Neurondoctrine

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

De neurondoctrine is het principe dat zenuwcellen (neuronen) de elementaire bouwstenen zijn van de hersenen. Deze ontdekking werd gedaan door Santiago Ramón y Cajal, toen hij de nieuwe kleurmethode van Camillo Golgi (golgikleuring) gebruikte om individuele neuronen te onderzoeken.[1]

Korte geschiedenis[bewerken]

In de vroege 20e eeuw was de zoektocht naar de structuur van de neuronen en de bouwstenen van de hersenen heel erg belangrijk. Door de uitvinding van de elektronenmicroscoop in de helft van de 20e eeuw werd uiteindelijk bewijs gevonden voor de neurondoctrine, en werd deze aanvaard in de wetenschappelijke gemeenschap.

Elementen van de neurondoctrine[bewerken]

De neurondoctrine is een voorbeeld van de samenloop van verschillende bewijzen van onafhankelijke en niet samenhangende bronnen die op deze manier zorgen voor sterke conclusies, in dit geval uit welke "bouwstenen" de hersenen bestaat. Deze bewijzen kwamen uit vijf experimentele onderzoekgebieden: de psychologie, fysiologie, embryologie, farmacologie en anatomie.

De volgende vijf experimentele onderzoeksgebieden leiden tot de neurondoctrine:

  • De psychologische ontwikkeling, waardoor uiteindelijk de neurondoctrine algemeen aanvaard werd is minder duidelijk. Belangrijke wetenschappers die bijdrage hebben geleverd zijn: Franz Joseph Gall, Baruch Spinoza, Paul Pierre Broca, Carl Wernicke, en Hughlings Jackson.
  • Fysiologisch onderzoek begon rond de 18e eeuw, toen Luigi Galvani had ontdekt dat spier- en hersencellen elektriciteit produceren. Later onderzoek werd verricht door Johannes Müller, Emil du Bois-Reymond, en Herman von Helmholtz. Zij ontdekten de snelheid van geleiding van elektrische activiteit van het axon. Zij toonden ook aan dat elektrische activiteit van een neuron in het bijliggende neuron een elektrische activiteit kan veroorzaken.
  • In de embryologie werd in 1920 bewezen door Ross Harrison dat het axon en de dendrieten vanuit het cellichaam groeien. Deze ontdekking werd gedaan door individuele neuronen in weefselcultuur te onderzoeken.
  • Onderzoek in de farmacologie door Claude Bernard, Paul Ehrlich, en John Langley toonde aan dat stoffen niet op elke plek van de cel werken, maar alleen op de receptoren gelegen op de celmembraan. Hierdoor werd ontdekt dat receptoren chemisch met elkaar communiceren met behulp van neurotransmitters.
  • De anatomie was het belangrijkste deel (en definitieve bewijs) in de ontdekking van het neurondoctrine, dit dankzij de uitvinding van de elektronenmicroscoop in de tweede helft van de 20e eeuw. Santiago Ramón y Cajal kwam tot deze ontdekking door neuronen onder een elektronenmicroscoop te bestuderen.