Johann Gottlieb Fichte

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Johann Gottlieb Fichte
Johann Gottlieb Fichte
Persoonsgegevens
Naam Johann Gottlieb Fichte
Geboren Rammenau bij Bischofswerda, 19 mei 1762
Overleden Berlijn, 29 januari 1814
Land Vlag van Duitsland Duitsland
Oriënterende gegevens
Tijdperk 19e eeuw
Stroming Duits idealisme
Beïnvloed door Immanuel Kant
Functies
1794–1800 Hoogleraar aan de Universiteit van Jena
Belangrijkste werken
1792 Versuch einer Kritik aller Offenbarung
1794 Grundlage der gesamten Wissenschaftslehre
1808 Reden an die Deutsche Nation
Portaal  Portaalicoon   Filosofie

Johann Gottlieb Fichte (Rammenau bij Bischofswerda, 19 mei 1762Berlijn, 29 januari 1814) was een Duits filosoof. Fichte werd geïnspireerd door Immanuel Kant en wordt door sommigen gezien als één van Kants meest getalenteerde aanhangers. Zijn werk valt tussen de kritiek van Kant en de geest van Hegel, maar tegenwoordig wordt hij steeds vaker gezien als de filosoof die het Duitse idealisme op een originele manier uitdroeg. Zijn zoon Immanuel werd eveneens bekend als filosoof.

Leven[bewerken | brontekst bewerken]

Fichte wordt geboren in Rammenau op 19 mei 1762, het eerste kind van de linnenwever Christian Fichte en zijn vrouw Johanna Maria Dorothea. Als jonge knaap op het platteland hoedt hij ganzen en schapen, en leert hij uit de Bijbel tijdens de catechese. Zijn opmerkelijke begaafdheid wordt ontdekt door Ernst Haubold von Miltitz, een edelman uit de omgeving. Met zijn steun kan Fichte een hogere opleiding genieten.

Na de Lateinschule in Meißen volgt ter voorbereiding op de universiteit een schoolperiode aan Schulpforta. Hier komt Fichte onder meer in contact met de werken van Lessing en Rousseau. Zijn studies in theologie en rechten aan de universiteiten van Jena, Wittenberg en Leipzig kan hij door het verlies van financiële steun niet afmaken. Zonder diploma moet Fichte door het leven als arme huisleraar in Leipzig en vervolgens in Zürich (waar hij zich verlooft met Johanna Marie Rahn).

Rond 1790 komt Fichte, terug in Leipzig, op verzoek van een student met het werk van Immanuel Kant in contact. De ontdekking van Kants filosofie is een kantelpunt voor Fichte als filosoof, en gooit zijn leven om; hij breekt zijn verloving af en reist naar Königsberg om Kant te ontmoeten. In diezelfde periode schrijft Fichte een werk in de stijl en kritische geest van Kant, Versuch einer Kritik aller Offenbarung. Kant is onder de indruk en raadt Fichte aan om het werk te laten drukken. Wanneer het geschrijft eerst anoniem verschijnt is de opinie overtuigd dat het werk van Kant is, maar Kant zelf zet deze miskenning recht in een openbaar bericht. Fichte wordt op slag beroemd, trouwt met Rahn in 1793 en start aan de bouw van zijn eigen filosofisch systeem, de Wetenschapsleer (Wissenschaftslehre). Dit grondsysteem zal Fichte voor de rest van zijn leven blijven bewerken en heruitgeven in nieuwe versies.

Met de hulp van Goethe kan Fichte vanaf mei 1794 als professor in Jena doceren. Hij laat de Grundlage der gesamten Wissenschaftslehre, de eerste en meest invloedrijke versie van zijn wetenschapsleer, als handboek voor zijn studenten drukken. Onder de studenten en bewonderaars bevinden zich Novalis, Friedrich Hölderlin, Friedrich Schelling en Friedrich Schlegel. Tijdens zijn periode als professor breidt hij zijn systeem verder uit met nieuwe publicaties en artikelen (in het Philosophisches Journal van Niethammer), en neemt hij het op tegen de lokale studentenorden. Rond Fichte ontstaat ook een studentenvereniging met de naam Bund der freien Männer, waarin onder meer zijn studenten Johann Erich von Berger en August Ludwig Hülsen zetelden. Rond 1798 komt Fichte door zijn artikel Über den Grund unseres Glaubens an eine göttliche Weltregierung terecht in een strijd die sindsdien bekend staat als de Atheismusstreit. Als gevolg van de strijd geeft Fichte met de eeuwwisseling zijn academische positie op, en trekt hij met zijn vrouw naar Berlijn. Fichtes ster is gezonken, en er volgen in de daaropvolgende jaren heel wat breuken met vroegere contacten zoals Reinhold, Schelling en Jacobi.

Dit luidt een periode in die in de academische wereld bekendstaat als de late Fichte. In deze tijdsspanne maakt zijn wetenschapsleer een sterke verandering door (minstens in de uitdrukking ervan). Zijn systeem probeert hij nog uit te dragen in georganiseerde voorlezingen. Na de nederlaag van Pruisen tegen Napoleon in 1806 vlucht Fichte oostwaarts, om later in 1807 terug te keren naar Berlijn en in 1808 zijn retorisch meesterwerk voor te dragen, de Reden an die Deutsche Nation. De Reden is een verzameling toespraken waarin Fichte naast de Duitse eigenheid het idee van een streng morele staatsopvoeding verkondigt. Fichte wekt terug opzien, en schopt het naast lidmaatschap van de Bayerischen Akademie tot filosofisch decaan en later nog tot eerste rektor van de nieuwe universiteit van Berlijn, een positie die hij ook weer vroegtijdig opgeeft naar aanleiding van conflicten.

Wanneer in 1813 de Freiheitskrieg tegen Napoleon uitbreekt stelt Fichte tijdelijk zijn voorlezingen uit. Zijn verzoek om het bevrijdingsleger te vergezellen als veldredenaar wordt niet ingewilligd. Hij neemt wel onder meer deel aan de oefeningen van de nieuwe Landsturm. Zijn vrouw Johanna werkt als vrijwilliger in de ziekenzorg en loopt een ziekte op waarmee ze later haar man aansteekt. Fichte overleeft deze periode van langdurige ziekte niet en sterft uiteindelijk op 29 januari 1814 in Berlijn.[1]

Filosofie: de wetenschapsleer[bewerken | brontekst bewerken]

Centraal in het filosofisch werk van Fichte staat de wetenschapsleer, die hij is blijven bewerken en uitgeven tot aan zijn dood in 1814.

Er heerst in de academische wereld nog discussie over de betekenis van het late werk van Fichte, en in hoeverre deze periode kan begrepen worden als een breuk enerzijds of voortzetting anderzijds van zijn vroege Jena filosofie. Hoewel Fichte zelf zijn wetenschapsleer van 1804 als de eerste voleindigde en definitieve weergave bestempelde heeft de gedrukte Grundlage van 1794 de grootste invloed gehad op de intellectuele wereld van zijn tijd.[2] Vast staat dat de er onbetwistbare continuïteiten zijn in de structuur en wendingen van de gedachtegang. De uitdrukking maakt in ieder geval een sterke verandering door, en stapt van een verlichte en humanistische stijl over naar meer religieus, haast mystiek taalgebruik. Sommigen brengen deze verandering in verband met de geleden Atheismusstreit. De latere uitgaven van de wetenschapsleer zelf vertonen echter ook steeds meer een gebrek, ja zelfs een consequent vermijden van een vast en consistent jargon; in plaats daarvan lijkt Fichte altijd te zoeken naar nieuwe uitdrukkingen en bewoordingen voor het overbrengen en aanwakkeren van een waarachtig levend filosofisch begrip. Dit begrip is voor Fichte niet gebonden aan de letter of het teken (dat telkens wijzigt), maar overstijgt de letter en het schrift in het eigen maken van het ene inzicht. Dit ene inzicht is de geest achter de letter, en dit inzicht kan volgens Fichte enkel gevat worden in de voltrekking en reproductie ervan (in de geest van de toehoorder zelf). Dit is opmerkelijk: voor Fichte is de filosofie niet zozeer een doctrine, een statisch concept of een theorie van samenhangende proposities, maar iets wat we moeten verwerven in geestelijke activiteit. Het individu moet bepaalde specifieke reflexieve handelingen verrichten om waar filosofisch inzicht voort te brengen. De student van de wetenschapsleer moet niet alleen een oprechte en ernstige interesse voor de waarheid hebben maar ook kritisch en actief (voor zichzelf) kunnen denken, en in zelfreflectie (met gebruik van de rede en innerlijke aanschouwing) zijn inzichten reconstrueren en eigen maken in hun samenhang, opdat de (totale) idee van het geheel gevat en beoordeeld kan worden.[3] Het inzicht in de eenheid is de werkelijke wetenschapsleer die verschuilt zou liggen achter al deze verschillende uitgaven en terminologieën. De verschillende vormen van presentatie zijn dan maar een voortgezet middel om tot dit inzicht te komen. Fichte zelf is altijd blijven beweren dat zijn filosofie in geest altijd hetzelfde is gebleven, maar hij was er zich ook bewust van dat de uitdrukking van het inzicht altijd voor verbetering en variatie vatbaar zou zijn.[4] Daarnaast was het een didactisch middel van Fichte om het systeem telkens als nieuw uit te dragen, en in zijn voorstelling voortdurend van perspectief te veranderen; op deze manier bleef het publiek enerzijds niet vastklampen aan de letter, en anderzijds was er meer kans dat er uit een varia van perspectieven uiteindelijk een licht zou ontsteken in de toehoorder. Daarom is de expressie van het inzicht altijd 'strategisch', d.i. bedoeld om het innerlijk wijsgerig proces te ontsteken en filosofisch inzicht te verwekken. In een brief aan zijn vriend Reinhold vergelijkt Fichte de geest of het ene inzicht met de menselijke geest zelf, die in zovele verschillende lichamen onzichtbaar verborgen ligt, maar toch altijd dezelfde universele geest is en blijft.[5] Andere typerend onderscheiden van Fichtes filosofie betreffen de voorkeur van het gesproken boven het geschreven woord in filosofisch onderwijs, alsook de transformerende en belevende kracht van waar inzicht; wie filosofisch inzicht eigen maakt en in-ziet verandert ook als mens, en verandert zijn leven en handelen in de wereld. De wetenschapsleer of filosofie is het instrument dat na het behalen van deze transformatie geen verdere betekenis of nut meer heeft, en als de ladder van Wittgenstein weggegooid kan worden. Het is de plicht of het doel van de filosoof als leraar om het systeem van waarheid helder te stellen in een verworven visie en voor te dragen aan de studenten als toekomstige onderwijzers, leiders en vormgevers van de wereld, opdat het inzicht hierin tot hen kan doordringen en hen kan veranderen als mensen. Het is voor de filosoof-leraar dan ook belangrijk om niet vanuit de leerstoel als een ivoren toren te prediken, maar in levende interactie met het publiek te controleren of dit inzicht tot hen doordringt, en bij te sturen waar dat nodig is. Dit is dan ook hoe Fichte aan zijn interactieve colleges en hoorzittingen vorm gaf. Deze kenmerkende opvattingen doen wat denken aan de filosofie van Plato, hoewel de receptie en kennis van- alsook de uiteenzetting met het denken van Plato een thema van academisch onderzoek op zich is.[6]

Fichtes filosofie werd sterk gevormd door zijn lezing van Kant. Met Kants filosofie maakte de wijsbegeerte zijn eigen moderne wende mee in vorm en inhoud. Centraal staat nu de algemene moderne rede en het kritische, zelf-reflexieve denken over de mens. Het is de moderne filosofie die de inhoud en kritische grenzen van de verschillende aspecten en domeinen van de mens moet bepalen en tegenover elkaar oriënteren. Fichte was op de hoogte van de drie grote Kritieken van Kant, maar bovenal inspireerde de tweede Kritiek (Kritik der praktischen Vernunft) hem tot het pad van de filosofie. Het was deze Kritiek die Fichte een nieuw leven gaf en hem overtuigde van de mogelijkheid tot een antwoord op het speculatief conflict van determinisme en vrijheid dat zijn geest en hart destijds kwelde, en zijn leven verstoorde.[7] Dit conflict is eveneens een kenmerkend onderscheid van Fichtes filosofie; de behandeling en beantwoording van de metafysische vraag wordt in de eerste plaats in haar noodzaak en mogelijkheid gerechtvaardigd door een persoonlijke, haast existentiële/religieuze behoefte en -interesse.[8] Een oriënterende filosofische visie wordt gezocht die ons de bestaansconditie en bestemming van de mens kan schetsen, deze speculatieve vragen en conflicten op een noodzakelijke en voldoende wijze kan beantwoorden, en ons denken en leven met elkaar kan verzoenen. Zouden we deze diepere vragen onbehandeld laten zou er volgens Fichte altijd een twijfel en verstrooidheid overblijven die ons zou verhinderen om te leven in de volste zin van het woord, zoals we zouden moeten leven. Het is het doel van de wetenschapsleer ofwel de filosofie om de problematiek op te lossen en de weg tot dit verzoend leven te openen. We hebben dus paradoxaal genoeg filosofie nodig om filosofie zelf op te lossen en af te schaffen. Het doel van filosofie is uiteindelijk niet filosofie op zich maar simpelweg beter en voller te leven. Wie daarentegen filosofie blijft voortzetten gewoon om te filosoferen (of om zijn papiermolen draaiende te houden) is van het rechte pad afgedwaald en verdorven.

Fichte voelde zich als filosoof geroepen om het grondinzicht van de moderne kritische filosofie van Kant te ontwikkelen en van een betere, systematische uitdrukking te voorzien.[9] Voor Fichte was het grondinzicht van de Kantiaanse filosofie de verborgen wortel en -samenhang van de theoretische en praktische filosofie. Kant had volgens Fichte in zijn derde Kritiek (Kritik der Urteilskraft) een besef van dit grondinzicht uitgesproken en het vaag weten aan te duiden, maar het nooit bevredigend uitgewerkt. Het is de verdienste van de wetenschapsleer om deze wortel verder te onderzoeken en hierop de samenhang van theorie en praxis uit te werken.[10] Naast de ontwikkeling van zijn inzicht tot een systeem wilde Fichte het inzicht van de filosofie ook aan het volk doorgeven, in de hoop dat dit inzicht een basis zou kunnen zijn voor de opvoeding van de mensen, en hun denken en handelen zou kunnen oriënteren en verbeteren.[11]

Als academisch project moet de (transcendentaal)filosofie ernaar streven om een deductief wetenschappelijk systeem rond dit grondinzicht uit te bouwen, opdat het inzicht zelf ook systematisch nagestreefd zou kunnen worden door de studenten ervan. Uit de eerste principes van het denken moeten alle andere principes van aanschouwing en ervaring afgeleid worden op streng systematische wijze. Om de gezochte wortel of eenheid van het systeem te ontdekken moet het systeem echter eerst synthetisch werken, en de veelheid aan contingente en empirische feiten en verschijningen herleiden tot een eenheid die onveranderlijk en evident waar is en blijft. Om deze synthese te voltrekken moeten de contradicties, dichotomieën en paradoxen in het bewustzijn en haar vele perspectieven met de kritische rede aangeduid en opgelost worden in een oplopende trap van steeds hogere synthesen. Dit proces moet men doorzetten tot een ultiem en onomstootbaar inzicht in de hoogste eenheid overblijft, die men op zijn beurt niet kan ondermijnen of daar bovenuit kan stijgen. Eenmaal de hoogste eenheid gevonden is kan men vervolgens afdalen en via analytische weg de veelheid uit deze eenheid opnieuw afleiden. De realisatie van dit systeem moet de filosofie tot de orde van wetenschap en verworven weten verheffen. Deze filosofische wetenschap heeft niet de pretentie onze wetenschappelijke kennis uit te breiden, maar de noodzakelijke en kritisch gerechtvaardigde elementen van ons denken als zodanig in hun samenhang demonstreren, en zo het objectief filosofisch begrip voleindigen. Fichte oriënteert zijn project voor het eerst in het programmaschrift Über den begriff der Wissenschaftslehre oder der sogenannten Philosophie (1794).

De Grundlage der gesamten Wissenschaftslehre (1794-95) is de eerste poging van Fichte tot het uitdrukken van de epistemologische en metafysische grondslagen van zijn systeem. Het is een dialectische filosofie die ultiem kritisch-transcendentaal van aard is.[12] Het behandelt de betrekking en tegenstelling van bewustzijn en de wereld, denken en zintuiglijkheid, vrijheid en naturalisme etc. in een dialectisch spel van Ich en Nicht-Ich.[13] In dit spel vindt een aanhoudende shift van perspectieven en kritisch overwegen van mogelijkheden plaats. Bij elke stellingname worden de contradicties en tweedelingen blootgelegd en aan de kaak gesteld. Ich en Nicht-Ich zijn hierbij de twee onherleidbare, respectievelijk positieve en negatieve metafysische gronden van Fichtes moderne filosofie die in kritische reflectie op de structuur van ons bewustzijn gerechtvaardigd zijn. Uit deze twee fundamentele, zuivere denkbaarheden moet alle rest dialectisch ontwikkeld, beschreven en inzichtelijk transparant gemaakt worden. Dit metafysisch ultimatum kan maar gesteld worden op grond van het Ich als centraal punt: ik kan op oneindig veel manieren gedacht worden als voortgebracht door een extern ontologisch systeem (al deze manieren vallen onder het onbekende en tegengestelde Nicht-Ich als onbepaalde grond), maar ik kan slechts op één unieke manier mijzelf denken als uit mezelf bewegen tot activiteit en handelen (namelijk uit en op mijn Ich als enige en eerste grond). Het resultaat is een schrift volledig geschreven in de taal van Ich en Nicht-Ich.

Een eerste en cruciale denkbeweging die door de wetenschapsleer naar het bedoelde inzicht gemaakt wordt is de overgang van het naïef realistisch wereldbeeld naar het perspectief van transcendentaalfilosofie. Binnen het realistisch wereldbeeld gaan we uit van de objecten en de wereld in zijn geheel als onafhankelijk bestaand van ons. De wereld alleen is echt en heeft substantie en waarde. Hier zijn we absoluut afhankelijk van dingen en we vinden onze identiteit en vervulling exclusief in dingen. In hetzelfde rijtje hoort echter ook de objectieve religie die zich richt op een transcendente God als de enige realiteit op zich. In beide gevallen ligt de waarheid buiten ons en zijn wij slechts een epifenomeen zonder betekenis of substantie. Na transcendentale reflectie beseffen we echter dat we in dit oordeel niet letten op het denkend subject dat altijd op dit object betrokken is wanneer we er een voorstelling of bewustzijn van hebben. We stellen vast dat wij deze voorstellingen in de eerste plaats voortbrengen doorheen de wetten van ons eigen denken, en dat deze objecten in hun verschijning aan mij in eerste plaats dus geen onafhankelijke realiteit hebben. Fichte zelf schetst deze transitie in mensentaal in zijn Bestimmung des Menchen (1800), en wel in de overgang van het hoofdstuk Zweifel naar het hoofdstuk Wissen.

Voor de aanhef van het systeem moet de student deze reflectie eerst zelf voltrekken. Hij/zij moet zelf de eerste grondslag daarvan ontdekken. Deze grondslag zal de gang van het hele systeem verder bepalen. Het doel is om in reflectie te arriveren tot een zuivere these die als zodanig niet door afleiding (bijvoorbeeld uit een logische premisse of formeel begrip) gedemonstreerd of bewezen kan worden, maar enkel vrij en oorspronkelijk kan ontstaan. Het is niet een stelling maar veeleer de negatie en opheffing van elk statisch gedacht concept dat deze ontdekking bemiddelt. De student moet zich in een dergelijke abstraherende 'intellectuele aanschouwing' (een term die Fichte veel kritiek bezorgde, omdat Kant oorspronkelijk hieronder een rechtstreekse kennis van een werkelijkheid voorbij ons menselijk kenvermogen verstond[14]) vrij richten op zijn/haar innerlijke, zelfbewuste activiteit, en zichzelf als een zuiver handelen of Ich aanschouwen. In het bewustzijn onderscheidt de zuivere aanschouwing van Ich zich als Tathandlung van de Tatsachen van het bewustzijn. Bij de Tatsache is de voorstelling van een voorondersteld zijn of object onderscheiden.Bij de Tathandlung daarentegen is er een samenhang van constitutie en manifestatie, van subject en object (ofwel subject=object). Op basis van deze aanschouwing wordt het begrip van het zuivere Ich geconstrueerd.[15] Dit zuiver Ich is een algemene voorstelling die universeel is aan de structuur van het menselijk bewustzijn, en dus in principe voor iedereen toegankelijk is. Met deze voorstelling onderscheiden we ons transcendentaal als Tathandlung van alles wat geen Tathandlung maar louter Tatsache is. De eerste grondslag wordt vervolgd door een tweede grondslag van tegengesteldheid en begrenzing: algemeen is ons zuiver aanschouwde Ich begrensd en eindig in zijn activiteit. Als ik iets denk, dan denk ik altijd iets bepaald en eindig, en stel ik dus een object tegenover mijn denken. Van de begrensdheid moet a priori rekenschap afgelegd worden met een begrenzend Nicht-Ich. Concreet zijn er de zinnelijke sensaties en het gevoel die het transcendentaal systeem zelf begrenzen als de niet afleidbare, onmiddellijke feiten van het bewustzijn, die los van onze wil en reflectie staan.[14] Omdat de eerste en tweede grondslag niet kunnen samenvallen moet er ook een derde grondslag van deelbaarheid geponeerd worden etc. op deze wijze vormt het eerste principe de kern van een systeem van afleidingen: het is een act waarvan de momenten en voorwaarden/implicaties verder uitgevouwen kunnen worden, en in de ontplooiing leggen we de fundamentele aspecten van rede en bewustzijn (en hun samenhang) systematisch aan.

De theoretische vraag naar metafysische objecten en -gronden wordt samen met de zelfbegronding van de theoretische rede echter geproblematiseerd; hoewel het fundamenteel aan de theoretische rede is om te vertrekken vanuit een realisme en een geloof in de wetten van een externe wereld waar ons weten betrekking op heeft (das Ich setzt sich als bestimmt durch das Nicht-Ich)[16] volgt uit consequente reflectie op grond van het eerste principe (das Ich setzt ursprünglich schlechthin sein eigenes Sein)[17] dat het Ich zelf het Nicht-Ich in zich stelt, en het ding an sich of de grond van ons weten zelf poneert met zijn eigen categorieën van causaliteit en substantie. Wat betreft de determinatie van ons denken en handelen in- en door de wereld kunnen we met andere woorden enkel strikt zeker weten dat we in de eerste plaats door de structuur en wetten van ons eigen denken genoodzaakt zijn zodanig te denken.[14] Dit is geen verval in solipsisme maar een poging om de principiële grenzen en objecten van kritische wetenschap af te bakenen. Hetzelfde geldt ook voor het denken in zuivere dichotomieën en fundamentele denkbaarheden zoals Ich en Nicht-Ich, die bij nader inzien problematisch zijn. Er is geen toegang tot een Nageliaanse view from nowhere (buiten- of los van het bewust subject) van waaruit over die metafysische ideeën een ultiem oordeel geveld kan worden. In die zin is het ding an sich geen feitelijk gegeven, ondanks het feit dat we ons in onze zintuiglijkheid passief en bepaald voelen (eze ervaring wordt principieel als zodanig ook door het Ich gemaakt). Het an sich wordt herleid tot een zuivere gedachte (ofwel een noumenon), en er ontstaat een onderscheid tussen de feitelijke werkingskracht van Nicht-Ich (d.i. de realiteit van een wetmatig bestudeerbare empirische natuur) en de waarheid (d.i. het gedachte an sich).

De vraag ontstaat nu wat dan deze geconditioneerde verschijningen in stand houdt - wat met andere woorden de grond van de bewuste ervaring is. Dit is voor Fichte de uitdrukking van de metafysische vraag bij uitstek. Op basis van de twee bovenaan reeds vermelde metafysische ultimata kan de grond slechts Ich of Nicht-Ich zijn. Op basis van de twee tegenstrijdige perspectieven komt ook hier de vraag naar de metafysische grond van het handelen naar voren, voorbij het perspectief van verklaring, en of dit principe Ich of Nicht-Ich is. Net als bij Kant kan men ten opzichte van het bezonnen morele handelen twee perspectieven innemen: een natuurlijk perspectief dat in lijn met de theoretische rede het handelen begrijpt als bepaald vanuit de wetten van een externe wereld, en een noumenaal perspectief dat vertrekt vanuit een persoon die niet samenvalt met de wereld - ik die me met vrije wil richt tot de autonome morele wet en uit mijzelf overga tot anders en beter handelen. Voor Fichte is vrijheid dus ultiem een metafysische kwestie.[18]

Fichtes filosofie wijst het Nicht-Ich als principe van een filososfisch (denk)systeem echter af, en wel omdat het ondenkbaar is: elk idee van een object dat we maken is gedacht en vooronderstelt een subject. We hebben in de transcendentale reflectie ook gezien dat we perfect van het object of noumenon als louter gedacht object kunnen abstraheren. Van het Ich als subject kan men echter niet abstraheren; transcendentaal-kritisch gezien is de zuivere voorstelling van Ich (denke) het eenheid scheppend centrum waar al mijn weten en denken zich op betrekt, en die in de reflectie van de filosoof al mijn voorstellingen begeleidt en in perspectief brengt. Alles wat we weten betrekt zich noodzakelijk op dit denken, en er komt met andere woorden niets onafhankelijks in ons denken voor. Men kan het zijn of ding an sich dan ook niet tot meer dan een noumenon maken zonder de consistentie van het theoretisch systeem af te breken, en in tegenspraken te vervallen. Metafysica überhaupt blijft zo buiten het kritisch afgebakend domein van het theoretisch weten van de mens staan als de begrenzing daarvan; de kritische natuurwetenschap beperkt zich binnen dit domein tot het verklaren en voorspellen van de werkingen en krachten van de (empirische) natuur.[19][20] Wie dus van het object zou uitgaan zou geen echt consequent filosoof (of idealist) zijn, maar een dogmatist die zijn principe niet begrondt maar oplegt zonder kritische rede. Anderzijds is het opmerkelijk dat we niet van het subject kunnen abstraheren, of boven het bewustzijn en Ich denke uitstijgen. Verder zou de stelling van een onkenbaar an sich buiten ons het denken van de mogelijkheid van onze kennis en ons vermogen tot handelen zelf onmogelijk maken; het zou met andere woorden onbegrijpelijk blijven hoe we kennis kunnen vergaren of kunnen inwerken op de wereld.

Uiteindelijk spreken de strikt filosofische denkargumenten dus sterk in het voordeel van het idealisme dat het Ich of het denken uitroept tot het ware an sich. Echter zijn de denkargumenten niet noodzakelijk voldoende of afdwingend. Een bekende uitspraak van Fichte uit de Erste Einleitung (1797) stelt dan ook dat de keuze voor de ene of andere filosofische visie uiteindelijk wordt gemaakt op grond van wat voor mens men is. Dit wil niet zeggen dat de keuze subjectief en willekeurig is, maar dat de opvoeding en het waardebesef van deze mens belangrijk is.[21] Een mens die in zijn ontwikkeling tot erkenning van de idee of het Sollen (wat niet is maar moet zijn) is gekomen ziet als zelfbewust individu in de wereld ook het belang en de praktische noodzaak in om als 'agent' of Ich vrij hiernaar te kunnen handelen in- en tegenover de wereld, opdat de idee doorheen ons kan gelden en werken in de wereld (als autonome wet van ons vrije en creatieve handelen). Dit wordt systematisch uitgewerkt in het derde deel van de Grundlage (Grundlage der Wissenschaft des Praktischen) en toegelicht binnen de context van verscheidene thema's in Fichtes meer populaire lezingen. Fichte kent de mens een zelfreflexieve rede toe, en deze rede heeft zowel een theoretische als een praktische zijde. Met de gewekte praktische rede kan de mens voorbij de theoretische impasse overgaan tot de start van een tweede, nieuwe denkbeweging vanuit de praktische imperatief (die de lacunes van het theoretische deel kan aanvullen). Volgens Fichte vraagt een geslaagde inleiding tot de wetenschapsleer dan ook een opvoeding waarin het kind wordt aangewakkerd tot (zelf)bewustzijn en ware zelfactiviteit.[4]

Het domein van de praktische rede behandelt de kritische bepaling van de praktische ideeën als metafysische voorwaarden van ons vrije handelen. Het schetst de samenhang van deze ideeën die voorbij onze theoretische rede liggen maar tegelijk het theoretisch weten oriënteren en vervolledigen, en onze werkzaamheid als concrete individuen in de reële wereld moeten begeleiden. Dit laatste verleent deze ideeën een praktische rechtvaardiging. Wanneer ik als individu in het leven in de wereld stap ben ik door mijn eigen rede geforceerd om een wereld als Gegen-stand tegenover mij te denken, en deze subject-object structuur te superposeren. In deze zin is het handelen in de wereld belangrijker voor de constructie en vormgeving van onze kenniswereld dan zuiver rationele speculatie, en de praktische rede voor Fichte belangrijker en kenmerkender voor het menselijk (zelf)bewustzijn dan de theoretische rede.[22] Het draait hierbij de reflexieve beweging om en vertrekt niet vanuit het geloof in een externe wereld als primair, om vervolgens in een transcendentale reflectie inwaarts te keren en terug te vallen op de onze innerlijke activiteit. In plaats daarvan neemt het praktisch stelsel een uitgaande beweging van werkzaamheid aan, en vertrekt het vanuit een vrij geloof in mijn Ich-heit als de noumenale basis van mijn bestaan als persoon (opdat ik mij boven mijn individu, lichaam en eigenbelang kan verheffen), en de betekenis van ons vrije, creatieve handelen in- en tegenover de wereld (das Ich setzt sich als bestimmend das Nicht-Ich).[23][24] Het praktisch regulatief ideaal noemt Fichte in de Grundlage het absolutes Ich als idee, en drukt deze idee als een Sollen of praktische imperatief uit.[25][26] Vertrekkende vanuit het ideaal ofwel de regulatieve imperatief van dit absolutes Ich, waarin geen tegenspraak in de mens meer is, stellen we ons vermogen tot doen en laten tegenover de natuur en andere individuen vooruit (de ander als Du is in transcendentaal opzicht een synthese van Ich en Es/object die ik poneer als persoon buiten mij[27]).[28] De objectieve orde van de wereld en de ander(en) worden daarmee geponeerd als de betrekking en begrenzing van mijn vrije handelen, en moeten respectievelijk verder overwonnen/veranderd en gerespecteerd worden.[29] Onze wetenschappelijke kennis en -inzicht (en de vermeerdering alsook de toepassing daarvan) kan en moet hiertoe dienen, en aangewend worden in functie van de humane vooruitgang.

Ook in het praktisch stelsel ontwikkelt Fichte dus het Ich als centrum en organiserend principe. Dit maakt Fichtes idealisme naast een transcendentaal idealisme een praktisch idealisme.[30] Wie daarbij het Ich als praktisch principe niet begrijpt of niet wil erkennen en liever verhardt in het Nicht-Ich als principe van waarheid (zij het door gebrek aan goede opvoeding of door een bewust opgeven van zijn waardigheid als mens) noemt Fichte in zijn geschriften de dogmatist (ook wel de naturalist of materialist).[31] Voor de dogmatist is zijn individueel belang werkelijk en de voorstellingen van een meer algemene rede slechts accidenteel en zonder betekenis, die hoogstens pragmatisch nut hebben. De idealist daarentegen stelt de idee van een algemene (praktische) rede hoger aan dan het reële of de werkende natuur; zijn reëel, empirisch individu is daarop voor hem slechts het sterfelijk instrument waardoor hij/zij als persoon werkzaam kan zijn in de wereld, en deze (samen met zichzelf) kan proberen te verbeteren en te verheffen naar deze idee. De mogelijkheid om ons met onze geest te verheffen boven ons lichaam/individu en naar de idee te handelen is daarbij voor de idealist een onmisbare vooronderstelling van het menselijk leven; zonder dit principe van noumenale vrijheid tot handelen mist ons identiteit (als persoon), betekenis (van ons handelen) en betrekking (op de wereld).[27]

In de hedendaagse filosofie wordt het project van filosofie als een deductief wetenschappelijk systeem algemeen als dubieus en moeilijk houdbaar beschouwd. Het is dit aspect van Fichtes academische filosofie dat dan ook het slechtst de tand des tijds heeft doorstaan. Anderzijds zijn de kritische conclusies en stellingen nog relevant op dezelfde manier als Kants filosofie dat nog kan zijn. In tegenstelling tot Kant die het idealisme nog wilde weerleggen[32] meent Fichte echter dat een consequente transcendentaalfilosofie idealistisch moet zijn; de enige weg voor een moderne (kritische) filosofie om een metafysica aan te vangen is zich in reflectie boven het reële (en de gangbare mening van een ding an sich) te verheffen tot een intellectuele aanschouwing van ons zuiver handelen (Ich). Alleen hierdoor komt de kritische filosofie tot de these van een primair en oorspronkelijk, positief metafysisch begrip, dat als eerste principe van de hele moderne filosofie zowel theoretisch als praktisch gefundeerd en uitgebouwd wordt. Hoewel zowel in het theoretisch als praktisch stelsel ook rekenschap afgelegd wordt van een realistische dimensie blijft hiertegenover het zijn of ding an sich ultiem een afgeleid, tegengesteld of negatief metafysisch begrip. Bovendien moet de filosofie volgens Fichte de samenhang van het theoretische en praktische denken ontwikkelen om de volledige constructie van ons zelfbewust ik als Tathandlung en de eenheid van onze zelfreflexieve rede te funderen. In zijn opzet is Fichte dan ook de grondlegger en eerste grote representant van het Duitse idealisme.[2] Ten slotte is hij samen met Kant de geschiedenis van de filosofie ingegaan als verdediger van de praktische idee van menselijke vrijheid en waardigheid. Ongeacht de factoren van aanleg of aanleiding gaan we uit van de mens als absoluut vrij, en houden we in het dagelijks leven hij/zij ook ultiem verantwoordelijk voor zijn/haar handelen. De kern van Fichtes idealisme is de Bildung (cultivering) en transformatie (verheffing) van onszelf en de natuur naar de idee van een algemene (praktische) rede waarin de wereld aan ons verschijnt en wij vrij werken en leven. Deze gedachte werd later door Fichte verder uitgewerkt en uitgedragen in meer populaire lezingen zoals die Grundzüge des gegenwärtigen Zeitalters (1804-1805) en über das Wesen des Gelehrten (1805). Onder meer werkte zijn visie door in enkele werken van de Schotse schrijver Thomas Carlyle, zoals Sartor Resartus (1836) en On Heroes, Hero-Worship, and The Heroic in History (1841).

Externe link[bewerken | brontekst bewerken]

Mediabestanden die bij dit onderwerp horen, zijn te vinden op de pagina Johann Gottlieb Fichte op Wikimedia Commons.