Linkse Sociaal-Revolutionaire Partij

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Nadat de bolsjewieken in oktober 1917 in Rusland de macht hadden gegrepen koos een minderheid van de Sociaal-Revolutionaire Partij ervoor om met de communisten samen te werken. Daartoe richtten zij de Linkse Sociaal-Revolutionaire Partij (LSRP) (Russisch: Партия левых социалистов-революционеров) op, die geloofde in een langdurige en spontane revolutie. Zij wilden het privé-eigendom van landbouwgrond afschaffen en overgeven aan de plaatselijke dorpsgemeenschappen. De meeste linkse sociaal-revolutionairen wilden de sovjets op lokaal niveau combineren met de Doema als soeverein nationaal parlement.[1]

In Lenins eerste coalitieregering van december 1917 werden vertegenwoordigers van de LSRP opgenomen. De samenwerking duurde tot aan de zomer van 1918. De coalitieregering ondertekende op 3 maar 1918 de Vrede van Brest-Litovsk, terwijl de LSRP tegen was. Dat was de aanleiding voor de Opstand van de linkse sociaal-revolutionairen toen leden van de LSRP de Duitse ambassadeur Von Mirbach vermoordden om de bevolking aan te zetten tot een opstand tegen de communisten en tegelijkertijd de vrede in gevaar te brengen.

Lenin reageerde onmiddellijk door de LSRP-vertegenwoordigers uit zijn regering te verwijderen. Niet dat hij daar erg rouwig om was, want de LSRP had de bolsjewieken inmiddels op tal van fronten proberen tegen te werken (zo had de partij zich bijvoorbeeld verzet tegen de wederinvoering van de doodstraf, terwijl haar leden anderzijds wel een meerderheid vormden binnen de gevreesde, bloedige geheime dienst Tsjeka onder leiding van Feliks Edmoendovitsj Dzerzjinski; ook de vorming van een machtige centrale regering en de invoering van de dienstplicht waren op verzet gestoten van de zijde van de LSRP.) Na de mislukte couppoging verdween de LSRP in de achtergrond, terwijl een aantal hunner zich bekeerde tot de Russische Communistische Partij, zoals Lenins bolsjewistische partij zich inmiddels liet noemen. Velen van hen traden in de jaren daarna op als landbouw- en economiedeskundigen van de communistische regering.

De 'gewone' SRP werd in de vroege jaren twintig verboden, hoewel ze haar ondergrondse activiteiten nog tot het einde van dat decennium zou voortzetten. Een aantal prominente sociaal-revolutionairen verkozen een leven als balling in West-Europa of de Verenigde Staten waar sommigen (zoals Aleksandr Kerenski en Boris Savinkov) nog enige tijd van zich deden spreken door hun rol in de Russische emigrantenbeweging.

Zie ook[bewerken]