Onderwijsvorm

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Een onderwijsvorm is een onderwijskundige term die in België vooral gebruikt wordt om de variatie binnen het secundair onderwijs te benoemen. In Vlaanderen is het een officiële term, gehanteerd door het Ministerie van onderwijs.

In Nederland wordt het begrip geheel anders gebruikt. Daar gaat het om de vorm waarin het onderwijs wordt gegeven.

Nederland[bewerken]

In de Nederlandse onderwijssituatie is onderwijsvorm de methode van kennisoverdracht. Daarbij valt te denken aan:

  • hoorcolleges, waarin de studenten in grote groepen de gegeven informatie in zich opnemen
  • werkcolleges, waarin de studenten in vaak kleinere groepen meer actief werkzaam zijn
  • practica, waarin de activiteit van de studenten zelfs centraal staat.

Een andere manier om onderwijsvormen te onderscheiden, zijn de verschillende overdrachtsmodellen.

  • Zo kan de overdracht eenzijdig zijn: de docent spreekt en de leerling luistert.
  • Er kan ook tweezijdigheid bestaan: docent en leerling communiceren, bijvoorbeeld door vraag en antwoord.
  • Er kan een zogenaamd wielmodel gevolgd worden, waarin niet de gehele discussie via de docent verloopt; ook de leerlingen onderling communiceren met elkaar.

Vlaanderen[bewerken]

Het secundair onderwijs in Vlaanderen telt vier onderwijsvormen:

Soms wordt het Deeltijds onderwijs als afzonderlijke onderwijsvorm beschouwd, waar het eigenlijk een variante van het beroepssecundair onderwijs is.

Deze onderwijsvormen bestaan in principe pas vanaf het eerste leerjaar van de tweede graad secundair onderwijs (derde jaar secundair). In de eerste graad spreekt met van A-stroom en B-stroom.

Na de eerste graad A-stroom met vrucht beëindigd te hebben, kan je in principe doorstromen naar elke onderwijsvorm.
Het eerste jaar van de B-stroom is bedoeld voor leerlingen die geen getuigschrift lager onderwijs hebben behaald, een leerachterstand hebben opgelopen of minder geschikt zijn voor overwegend theoretisch onderwijs. Na het eerste jaar B-stroom kan je starten in het eerste jaar A-stroom of in het tweede jaar B-stroom, het zogenaamde beroepsvoorbereidend leerjaar (BVL). Na het beroepsvoorbereidend leerjaar stroom je door naar de tweede graad BSO. Na het met vrucht beëindigen van een leerjaar BSO, kan je overstappen naar een "hogere" onderwijsvorm zoals KSO/TSO. Je moet dan wel instappen in hetzelfde jaar.

Bijvoorbeeld: Els volgde het eerste leerjaar van de tweede graad BSO (3BSO) en slaagde voor alle vakken. Ze mag het schooljaar nadien starten in het eerste leerjaar van de tweede graad TSO of KSO.

Terminologie[bewerken]

Onderwijsvorm in de betekenis van de didactische werkvorm (wijze van lesgeven) wordt vaak voorafgegaan door een bijvoeglijk naamwoord dat aanduidt hoe de lerende zich de leerdoelen eigen maakt (oriëntatie) of hoe het leerproces wordt begeleid (sturing). Voorbeelden van onderwijsvormen met een specifieke oriëntatie zijn interesse georiënteerd onderwijs[1], object georiënteerd onderwijs[2], pedagogisch georiënteerd onderwijs, situatie georiënteerd onderwijs[3], experimenteel georiënteerde onderwijs, confessioneel georiënteerd onderwijs, student georiënteerd onderwijs, wetenschappelijk georiënteerd onderwijs en ontwerp georiënteerd onderwijs.

Voorbeelden van onderwijsvormen met een specifieke sturing zijn projectgestuurd onderwijs, probleemgestuurd onderwijs, taakgestuurd onderwijs, opdrachtgestuurd onderwijs en docentgestuurd onderwijs.

Bronvermelding[bewerken]

Referenties
  1. Rupert Genseberger (1997) – Interesse-georiënteerd onderwijs natuur- en scheikunde onderwijs – Utrecht: CD-Beta Press, Universiteit van Utrecht - ISBN 90-73446-35-X
  2. Fred J.M. Wolters en Rob Slagter (1997) – Object georiënteerd onderwijs – NVOX: 22e jaargang, oktober 1997, nummer 8 en 9 - ISSN 0921-1713
  3. Anne Constant (2008) - Oriëntatie op Ontwikkelingsgericht Onderwijs - Masterthesis, december 2008, Universiteit Utrecht