvan nooit een spoor is teruggevonden. Jacob van der Hooghe (1622-1686) was de eerste die zich 'van Borssele van der Hooghe' ging noemen en het wapen van de familie van Borssele ging voeren. In het kader hiervan is het vrij twijfelachtig dat het handschrift via vererving langs Margareta van Borsselen, de echtgenote van Lodewijk van Gruuthuse, bij de familie Caloen terechtkwam.[2]

Hoe het handschrift van de familie Caloen bij de familie De Croeser zou terechtgekomen zijn is ook nog steeds onduidelijk. Alleen over de eigenaars na 1850 is er ongeveer zekerheid dat het de kasteelheren van Ten Berghe waren, Charles-Joseph en Charles-Marie de Croeser en vervolgens Paul van Caloen de Basseghem, Ernest I, Ernest II en François van Caloen.[2]

Op 14 februari 2007 werd bekend dat de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag (Nederland) het handschrift had aangekocht[3] na geheime onderhandelingen. Voorheen was het in privébezit te Koolkerke bij Brugge, op het kasteel Ten Berghe, waar het deel uitmaakte van de collectie van de familie van Caloen. Door de aankoop is het handschrift nu in openbaar bezit en zijn de teksten intussen ook digitaal ter beschikking. Het is nu één van de topstukken van de webstek De Verdieping van Nederland.

Inhoud[bewerken]

Het handschrift bevat gebeden (7), liederen (147) en gedichten (18). Driedeling in gebeden, liederen gedichten was van bij het begin de opzet [4] De originele opzet was te openen met de lange allegorie "De minneburcht" (III.1) gevolgd door twee gebeden, een tot Maria (I.5) en een meditatie over de passie (I.6), waarop het liedboek zou volgen. Maar de latere toevoegingen beslisten hier anders over. Het toevoegen van nieuwe teksten leidde ertoe dat men de codex ging onderverdelen in drie secties: gebeden, liederen en gedichten.[4] De indeling is niet altijd zeer strikt, gebeden worden soms als gedicht behandeld (een vertaling uit het Latijn van het "Obsecro te" III.12) en liederen lijken soms sterk op gebeden.[4]

De inhoudslijst kan men terugvinden op de website van de Koninklijke Bibliotheek. De nummers van teksten (III.1, I.4 etc.) verwijzen naar deze lijst.

Gebeden[bewerken]

Het handschrift bevat slechts zeven gebeden, maar ze zijn sterk verschillend van aard. Bij het ene is het literaire aspect vrij belangrijk, bij andere komt het retorische sterk op de voorgrond terwijl sommige verhalend zijn. Het handschrift bevat ook een uniek pelgrimsgebed, voor de pelgrimages naar Onze Lieve Vrouwe van Hulsterloo, dat volledig gepersonaliseerd werd en de namen bevat van degen waarvoor het werd opgesteld (I.4). Op dit laatste na zijn alle gebeden die in het handschrift voorkomen ook gekend van andere Brugse gebedenboeken.[5] In het gebed I.5 maakt de auteur Jan van Hulst zich bekend met een acrostichon.[5]

Liederen[bewerken]

Deze sectie met zijn 147 liederen maakt het grootste deel uit van de inhoud van de codex. Twee derde van de liederen zijn geschreven in de vorm van ballade of rondeel, de overige zijn qua vorm veel diverser en worden aangeduid met het begrip chanson.[6] De schrijvers van de liederen hebben erg geëxperimenteerd met de basisvormen en zelfs de basisvormen gekruist zodat het soms moeilijk vast te stellen is of het lied in kwestie een ballade of een rondeel is (II.108, II.116, II.117 en II.118).[6] De minneallegorieën III.1 en III.2 bevatten respectievelijk acht en twee liederen. In III.1 zijn ze voorzien van muzieknotatie, in III.2 niet.[7]

Geen enkel van de liederen in het handschrift is elders teruggevonden. Sommige liederen, de met een acrostichon benoemde liefdesliederen en het Egidiuslied, werden waarschijnlijk alleen gebruikt binnen de groep waar ze ontstonden, van andere kan men uit de gebruikssporen in het handschrift afleiden dat ze op een ruimere belangstelling konden rekenen.[7]

Gedichten[bewerken]

De codex bevat een aantal allegorische minnedichten (III.1, III.2, III.6, III.7 en III.13) in de trant van de Roman de la rose, die geïnspireerd lijken door het werk van Guillaume de Lorris, maar eigenlijk veel dichter aanleunen bij het laatveertiende-eeuwse werk van Guillaume de Machaut en Jean Froissart. Daarnaast zijn er zeer verschillende genres van dichtwerken zoals de berijmde bewerking van een preek (III.8), uniek in de Middelnederlandse literatuur, de beschrijving van een schilderij of wandtapijt (III.9), didactische gedichten, gebeden (III.10, III.12) en een nieuwjaarsgedicht.[8] De gedichten III.17 en III.18 zijn latere toevoegingen.

Thematiek[bewerken]

Het bijzonderste thema van het handschrift is ongetwijfeld de liefde, zij het in alle mogelijke vormen: als hoofse liefde, als lust, naastenliefde, liefde tot de eigen stad en vrienden en zeer prominent de liefde tot Maria en tot God. De teksten onderscheiden zich van de feodale troubadours-minnelyriek door de gelijkwaardigheid van de partners die zeer dikwijls benadrukt wordt. Niettemin worden bijna alle minneliederen door een man voorgedragen, slechts in één lied is er duidelijk een vrouw aan het woord (II.89). Voor erotiek is er geen plaats in deze minneliederen, dat is een zaak van de onderkant van de maatschappij en geeft aanleiding tot hilariteit over de dorpspastoor, het dienspersoneel, sletten en hoeren en de 'kerel' het tegenbeeld van de geciviliseerde stedeling, een lomp, dom, rebels, onbeschoft en zelfingenomen persoon.[9]

Maar ook de liefde tot Maria wordt zeer fraai bezongen in de liederenbundel, waarbij de dichter soms termen gebruikt die ontleend lijken aan de minnepoëzie. Daarnaast komt ook de devotie tot God, en de Drie-eenheid uitgebreid aan bod. Devotie was dus ook een belangrijk thema.[10]

Melodieën[bewerken]

Het Gruuthuse-handschrift bevat de oudste collectie van Vlaamse liederen in verschillende genres, die met muzieknotatie tot ons zijn gekomen. Sommige liederen zijn qua vorm verwant aan de Franse liedvormen andere vertonen lijken qua melodie en cadans op de Duitse liederen uit die tijd.[11] Anderzijds tonen een belangrijk aantal liederen eigen karakteristieken zoals een bijzonder groot bereik van een decime of zelfs een duodecime, wat een stuk meer is als de eigentijdse Duitse liederen. Typisch is ook het eenstemmige van de liederen in de bloeitijd van de meerstemmige muziek.[11]

Zeer bijzonder is de notatievorm met verticale streepjes in plaats van noten die bovendien los van de tekst worden opgetekend. Er worden geen sleutels gebruikt en ritmeaanduidingen zoals lengte van noten of maten ontbreken nagenoeg volledig.[12]

Dat de muzieknotering niet probleemloos is blijkt duidelijk uit de sterk verschillende moderne uitvoeringen van de liederen die vanaf het midden van de twintigste eeuw tot stand kwamen, onder meer van het Egidiuslied.

Codicologie[bewerken]

Het handschrift bestaat uit 85 perkamenten folia van geitenvellen. Er zijn twaalf katernen voorafgegaan door een los blad. In een jongere periode zijn er vier bladen vooraan toegevoegd en tien achteraan. De bladen meten vandaag ca. 251 op 190 mm maar zijn origineel veel groter geweest. De originele hoogte wordt geraamd op 320 mm op basis van folio 2 waar bij het trimmen de onderzijde van het blad met het wapen van Lodewijk van Gruuthuse bewaard bleef.[13] Het eerste deel van het boekblok, met de gebeden beslaat negen folia, het tweede deel, het liedboek, telt er achtentwintig en de gedichten beslaan zevenenveertig folia.

De bladspiegel is vrij regelmatig maar varieert toch in de verschillende katernen. Bij scribent A bedraagt hij 221/232 x 154/163 mm, bij scribent B 223/234 x 145/161 mm en bij C 222/229 x 144/154 mm. De bladen zijn afgelijnd voor twee kolommen.[14]

Er werden vier teksthanden onderscheiden, die A, B, C en Z genoemd werden. Een vijfde scribent E genoemd, heeft hier en daar kleine bemerkingen toegevoegd. A en B waren verantwoordelijk voor het leeuwendeel van de tekst, C schreef slechts één (lange) tekst (III.2) en Z beperkte zich tot correcties en korte toevoegingen. Alle scribenten gebruikten een littera textualis behalve E die in cursiva schreef.[15]

Totstandkoming[bewerken]

Op basis van de informatie die het handschrift zelf verschaft maakte men een reconstructie van de totstandkoming. Dit blijft natuurlijk een hypothese maar geeft waarschijnlijk een goede benadering van het ontstaan van de codex.

Het handschrift werd vermoedelijk begonnen als een mooie codex geschreven door een professionele kopiist (A).[16] In dit gedeelte treffen we trouwens een aantal versierde initialen aan die wijzen naar het professionele boekbedrijf.[17] Bij de voltooiing werd het boekblok niet onmiddellijk ingebonden omdat men blijkbaar nog andere teksten wilde toevoegen aan het begin van de sectie met gedichten. Dit was het werk van kopiist C en een gedeelte ervan is vandaag verloren.[16] Hierop nam schrijver B de verdere uitbreiding op zich maar zijn manier van schrijven werd allengs informeler en hij liet zelfs teksten onafgewerkt. Alles duidt er op dat hij vrijelijk met het boek kon omspringen en dit laat vermoeden dat hij misschien de oorspronkelijke opdrachtgever was.[16] Uiteindelijk kwam de codex terecht bij scribent Z, die toegang moet gehad hebben tot de oorspronkelijke teksten, want hij kon blijkbaar het ontbrekende aanvullen en fouten van voornamelijk C, corrigeren. Uiteindelijk bleef het een "boek in wording" waar men nieuwe tekst in kon noteren.[16]

Datering[bewerken]

In 1382 werd Brugge in het kader van de opstand van Gent tegen Lodewijk van Male ingenomen door de Gentenaars. Die legden op de poorten en wallen in de richting van Gent te slopen. In 1400 werd begonnen met de wederopbouw en de nieuwe wallen en poorten waren klaar in 1407. De stadspoorten zijn het onderwerp van het gedicht III.14 toegeschreven aan Jan van Hulst.[18] Uit 1407 is er een betaling aan ‘scoonincx dichtere’, waarmee gezien Vlaanderen bestuurd werd door een graaf, gedacht wordt aan 'koning' van het toernooigezelschap van de Witte Beer. Dit maakt het mogelijk dat dit gedicht bij de voltooiing van de heropbouw ten gehore was gebracht. Dit zou toelaten dit gedicht te dateren op 1407 -1408.[19] Ook Herman Brinkman komt tot een datering van dit gedicht omstreeks 1407.[18]

Ook over het ontstaan van de vroegste teksten in het handschrift zijn de onderzoekers het eens dat die niet veel vroeger dan de oudere teksten (III.14) ontstonden. Er kan niets met absolute zekerheid worden gesteld, maar men gaat ervan uit, dat de eerste teksten geschreven zijn aan het einde van de 14e eeuw.[20]

Taal[bewerken]

De wetenschappers zijn het eens over de lokalisatie van het handschrift in Brugge omwille van de verwijzingen naar personen en omstandigheden die betrekking hebben op de stad en omwille van de taal.[21]

Alle kopiisten schreven Vlaams.[22] Hier en daar in de liederen kan men Duitse kleuring aanduiden, maar dit is terug te voeren op een opzettelijk toegepast stijlmiddel.[23] Kenmerken die typisch zijn voor het taalgebruik in de Noordelijke Nederlanden ontbreken.[22] Naaste Duitse kleuringen zijn er ook frequente ontleningen aan de Franse woordenschat.[23]

Dichters[bewerken]

Het Gruuthuse-handschrift is waarschijnlijk het resultaat van een groep dichters en muzikanten uit het Brugge van omstreeks 1400. Het waren volgens sommigen welgestelde mensen die in een gilde-achtig gezelschap samen kwamen om te schrijven en te zingen. Herman Brinkman is van mening dat de Broederschap van Onze-Lieve-Vrouwe van den drogen boom daarvoor het meest in aanmerking komt, omdat het een broederschap was die op muziekuitvoering gericht was. In III.10 is er een referentie naar dit gezelschap, de dichter smeekt de bescherming van Maria af, en spreekt de wens uit dat hun dorre boom weer vrucht zou dragen.[24] Maar de wetenschappers zijn het vandaag zeker niet eens over deze these. Op de website van de KB ziet men de middeleeuwse vriendenkring waarin het handschrift tot stand kwam veeleer als een jeugdige Brugse vriendenkring die niet tot de gezeten burgerij behoorden en er een tamelijk marginale levensstijl op nahielden.[20]

Er zijn slechts twee namen die met zekerheid kunnen verbonden worden met het handschrift namelijk Jan van Hulst en Jan Moritoen. Daarnaast wordt ook nog de prediker Jan Lyoen genoemd in III.8., maar hij zou verder niets met het handschrift te maken hebben. Andere verwijzingen naar personen zijn beperkt tot voornamen.[25]

Jan Moritoen[bewerken]

Jan Moritoen,[26] ook Moriton, Moreton, Motun genoemd werd waarschijnlijk geboren tussen 1350 en 1360 en na 1418 is er geen informatie meer in de archieven te vinden. Hij was de zoon van een Schotse inwijkeling maar werd in Brugge geboren. Hij was werkzaam, zoals vele Schotten, in de bontnijverheid en bonthandel zoals vele Schotten. In 1402 was hij gevestigd in de Pieter sGrisenstraat in de Sint-Gilliswijk waar vele bontverwerkers woonden, maar in de buurt waren ook vele badstoven en bordelen, het was zeker geen van de rijkere wijken van Brugge. In 1405 werd hij benoemd tot deelman (een soort vrederechter op wijkniveau met jurisdictie in het domein van erfenissen, boedelscheidingen en het handhaven van de sociale orde.) voor het Sint-Nicolaas sestendeel[27] tussen 1408 en 1410 was hij dismeester van de armentafel (meester van het armenbestuur) van de Sint-Gilliskerk. Ook in 1408 werd hij benoemd toe deken van de lamwerkers (tak van de bontwerkers). In 1409 werd hij benoemd tot deken van de broodwegers [28] In 1410 woonde hij in de Grauwwerkersstraat en was hij getrouwd met ene Kateline, waarschijnlijk een rijke weduwe. In 1413 werd hij benoemd tot schepen en in 1414 en 1416 was hij raadslid van de stad Brugge. Uit 1418 hebben we een document dat hem in de Sint-Gillis Nieuwstraat situeert en daarna verdwijnt hij uit de archieven. Jan Moritoen was vanaf de late veertiende eeuw (ca. 1382) lid van het Gilde van Onze Lieve Vrouwe van Hulsterloo en werd nog als dusdanig vermeld in 1410, waarschijnlijk bleef hij lid tot aan zijn dood.

Het gedicht III.13, O, overvloiende fonteine (43r) heeft in zijn laatste 11 regels een acrostichon met de naam Jan Moritoen. Hieruit gingen onderzoekers besluiten dat Jan Moritoen de auteur was van dit gedicht. K. Heeroma schreef in 1966 zelfs ongeveer alle liederen en gedichten toe aan deze Jan Moritoen.[29] Herman Brinkman daarentegen meent dat het mogelijk is dat het gedicht in kwestie een poëtisch huwelijksaanzoek was en dat Jan Moritien genoemd werd als de man die het huwelijksaanzoek deed en niet als de dichter.[30]

Jan van Hulst[bewerken]

Jan van Hulst[31] is de tweede persoon die bij name genoemd werd, via een acrostichon, in het handschrift. Hij werd geboren ca. 1360 en overleed ca. 1433. Een eerste vermelding over hem in de archieven gaat over zijn aanstelling tot 'stede gaersoen' van de stad Brugge in 1379. Een belangrijk deel van zijn opdracht bestond in het overbrengen van boodschappen. Het is bij het begin van de onlusten in Vlaanderen die ontstonden door de opstand van de Gentenaars tegen Lodewijk van Male en Jan van Hulst, dat hij zijn aanstelling krijgt en zijn eerste opdrachten uitvoert waarbij over en weer pendelt tussen Brugge en zowel het grafelijke kamp als de opstandelingen. Na de nederlaag van Brugge tegen Gent verdwijnt hij voor 12 jaar uit de rekeningen. Hij komt opnieuw in beeld in 1394 bij het bezoeken van Filips de Stoute met zijn echtgenote Margareta van Male aan Brugge in februari en later bij het bezoek van Margareta en Jan van Nevers, de latere Jan zonder Vrees, in september. Bij het eerste bezoek trad Jan op voor de hertog bij de ontvangst en ook tijdens diens verblijf, om het gezelschap te vermaken. Dezelfde functie kreeg hij in september bij het bezoek van de toekomstige hertog. In 1395 trad hij in het huwelijk met Liegaert de Busschere. In 1396 en 1397 neemt hij de leiding bij het uitvoeren van tableaux vivants in de Heilig-Bloedprocessie. In 1398 werd hij opgenomen in het gevolg van Filips de Stoute als boekverluchter, maar in 1401 treed hij terug in stadsdienst als 'serjant'. We zien hem nog opduiken als leider van de zangers in een meerstemmige mis opgedragen aan Jan zonder Vrees in 1401 en hij was van bij de aanvang betrokken bij de Broederschap van Onze-Lieve-Vrouwe van den drogen boom. In 1428 zou hij betrokken geweest zijn bij de stichting van de rederijkerskamer van de Heilige Geest.

Volgens Herman Brinkman in zijn kritische editie van 2015, heeft Jan van Hulst een belangrijke rol hebben gespeeld bij het tot stand komen van het handschrift. Zoals uit het voorgaande blijkt was hij niet allen dichter, maar waarschijnlijk ook miniaturist, ontwerper en dramaturg. Uit zijn betrokkenheid bij de Drogeboomgilde, blijkt ook dat hij waarschijnlijk intensief met muziekuitvoering is bezig geweest. Naast de gedichten waarin zijn naam voorkomt worden nog een aantal andere teksten aan Jan van Hulst toegeschreven onder meer III.2, Trauwe, die werkere es in minnen (Venus' vierscare). Het gedicht bevat vrij precieze beschrijvingen van de werking van het gerecht waarbij ook de lagere functies als 'gaersoen' en 'serjant' aan bod komen, functies die Jan van Hulst had waargenomen. Als deze tekst inderdaad van zijn hand zou zijn, kan men op basis daarvan, een groot aantal andere teksten aan hem toewijzen, inclusief het gedicht let het acrostichon van Jan Moritoen.[32]

Studie[bewerken]

Bij het Huygens Instituut in Den Haag wordt gewerkt aan een nieuwe editie van het handschrift. De Koninklijke Bibliotheek in Den Haag publiceert op haar webstek een digitale versie. In samenwerking met het Huygens Instituut wordt op deze webstek ook een transcriptie van alle teksten aangeboden, voorzien van een toelichting op de inhoud en enkele te beluisteren muziekvoorbeelden, zoals het Egidiuslied.

Het handschrift is aan bestendig onderzoek van allerhande specialisten onderworpen. Een eerste neerslag is hiervan onder meer te vinden in het hieronder vermelde in 2010 gepubliceerd boek, onder de leiding van Frank Willaert. In 2013 kwam het Gruuthusehandschrift weer naar Brugge voor de tentoonstelling 'Liefde en Devotie'. Op 26 en 27 april 2013 werd in Brugge een wetenschappelijk colloquium gehouden, waarop specialisten hun zienswijzen confronteerden over ontstaan, eigenaarschap, literaire en muzikale inhoud, enz, van het handschrift.

Publicaties[bewerken]

  • C. CARTON (ed.), Oud-Vlaemsche liederen en andere gedichten der XIVe en XVe eeuwen, Gent, C. Annoot-Braeckman, (1849)
  • K. HEEROMA, m. m. v. C. W. H. LINDENBURG, Liederen en gedichten uit het Gruuthusehandschrift, Leiden, 1966.
  • Het Gruuthuse-handschrift (Hs. Den Haag, Koninklijke Bibliotheek, 79 K 10), Ingeleid en kritisch uitgegeven door Herman BRINKMAN, met een uitgave van de melodieën door Ike de Loos (†), (MVN 13), 869+488 blz. in 2 banden, gebonden, geïllustreerd (deels kleur), ISBN 978-90-8704-463-3, Uitgeverij Verloren, Hilversum, 2015

Discografie[bewerken]

Er zijn acht opnames gemaakt van liederen uit het Gruuthuse-handschrift en in totaal zijn er drieëntwintig liederen uitgegeven. De ensembles die de liederen hebben opgenomen hebben verschillende transscripties van de teksten gebruikt en de interpretatie van de melodie kan ook van geval tot geval sterk verschillend zijn.

Er zijn opnames van onder meer:

  • Studio Laren, 1977, Liedjes uit "Het Antwerps Liedboek" en liedjes uit het "Gruuthuse Manuscript", LP, Fondation Constanter - Constanter 1, VR 20498
  • Camerata Trajectina, 1992, Pacxken van minnen – Middeleeuwse muziek uit de Nederlanden - (GLO 6016)
  • Pal Rans Ensemble, 1992, Egidius waer bestu bleven - Gruuthuse Manuscript, CD, Eufoda 001316
  • Egidius Kwartet, 2004, Egidius zingt Egidius, CD, Sol classics 004 (CD)
  • Ultreya, 2013, Muziek uit het Gruuthuse-manuscript, door Pandora² en Ultreya
  • Fala Música, 2007, onuitgegeven, te beluisteren op de website van de KB.[33]

Externe links[bewerken]