Max de Jong (dichter)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Max Jelle de Jong (Wageningen, 25 december 1917 - Amsterdam, 10 juni 1951) was een Nederlands dichter en essayist.[1][2][3]

Biografie[bewerken | brontekst bewerken]

Max de Jong studeerde Nederlandse taal- en letterkunde in Utrecht, waar hij tot de vrienden en kennissen van Theo van Baaren, Gertrude Pape, Ad den Besten, Louis Lehmann en Leo Vroman behoorde. Hij werkte mee aan de literaire tijdschriften Groot Nederland, waarin hij in 1938 als dichter debuteerde, De Gemeenschap en De Schoone Zakdoek. Na de Tweede Wereldoorlog was hij o.a. bevriend met uitgever Geert van Oorschot. In 1947 publiceerde Van Oorschot het gedicht Heet van de naald van Max de Jong. In zijn postuum verschenen Dagboek beschreef hij talrijke schrijvers, onder wie Willem Frederik Hermans, Adriaan Morriën en Gerard Reve. Na zijn vroege dood is veel van zijn werk illegaal gepubliceerd.

Het Max de Jong Genootschap onder voorzitterschap van Bob Polak wijdt zich sinds 2018 aan het leven en werk van de dichter-schrijver.

Werk (selectie)[bewerken | brontekst bewerken]

  • 'De processie', in: De Gemeenschap. Jaargang 14 (1938)[4]
  • 'Neel', in: Groot Nederland (1939)[5]
  • 'Fragmenten', in: De Schoone Zakdoek (nummer 29-30, augustus-september 1943)
  • Plaquette. Zes gedichten (Huib van Krimpen), 1944
  • Communisme en intellect. I. De autonomie der cultuur. II. Gide's falen (Uitgave in eigen beheer), 1945
  • Heet van de naald (G.A. van Oorschot), 1947. Tweede druk 1974, derde druk 1982, vierde druk 2014

Postuum:

Bron[bewerken | brontekst bewerken]

  • Calis, Piet, Het ondergronds verwachten. Schrijvers en tijdschriften tussen 1941 en 1945 (Meulenhoff), 1989 (op DBNL)

Externe links[bewerken | brontekst bewerken]