Leerlingvolgsysteem

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Jump to search
Portal.svg Portaal Onderwijs

Via het leerlingvolgsysteem (LVS) krijgt de leraar en de schoolleiding (en bij uitbreiding de overheid) zicht op de studievoortgang van een leerling maar ook op het niveau van een klas en de school.

Bij een leerlingvolgsysteem hoort vaak een set van methodeonafhankelijke, genormeerde toetsen. Deze toetsen betreffen vooral (de voorbereiding van) de instrumentele vaardigheden: functieontwikkeling (motoriek, rekentaal e.d.), het lezen, hoofdrekenen, spellen, rekenen/wiskunde en begrijpend lezen.

Een volledig leerlingvolgsysteem betreft de hele basisschool. Dus in Nederland de groepen 1 t/m 8. In Vlaanderen zowel de kleuterschool als het lager onderwijs.

Aan de hand hiervan kan de leerkracht meten in hoeverre de leerlingen de leerstof van een bepaald leerjaar beheersen, en wie op welke onderdelen eventueel extra oefening of uitleg behoeft.

De individuele resultaten op de LVS-toetsen worden uitgedrukt in percentielen, zone's A t/m E of in "didactische leeftijdsequivalenten" (DLE).

Aansluitend op de resultaten van het LVS kunnen dan ook een reeks remediëringsoefeningen, verdiepings- of uitbreidingstaken worden toegepast.

Een leerlingvolgsysteem wordt voornamelijk gebruikt in het basisonderwijs. Ook bij andere onderwijsvormen volgt men de leerlingen uiteraard. Zo bestaat in het buitengewoon onderwijs een registratie- en volgsysteem voor de basisvaardigheden. Ook het leercontract werkt met dergelijk systeem.

De verwerking van de resultaten, en in stijgende mate ook de toetsen zelf worden steeds meer geautomatiseerd. In Nederland is het systeem van het CITO het meest verspreid. Een goede tweede is het DLE-LVS van Teije de Vos, dat inmiddels volledig is vervangen door zijn Schoolvaardigheidstoetsen (Boom test onderwijs), die naast de DLE's nu ook de overige normschalen (Cito en percentielen) hanteren. De systematiek van de DLE's wordt anderzijds weer door Cito-gebruikers toegepast naast hun systeem.

In Vlaanderen geldt hetzelfde voor het LVS van de (koepel van de) CLB's.

De voorloper van het LVS was de schoolvorderingentoets of -test (SVT) zoals die tot in de jaren tachtig in gebruik was.

Sterk in opkomst is de ontwikkeling waarbij de school naast het vaardigheidsniveau van de leerling ook de aanleg (en de persoonlijkheidskenmerken) in beeld brengt. In feite wordt hiermee teruggegrepen op de praktijk rond de hierboven aangehaalde schoolvorderingentoets (SVT). De bedoeling is namelijk na te gaan of eruit komt wat erin zit. Al vroeg in de schoolloopbaan wil men door het testen van de aanleg (met bijvoorbeeld de begintest al in de tweede helft van groep 2) een ontwikkelingsperspectief van de leerling schetsen om te voorkomen dat er onnodig aan de leerling wordt 'gedokterd'. Het nastreven van een onrealistisch niveau is namelijk voor zowel het kind als de ouders erg frustrerend. Anderzijds kan de leerling met veel potentie en een teleurstellend vaardigheidsniveau worden gestimuleerd. M.a.w. (in Nederland) een 'vwo-klant' moet ook naar het vwo, maar een leerling met een meer praktische instelling is beter af op bijvoorbeeld het vmbo-basis. In tegenstelling tot de vaardigheidstoetsen, die zo'n twee keer per jaar worden afgenomen, worden de aanlegtoetsen eens in de twee jaar afgenomen omdat intelligentie een vrij stabiele factor is. Recent (2011) wordt dit laatste trouwens erg ter discussie gesteld.[1]

Bij uitbreiding wordt de term leerlingvolgsysteem ook gebruikt om andere ontwikkelingen dan leerstofvorderingen bij te houden, zoals gedragsproblemen en begeleidingstussenkomsten in verband met spijbelen.

Externe links[bewerken]