Restzetel

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Een restzetel is een zetel die overblijft na een eerste verdeling van zetels naar rato van de stemmen in een kiessysteem met evenredige vertegenwoordiging.

Achtergrond[bewerken]

Na het bepalen van de kiesdeler wordt het aantal stemmen per fractie gedeeld door de kiesdeler. De uitkomst hiervan (naar beneden afgerond) geeft het aantal volle zetels dat wordt toegewezen aan een partij. Vervolgens worden de restzetels verdeeld. Het aandeel reststemmen van een partij dat op die manier naar andere partijen gaat, varieert tussen enkele tienden van procenten tot meer dan twintig procent (bij relatief kleine partijen).

Welke partijen restzetels erbij gekregen hebben en welke niet, kan men controleren door het aantal zetels van een partij te vermenigvuldigen met de kiesdeler en de uitkomst te vergelijken met het aantal stemmen dat op die partij is uitgebracht.

Verdeling[bewerken]

Restzetels kunnen verdeeld worden volgens diverse methoden. In Nederland zijn er twee methoden in gebruik. De eerste methode, die van de grootste gemiddelden[1] hanteert feitelijk het algoritme van de methode-D'Hondt. De methode wordt in Nederland toegepast voor verkiezingen voor een vertegenwoordigend lichaam met 19 of meer zetels (zoals een grotere gemeenteraad, de Tweede Kamer of de Eerste Kamer). Bij deze procedure wordt het aantal stemmen voor elke partij gedeeld door het aantal behaalde volle zetels plus 1. De partij die zo uitkomt op het grootste aantal stemmen per zetel (grootste gemiddelde) krijgt de restzetel toegewezen. Indien er meer restzetels zijn, wordt de procedure herhaald met de nieuwe tussenstand tot er geen restzetels meer te verdelen zijn. De methode werkt meestal in het voordeel van grotere partijen en het is mogelijk dat een (grote) partij meer dan één restzetel behaalt. Dit is ook de reden waarom sommige partijen lijstverbindingen aangaan met verwante partijen: daarmee wordt de kans op een restzetel groter binnen de groep van verbonden partijen. Bij verkiezingen voor de Tweede Kamer moet een partij wel minimaal een volle zetel behaald hebben om voor een restzetel in aanmerking te komen.

De tweede methode, die van de grootste overschotten,[2] geldt in Nederland voor een vertegenwoordigend lichaam met 18 of minder zetels (zoals de kleinere gemeenteraden). Bij deze methode wordt gekeken naar het aantal stemmen dat over is van het totaal aantal stemmen na verdeling van de volle zetels. De partij met het grootste overschot krijgt bij deze methode de eerste restzetel, de partij met het op één na grootste overschot de tweede, enzovoort tot alle zetels verdeeld zijn. Deze methode werkt in het algemeen vooral in het voordeel van kleinere partijen. Elke partij kan hoogstens één restzetel krijgen volgens deze methode. Partijen die minder dan 75% van de kiesdeler hebben gehaald, komen bij deze methode niet in aanmerking voor een restzetel.

Zie ook[bewerken]