Johann Gottlieb Fichte

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Johann Gottlieb Fichte

Johann Gottlieb Fichte (Rammenau bij Bischofswerda, 19 mei 1762Berlijn, 29 januari 1814) was een Duits filosoof. Fichte werd geïnspireerd door Kant en wordt door sommigen gezien als één van Kants meest getalenteerde aanhangers. Zijn werk valt tussen de kritiek van Kant en de geest van Hegel, maar tegenwoordig wordt hij steeds vaker gezien als de filosoof die het Duitse idealisme op een originele manier uitdroeg. Zijn zoon Immanuel werd eveneens bekend als filosoof.

Leven[bewerken | brontekst bewerken]

Fichte wordt geboren in Rammenau op 19 mei 1762, het eerste kind van de linnenwever Christian Fichte en zijn vrouw Johanna Maria Dorothea. Als jonge knaap op het platteland hoedt hij ganzen en schapen, en leert hij uit de Bijbel tijdens de catechese. Zijn opmerkelijke begaafdheid wordt ontdekt door Ernst Haubold von Miltitz, een edelman uit de omgeving. Met zijn steun kan Fichte een hogere opleiding genieten.

Na de Lateinschule in Meißen volgt ter voorbereiding op de universiteit een schoolperiode aan Schulpforta. Hier komt Fichte onder meer in contact met de werken van Lessing en Rousseau. Zijn studies in theologie en rechten aan de universiteiten van Jena, Wittenberg en Leipzig kan hij door het verlies van financiële steun niet afmaken. Zonder diploma moet Fichte door het leven als arme huisleraar in Leipzig en vervolgens in Zürich (waar hij zich verlooft met Johanna Marie Rahn).

Rond 1790 komt Fichte, terug in Leipzig, op verzoek van een student met het werk van Immanuel Kant in contact. De ontdekking van Kants filosofie is een kantelpunt voor Fichte als filosoof, en gooit zijn leven om; hij breekt zijn verloving af en reist naar Königsberg om Kant te ontmoeten. In diezelfde periode schrijft Fichte een werk in de stijl en kritische geest van Kant, Versuch einer Kritik aller Offenbarung. Kant is onder de indruk en raadt Fichte aan om het werk te laten drukken. Wanneer het geschrijft eerst anoniem verschijnt is de opinie overtuigd dat het werk van Kant is, maar Kant zelf zet deze miskenning recht in een openbaar bericht. Fichte wordt op slag beroemd, trouwt met Rahn in 1793 en start aan de bouw van zijn eigen filosofisch systeem, de Wetenschapsleer (Wissenschaftslehre). Dit grondsysteem zal Fichte voor de rest van zijn leven blijven bewerken en heruitgeven in nieuwe versies.

Met de hulp van Goethe kan Fichte vanaf mei 1794 als professor in Jena doceren. Hij laat de Grundlage der gesamten Wissenschaftslehre, de eerste en meest invloedrijke versie van zijn wetenschapsleer, als handboek voor zijn studenten drukken. Onder de studenten en bewonderaars bevinden zich Novalis, Friedrich Hölderlin, Friedrich Schelling en Friedrich Schlegel. Tijdens zijn periode als professor breidt hij zijn systeem verder uit met nieuwe publicaties en artikelen (in het Philosophisches Journal van Niethammer), en neemt hij het op tegen de lokale studentenorden. Rond Fichte ontstaat ook een studentenvereniging met de naam Bund der freien Männer, waarin onder meer zijn studenten Johann Erich von Berger en August Ludwig Hülsen zetelden. Rond 1798 komt Fichte door zijn artikel Über den Grund unseres Glaubens an eine göttliche Weltregierung terecht in een strijd die sindsdien bekend staat als de Atheismusstreit. Als gevolg van de strijd geeft Fichte met de eeuwwisseling zijn academische positie op, en trekt hij met zijn vrouw naar Berlijn. Fichtes ster is gezonken, en er volgen in de daaropvolgende jaren heel wat breuken met vroegere contacten zoals Reinhold, Schelling en Jacobi.

Dit luidt een periode in die in de academische wereld bekendstaat als de late Fichte. In deze tijdsspanne maakt zijn wetenschapsleer een sterke verandering door (minstens in de uitdrukking ervan). Zijn systeem probeert hij nog uit te dragen in georganiseerde voorlezingen. Na de nederlaag van Pruisen tegen Napoleon in 1806 vlucht Fichte oostwaarts, om later in 1807 terug te keren naar Berlijn en in 1808 zijn retorisch meesterwerk voor te dragen, de Reden an die Deutsche Nation. De Reden is een verzameling toespraken waarin Fichte naast de Duitse eigenheid het idee van een streng morele staatsopvoeding verkondigt. Fichte wekt terug opzien, en schopt het naast lidmaatschap van de Bayerischen Akademie tot filosofisch decaan en later nog tot eerste rektor van de nieuwe universiteit van Berlijn, een positie die hij ook weer vroegtijdig opgeeft naar aanleiding van conflicten.

Wanneer in 1813 de Freiheitskrieg tegen Napoleon uitbreekt stelt Fichte tijdelijk zijn voorlezingen uit. Zijn verzoek om het bevrijdingsleger te vergezellen als veldredenaar wordt niet ingewilligd. Hij neemt wel onder meer deel aan de oefeningen van de nieuwe Landsturm. Zijn vrouw Johanna werkt als vrijwilliger in de ziekenzorg en loopt een ziekte op waarmee ze later haar man aansteekt. Fichte overleeft deze periode van langdurige ziekte niet en sterft uiteindelijk op 29 januari 1814 in Berlijn.[1]

Filosofie[bewerken | brontekst bewerken]

Centraal in het filosofisch werk van Fichte staat de wetenschapsleer, die hij is blijven bewerken en uitgeven tot zijn dood in 1814.

Er heerst in de academische wereld nog discussie over de betekenis van het late werk van Fichte, en in hoeverre deze periode als een breuk enerzijds of voortzetting anderzijds van zijn vroege Jena filosofie begrepen kan worden. Hoewel Fichte zelf zijn wetenschapsleer van 1804 als de eerste voleindigde en definitieve weergave bestempelde heeft de gedrukte Grundlage van 1794 de grootste invloed gehad op de intellectuele wereld van zijn tijd.[2]

Fichtes vroege filosofie was sterk gevormd door zijn lezing van Kant. Bovenal inspireerde de tweede Kritiek (Kritik der praktischen Vernunft) hem tot het pad van de filosofie. Het was deze Kritiek die Fichte een nieuw leven gaf en hem overtuigde van de mogelijkheid tot een antwoord op het speculatief conflict van determinisme en vrijheid dat zijn geest en hart destijds kwelde, en zijn leven verstoorde.[3] Dit conflict is een kenmerkend onderscheid van Fichtes filosofie; de behandeling en beantwoording van de metafysische vraag (voor Fichte is dit de vraag naar de grond van onze ervaring of een objectief zijn, en de mogelijkheidsvoorwaarden tot de bepaling daarvan) wordt in de eerste plaats in haar noodzaak en mogelijkheid gerechtvaardigd door een persoonlijke, haast existentiële/religieuze behoefte en -interesse.[4] Een oriënterende filosofische visie wordt gezocht die ons de bestaansconditie en bestemming van de mens kan schetsen, deze speculatieve vragen en conflicten op een noodzakelijke en voldoende wijze kan beantwoorden, en ons denken en leven met elkaar kan verzoenen. Andere typerende onderscheiden betreffen het onderscheid tussen geest en letter, alsook de voorkeur van het gesproken boven het geschreven woord in filosofisch onderwijs. Fichte benadrukt vaak dat de student of lezer net als hem een oprechte en ernstige interesse voor de waarheid moet hebben, kritisch voor zichzelf moet denken en in zelfreflectie (met gebruik van de rede en innerlijke aanschouwing) zijn inzichten moet reconstrueren en eigen maken in hun samenhang, opdat de (totale) idee van het geheel gevat en beoordeeld kan worden.[5]

De vroege Fichte voelde zich als filosoof geroepen om het grondinzicht van de moderne kritische filosofie van Kant te ontwikkelen en van een betere, systematische uitdrukking te voorzien.[6] Fichte was er zich bewust van dat de uitdrukking van het inzicht altijd voor verbetering en variatie vatbaar zou zijn.[7] Als academisch project moet de (transcendentaal)filosofie ernaar streven om een deductief wetenschappelijk systeem van de geest uit te bouwen, en uit de eerste principes van het denken alle andere principes van aanschouwing en ervaring af te leiden op streng systematische wijze. De realisatie van dit systeem moet de filosofie tot de orde van wetenschap en verworven weten verheffen. Deze filosofische wetenschap heeft niet de pretentie onze wetenschappelijke kennis uit te breiden, maar de noodzakelijke en kritisch gerechtvaardigde elementen van ons denken als zodanig in hun samenhang demonstreren, en zo het objectief filosofisch begrip voleindigen. Fichte oriënteert zijn project in het programmaschrift Über den begriff der Wissenschaftslehre oder der sogenannten Philosophie (1794). Naast de ontwikkeling van zijn inzicht tot een systeem wilde Fichte het inzicht van de filosofie ook aan het volk doorgeven, in de hoop dat dit inzicht een basis zou kunnen zijn voor de (morele) opvoeding van de mensen, en hun denken en handelen zou kunnen oriënteren en verbeteren.[8] Tegelijkertijd vraagt een geslaagde inleiding tot de wetenschapsleer een opvoeding waarin het kind wordt aangewakkerd tot zelfactiviteit en moreel bewustzijn, opdat het van zijn vrijheid bewust en overtuigd kan zijn.[7]

De Grundlage der gesamten Wissenschaftslehre (1794-95) is de eerste poging van Fichte tot het uitdrukken van de epistemologische en metafysische grondslagen van zijn systeem. Het is een dialectische filosofie die ultiem kritisch-transcendentaal van aard is.[9] Het behandelt de betrekking en tegenstelling van bewustzijn en de wereld, denken en zintuiglijkheid, vrijheid en naturalisme etc. in een dialectisch spel van Ich en Nicht-Ich.[10] Dit zijn de twee onherleidbare, respectievelijk positieve en negatieve metafysische gronden van Fichtes moderne filosofie die in kritische reflectie op de structuur van ons bewustzijn gerechtvaardigd zijn, en waaruit alle rest dialectisch ontwikkeld, beschreven en inzichtelijk transparant gemaakt moet worden. Het resultaat is een schrift volledig geschreven in de taal van Ich en Nicht-Ich.

Voor de aanvang van dit systeem moet de student zelf de eerste grondslag daarvan ontdekken, die de hele reflectie verder zal bepalen. Dit aanvangspunt van de reflectie is een zuivere these die als zodanig niet door afleiding (bijvoorbeeld uit een logische premisse of formeel begrip) gedemonstreerd of bewezen worden, maar enkel vrij en oorspronkelijk voortgebracht kan worden. De student moet zich in een 'intellectuele aanschouwing' (een term die Fichte veel kritiek bezorgde, omdat Kant oorspronkelijk hieronder een rechtstreekse kennis van een werkelijkheid voorbij ons menselijk kenvermogen verstond[11]) vrij richten op zijn/haar innerlijke, zelfbewuste activiteit, en zichzelf als een zuiver handelen of Ich aanschouwen. In het bewustzijn onderscheidt de zuivere aanschouwing van Ich zich als Tathandlung van de Tatsachen van het bewustzijn, in die zin dat bij de Tatsache de voorstelling van een voorondersteld zijn of object onderscheiden is, en bij de Tathandlung er een samenhang is van constitutie en manifestatie, van subject en object (ofwel subject=object). Op basis van deze aanschouwing wordt het begrip van het zuivere Ich geconstrueerd.[12] Dit zuiver Ich is een algemene voorstelling die universeel is aan de structuur van het menselijk bewustzijn (en dus in principe voor iedereen toegankelijk is), en waarmee we ons transcendentaal onderscheiden als Tathandlung van alles wat geen Tathandlung maar louter Tatsache is. De eerste grondslag wordt vervolgd door een tweede grondslag van tegengesteldheid en begrenzing: algemeen is ons zuiver aanschouwde Ich begrensd en eindig in zijn activiteit. Als ik iets denk, dan denk ik altijd iets bepaald en eindig, en stel ik dus een object tegenover mijn denken. Van de begrensdheid moet a priori rekenschap afgelegd worden met een begrenzend Nicht-Ich. Concreet zijn er de zinnelijke sensaties en het gevoel die het transcendentaal systeem zelf begrenzen als de niet afleidbare, onmiddellijke feiten van het bewustzijn, die los van onze wil en reflectie staan.[11] Omdat de eerste en tweede grondslag niet kunnen samenvallen moet er ook een derde grondslag van deelbaarheid geponeerd worden etc. op deze wijze vormt het eerste principe de kern van een systeem van afleidingen: het is een act waarvan de momenten en voorwaarden/implicaties verder uitgevouwen kunnen worden, en in de ontplooiing leggen we de fundamentele aspecten van rede en bewustzijn (en hun samenhang) systematisch aan.

Fichte kent de mens dus een zelfreflexieve rede toe. Deze rede heeft net als bij Kant zowel een theoretische als een praktische zijde. De praktische rede is voor Fichte belangrijker en kenmerkender voor het menselijk (zelf)bewustzijn dan de theoretische rede. Net als bij Kant kan men ten opzichte van het bezonnen morele handelen twee perspectieven innemen: een natuurlijk perspectief dat in lijn met de theoretische rede het handelen begrijpt als bepaald vanuit de wetten van een externe wereld, en een noumenaal perspectief dat vertrekt vanuit een persoon - ik die me met vrije wil richt tot de autonome morele wet en uit mijzelf overga tot anders handelen, naar een hoger (moreel) idee. Op basis van de twee tegenstrijdige perspectieven komt een vraag naar de metafysische grond van het handelen, voorbij het perspectief van verklaring, en of dit principe Ich of Nicht-Ich is. Voor Fichte is vrijheid dus ultiem een metafysische kwestie.[13]

De theoretische vraag naar (alsook het bezonnen geloof in) metafysische objecten en -gronden wordt samen met de zelfbegronding van de theoretische rede echter geproblematiseerd; hoewel het fundamenteel aan de theoretische rede is om te vertrekken vanuit een realisme en een geloof in de wetten van een externe wereld waar ons weten betrekking op heeft (das Ich setzt sich als bestimmt durch das Nicht-Ich)[14] volgt uit consequente reflectie op grond van het eerste principe (das Ich setzt ursprünglich schlechthin sein eigenes Sein)[15] dat het Ich zelf het Nicht-Ich in zich stelt, en het ding an sich of de grond van ons weten zelf poneert met zijn eigen wetten van causaliteit en substantie. Wat betreft de determinatie van ons denken en handelen in- en door de wereld kunnen we met andere woorden enkel strikt zeker weten dat we door de structuur en wetten van ons denken genoodzaakt zijn zodanig te denken.[11] In die zin is het ding an sich geen feitelijk gegeven (ondanks het feit dat we ons in onze zintuiglijkheid passief en bepaald voelen; deze ervaring wordt principieel als zodanig ook door het Ich gemaakt) maar een zuivere gedachte (ofwel een noumenon). In reflectie van men van het noumenon als louter gedacht object abstraheren. Van het Ich als subject kan men echter niet abstraheren; transcendentaal-kritisch gezien is de zuivere voorstelling van Ich (denke) het eenheid scheppend centrum waar al mijn weten en denken zich op betrekt, en die in de reflectie van de filosoof al mijn voorstellingen begeleidt en in perspectief brengt. Alles wat we weten betrekt zich noodzakelijk op dit denken, en er komt met andere woorden niets onafhankelijks in ons denken voor. Men kan het zijn of ding an sich dan ook niet tot meer dan een noumenon maken zonder de consistentie van het theoretisch systeem af te breken, en in tegenspraken te vervallen. Metafysica überhaupt blijft zo buiten het kritisch afgebakend domein van het theoretisch weten van de mens staan als de begrenzing daarvan; de kritische natuurwetenschap beperkt zich tot het verklaren en voorspellen van de werkingen en krachten van de (empirische) natuur.[16]

Het domein van de praktische rede behandelt de kritische bepaling van de praktische ideeën als metafysische voorwaarden van ons (morele) handelen. Het schetst de samenhang van deze ideeën die voorbij onze theoretische rede liggen maar tegelijk het theoretisch weten oriënteren en vervolledigen, en onze werkzaamheid als concrete individuen in de reële wereld moeten begeleiden. In deze zin is het handelen in de wereld belangrijker voor de constructie en vormgeving van onze kenniswereld dan zuiver rationele speculatie.[17] Het draait hierbij de reflexieve beweging om en vertrekt niet vanuit het geloof in een externe wereld als primair, om vervolgens in een transcendentale reflectie inwaarts te keren en terug te vallen op de onze innerlijke activiteit. In plaats daarvan neemt het praktisch stelsel een uitgaande beweging van werkzaamheid aan, en vertrekt het vanuit een vrij geloof in mijn Ich-heit als de noumenale basis van mijn bestaan als persoon (opdat ik mij boven mijn individu, lichaam en eigenbelang kan verheffen), en de betekenis van ons vrije (morele) handelen in en tegenover de wereld (das Ich setzt sich als bestimmend das Nicht-Ich).[18][19] Vertrekkende vanuit het moreel ideaal ofwel de regulatieve imperatief van een absolutes Ich, waarin geen (morele) tegenspraak meer is, stellen we ons vermogen tot doen en laten tegenover de natuur en andere individuen vooruit (de ander als Du is in transcendentaal opzicht een synthese van Ich en Es/object die ik poneer als persoon buiten mij[20]).[21] De objectieve orde van de wereld en de ander(en) worden daarmee geponeerd als de betrekking en begrenzing van mijn vrije handelen, en moeten respectievelijk (in morele zin) verder overwonnen/veranderd en gerespecteerd worden.[22] Onze wetenschappelijke kennis (en de vermeerdering van die kennis) kan en moet hiertoe dienen, en aangewend worden in functie van de (humane) vooruitgang. Ook in het praktisch stelsel ontwikkelt Fichte dus het Ich als centrum en organiserend principe. Dit maakt Fichtes idealisme naast een transcendentaal idealisme een praktisch idealisme.[23] Wie het Ich als praktisch principe niet wil erkennen en liever verhardt in het Nicht-Ich als principe (zij het door gebrek aan goede opvoeding of door een bewust opgeven van zijn waardigheid als mens) noemt Fichte in zijn geschriften de dogmatist (ook wel de naturalist of materialist).[24] Voor de dogmatist is zijn individueel belang werkelijk en de voorstellingen van een meer algemene rede slechts accidenteel en zonder betekenis, die hoogstens pragmatisch nut hebben. Voor de idealist hebben de ideeën van de rede betekenis, en is mijn reëel individu slechts het sterfelijk instrument waardoor ik als persoon werkzaam kan zijn in de wereld, en deze (samen met mijzelf) kan proberen te verbeteren en te verheffen naar het ideële. De absolute mogelijkheid om ons met onze geest te verheffen boven ons lichaam/individu en te handelen naar de idee is voor de idealist het interessante, waardevolle en betekenisvolle van het menselijk leven, en zonder deze noumenale vrijheid tot (moreel) handelen mist ons alle betrekking op de wereld.[20]

In de hedendaagse filosofie wordt het project van filosofie als strenge wetenschap algemeen als dubieus en moeilijk houdbaar beschouwd. Het is dit aspect van Fichtes academische filosofie dat dan ook het slechtst de tand des tijds heeft doorstaan. Anderzijds zijn de kritische conclusies en stellingen nog relevant op dezelfde manier als Kants filosofie dat nog kan zijn. In tegenstelling tot Kant die het idealisme nog wilde weerleggen[25] meent Fichte echter dat een consequente transcendentaalfilosofie idealistisch moet zijn; de enige weg voor een moderne (kritische) filosofie om een metafysica aan te vangen is zich in reflectie boven het reële (en de gangbare mening van een ding an sich) te verheffen tot een intellectuele aanschouwing van ons zuiver handelen (Ich). Alleen hierdoor komt de kritische filosofie tot de these van een primair en oorspronkelijk, positief metafysisch begrip, dat als eerste principe van de hele moderne filosofie zowel theoretisch als praktisch gefundeerd en uitgebouwd wordt. Hoewel zowel in het theoretisch als praktisch stelsel ook rekenschap afgelegd wordt van een realistische dimensie blijft hiertegenover het zijn of an sich ultiem een afgeleid, tegengesteld of negatief metafysisch begrip. Bovendien moet de filosofie volgens Fichte de samenhang van het theoretische en praktische denken ontwikkelen om de volledige constructie van ons zelfbewust ik als Tathandlung en de eenheid van onze zelfreflexieve rede te funderen. In zijn opzet is Fichte dan ook de grondlegger en eerste grote representant van het Duitse idealisme.[2] Ten slotte is hij samen met Kant de geschiedenis van de filosofie ingegaan als verdediger van de menselijke vrijheid en waardigheid: ongeacht de factoren van aanleg of aanleiding is de mens in principe absoluut vrij, en draagt hij/zij ultiem de verantwoordelijkheid van zijn/haar handelen. Deze noumenale vrijheid is het enige waar de moderne mens in het gezicht van de strenge filosofische kritiek werkelijk en algemeen zijn geloof in kan en moet leggen. Het is ook deze vrijheid en waardigheid die de wetenschapsleer als filosofie zoekt te verdedigen en zelfs te bewijzen in een eerste wetenschap (der wetenschappen), en het is vanuit dit doel dat haar standpunt, de constructie en de verdediging daarvan begrepen, beoordeeld en naar waarde geschat moet worden.

Externe link[bewerken | brontekst bewerken]

Mediabestanden die bij dit onderwerp horen, zijn te vinden op de pagina Johann Gottlieb Fichte op Wikimedia Commons.